Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2017:14808
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 17/3764, SGR 17/3765 en SGR 17/3766 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2017 in de zaken tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. G.D. Haytink), en de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [plaats], verweerder. Procesverloop Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve berekening kinderopvangtoeslag (KOT) voor het berekeningsjaar 2014 en herziene voorschotbeschikkingen KOT voor de berekeningsjaren 2015 en 2016. Verweerder heeft bij beslissingen op bezwaar van 24 april 2017 het bezwaar met betrekking tot het berekeningsjaar 2014 ongegrond verklaard en de bezwaren met betrekking tot de berekeningsjaren 2015 en 2016 gedeeltelijk gegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen op 31 mei 2017 beroep bij de rechtbank ingesteld. Naar aanleiding van het ingestelde beroep heeft verweerder op 23 oktober 2017 herziene beslissingen op bezwaar genomen. Hierbij zijn de bezwaren van eiseres met betrekking tot de berekeningsjaren 2014 en 2015 gegrond verklaard. Voor het berekeningsjaar 2015 is een proceskostenvergoeding van € 992 toegekend. Het bezwaar met betrekking tot het berekeningsjaar 2016 is wederom gedeeltelijk gegrond verklaard. Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon]. Ter zitting heeft eiseres, met inachtneming van de herziene beslissingen op bezwaar, de beroepen met betrekking tot de berekeningsjaren 2014 en 2015 ingetrokken met dien verstande dat wel is verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Overwegingen Feiten 1. In 2016 is eiseres fulltime student aan [instituut]. In het kader van deze studie heeft eiseres in de periode 5 april 2016 tot 1 juli 2016 stage gelopen. ` 2. De dochter van eiseres staat ingeschreven op het adres van haar vader, maar woont ook de helft van de week bij haar moeder. Er is sprake van co-ouderschap. 3. De dochter van eiseres is door een gastouder (buitenschoolse opvang) opgevangen. In de periode 1 januari tot en met 31 januari verliep dit via gastouderservice [gastouderservice] (totaal 230 uren). In de periode februari tot en met juni verliep de opvang via [gastouderbureau] (totaal 1.150 uur). 4. Met dagtekening 28 december 2015 is aan eiseres voor het berekeningsjaar 2016 een voorschot KOT toegekend van € 14.066. 5. Met dagtekening 21 mei 2016 is dit voorschot herzien naar € 14.160. 6. Met dagtekening 21 juni 2016 is het voorschot KOT 2016 herzien naar nihil en heeft verweerder een bedrag van € 7.074 van eiseres teruggevorderd. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Op 25 januari 2017 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. 7. Bij beslissing op bezwaren van 24 april 2017 is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van eiseres, inhoudende dat eiseres voor de periode 1 januari tot en met 31 december 2016 recht heeft op KOT, uitgaande van 130 opvanguren per maand. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. 8. Naar aanleiding van de onder 7 genoemde beslissing is het voorschot KOT 2016 met dagtekening 2 juni 2017 herzien naar € 8.008. 9. Naar aanleiding van het ingestelde beroep heeft verweerder met dagtekening 23 oktober 2017 een herziene beslissing op bewaar genomen, waarin KOT is toegekend voor de gemaakte kosten bij [gastouderservice] in januari 2016. Voor de genoten opvang via[gastouderbureau] in februari tot en met juni 2016 is géén KOT toegekend. Geschil 10. Voor de berekeningsjaren 2014 en 2015 is slechts nog in geschil of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding. Voor het berekeningsjaar 2016 is in geschil of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres geen recht heeft op KOT voor de maanden februari tot en met juni. 11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat voor de berekeningsjaren 2014 en 2015 recht bestaat op proceskostenvergoeding. Voor wat betreft h genoemde beschikking zonder enige nadere motivering de nihilstelling voor 2016 en terugvorderingen over 2014 en 2015 aan eiseres werden verstuurd. Nog voor de behandeling ter zitting heeft verweerder de terugvorderingen ongedaan gemaakt. Uit het dossier is de rechtbank ook niet gebleken op welk punt eiseres in 2014-2016 in gebreke zou zijn gebleven. Uiteindelijk is alleen gebleken dat door de abrupte stopzetting in 2016 een maand betalingsachterstand is ontstaan, waardoor de toekenning na bezwaar zoals verwoord onder 8. bij de laatste herziening weer is teruggedraaid. De rechtbank acht dit alles dermate onzorgvuldig, dat de gevolgen van de handelwijze van verweerder niet voor rekening en risico van eiseres dienen te komen. 22. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de herziene beslissing van 23 oktober 2017 met betrekking tot het berekeningsjaar 2016 voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard. Proceskosten 23. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 24. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van die wet. 25. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratieve beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 26. Verweerder is voor de berekeningsjaren 2014 en 2015 aan eiseres tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Aan eiseres is ter zake van de beroepen door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend, bestaande uit het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Ten aanzien van deze door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand merkt de rechtbank de zaken aan als samenhangend nu deze zaken gelijktijdig door de bestuursrechter zijn behandeld, in deze zaken door dezelfde persoon rechtsbijstand is verleend en zijn werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn geweest. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1 en factor 1 omdat sprake is van 2 samenhangende zaken). 27. Voor berekeningsjaar 2016 ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in de beroepsfase, aangezien sprake is van samenhang met de zaken betreffende de berekeningsjaren 2014 en 2015 en hiervoor reeds een kostenvergoeding is toegekend. 28. Met betrekking tot de kosten van het bezwaar overweegt de rechtbank als volgt. Voor een veroordeling van de kosten van de bezwaarfase voor berekeningsjaar 2015 bestaat geen aanleiding nu deze kosten in de herziene beslissing op bezwaar van 23 oktober 2017 reeds zijn vergoed en gesteld noch gebleken is dat tot een te laag bedrag is vergoed. Voor berekeningsjaren 2014 en 2016 is geen ruimte voor vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten, omdat eiseres hierom niet overeenkomstig artikel 7:15, derde lid, van de Awb heeft verzocht voordat verweerder op het bezwaar heeft beslist. Ten overvoede oordeelt de rechtbank dat, ingeval eiseres hierom wel tijdig zou hebben verzocht, de zaken betreffende