Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-12-13
ECLI:NL:RBDHA:2017:14483
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Zittingsplaats Den Haag Vonnis van 13 december 2017 in de navolgende gevoegde zaken: de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/484865 / HA ZA 15-329 van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KWANTUM NEDERLAND B.V. , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KWANTUM BELGIË B.V. , beide gevestigd te Tilburg, eiseressen, advocaat mr. C. Garnitsch te Eindhoven, tegen de rechtspersoon naar vreemd recht VITRA COLLECTIONS AG , gevestigd te Muttenz, Zwitserland, gedaagde, advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam, en de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/486231 / HA ZA 15-424 van de rechtspersoon naar vreemd recht VITRA COLLECTIONS AG , gevestigd te Muttenz, Zwitserland, eiseres, advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KWANTUM NEDERLAND B.V. , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KWANTUM BELGIË B.V. , beide gevestigd te Tilburg, gedaagden, advocaat mr. C. Garnitsch te Eindhoven. De zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/484865 / HA ZA 15-329 zal hierna ‘zaak 15-329’ en de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/486231 / HA ZA 15-424 zal hierna ‘zaak 15-424’ genoemd worden. De eiseressen in zaak 15-329, tevens de gedaagden in zaak 15-424, zullen hierna gezamenlijk Kwantum c.s. genoemd worden. Waar nodig zal over de eiseressen in zaak 15-329, tevens de gedaagden in zaak 15-424, afzonderlijk worden gesproken over Kwantum NL en Kwantum BE. De gedaagde in zaak 15-329, tevens eiseres in zaak 15-424, zal hierna Vitra genoemd worden. Voor Kwantum c.s. zijn de zaken inhoudelijk behandeld door mr. Garnitsch voornoemd en mr. M.M.M. van Gerwen, beiden advocaat te Eindhoven. Voor Vitra zijn de zaken inhoudelijk behandeld door mr. S.A. Klos, mr. J. Klopper en mr. A. Ringnalda, advocaten te Amsterdam. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure in zaak 15-329 blijkt uit: de dagvaarding van Kwantum c.s. van 20 februari 2015; de akte overlegging producties van Kwantum c.s. van 22 april 2015, met producties 1 tot en met 21; de incidentele conclusie tot voeging, tevens conclusie van antwoord, van Vitra van 3 juni 2015, met producties 1 tot en met 16; de akte overlegging productie 22 van Kwantum c.s. van 3 juni 2015, met productie 22; de conclusie van antwoord in het incident van Kwantum c.s. van 17 juni 2015; het vonnis in incident van 22 juli 2015, waarin zaak 15-329 en zaak 15-424 zijn gevoegd en de gevoegde zaken zijn verwezen naar de rol van 5 augustus 2015 voor beraad comparitie; de conclusie van repliek van Kwantum c.s. van 30 september 2015, met producties 23 tot en met 27; de conclusie van dupliek van Vitra van 25 november 2015, met producties 17 tot en met 20; de rolbeslissing van 6 januari 2016, waarbij partijen op verzoek van Vitra zijn toegelaten tot pleidooi en de rolbeslissing van 20 januari 2016, waarbij op verzoek van Kwantum c.s. een nadere conclusie ronde is bepaald; de nadere conclusie van Kwantum c.s. van 24 februari 2016, met productie 28; de nadere conclusie (antwoord) van Vitra van 6 april 2016, met producties 21 tot en met 25; de brief van 6 januari 2017 van Kwantum c.s., met daarbij een akte overlegging producties, met producties 29 tot en met 34; - de brief van 19 januari 2017 van Kwantum c.s., met producties 35 (een (aanvullende) proceskostenopgave). 1.2. Het verloop van de procedure in zaak 15-424 blijkt uit: de dagvaarding van Vitra van 23 februari 2015; de akte houdende overlegging producties van Vitra van 8 april 2015, met producties 1 tot en met 15; de conclusie van antwoord van Kwantum c.s. van 20 mei 2015, met daarin opgenomen een incidentele conclusie tot exceptie van niet-ontvankelijkheid, met producties X1 (de dagvaarding in zaak 15-329) en 1 tot en met 22; de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 222 Rv van Kwantum c.s., met als bijlage de dagvaarding in zaak 15-329; de conclusie van antwoord in het incident tot voeging tevens conclusie van antwoor Bij kort geding vonnis van 23 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis op vordering van Vitra in conventie aan Kwantum c.s. een verbod opgelegd, versterkt met een dwangsom, om met de Paris-stoel in Nederland en België inbreuk te maken op de auteursrechten van Vitra met betrekking tot de DSW en de vordering van Kwantum c.s. in reconventie tot opheffing van het beslag op de Paris-stoelen afgewezen (hierna: het kort geding of het kort geding-vonnis). Kwantum c.s. is in het kort geding-vonnis veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Vitra, in conventie begroot op € 30.025,82 en in reconventie begroot op nihil. Vitra heeft het kort geding-vonnis op de dag van de uitspraak aan Kwantum c.s. betekend. 3 Het geschil 3.1. In zaak 15-424 vordert Vitra, zakelijk weergegeven, veroordeling van Kwantum c.s. tot staking van de inbreuk op het auteursrecht van Vitra op het ontwerp van de DSW, tot het doen van opgave van gegevens met betrekking tot de inbreuk, tot afgifte ter vernietiging van de Paris-stoelen, tot veroordeling van Kwantum c.s. tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, alsmede inzage in bewijs dat ten laste van Kwantum c.s. in beslag is genomen, met veroordeling van Kwantum c.s. in de volledige proceskosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019h Rv. 3.2. Ter onderbouwing van haar vorderingen voert Vitra aan dat zij in Nederland en in België auteursrechthebbende is ten aanzien van de DSW en dat Kwantum c.s. op dat auteursrecht inbreuk heeft gemaakt door het verhandelen van de Paris-stoel, waardoor Vitra schade heeft geleden. 3.3. In zaak 15-329 vordert Kwantum c.s. – zakelijk weergegeven – 1) een verklaring voor recht dat zij geen inbreuk heeft gemaakt of maakt op auteursrechten van Vitra, dat de door Kwantum c.s. verhandelde Paris-stoel geen slaafse nabootsing is van de DSW en dat zij daarom niet onrechtmatig jegens Vitra heeft gehandeld, en dat zij niet gehouden is tot het betalen van enige schadevergoeding uit dien hoofde, 2) opheffing van de door Vitra ten laste van Kwantum NL gelegde beslagen, althans veroordeling van Vitra tot het doen opheffen van die beslagen, en teruggave aan Kwantum NL van de in beslag genomen zaken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en 3) vergoeding van de door de handhaving door Vitra van de door haar gepretendeerde rechten door Kwantum c.s. gederfde winst, op te maken bij staat en te betalen overeenkomstig de wet, en geleden schade bestaande uit de kosten van het kort geding van € 60.051,64, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 januari 2015, met veroordeling van Vitra in de volledige proceskosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019h Rv, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonnis. 3.4. Ter onderbouwing van haar vorderingen voert Kwantum c.s. aan dat Vitra haar ten onrechte heeft aangesproken op inbreuk in Nederland en België op het auteursrecht op het ontwerp van de DSW, althans op slaafse nabootsing van dat ontwerp, en dat Vitra ten onrechte ten laste van Kwantum NL conservatoir beslag tot afgifte en bewijsbeslag heeft gelegd. Vitra heeft vervolgens een kort geding tegen Kwantum c.s. aanhangig gemaakt waarin Vitra in het gelijk is gesteld en heeft dat vonnis aan Kwantum c.s. betekend. Kwantum c.s. stelt dat Vitra geen auteursrecht in Nederland en/of België kan doen gelden ten aanzien van de DSW en dat, als er al een auteursrecht zou kunnen worden ingeroepen ten aanzien van de DSW, Vitra niet de rechthebbende is. Ook bestrijdt Kwantum c.s. de inbreuk op het auteursrecht en de gestelde slaafse nabootsing. Naar Kwantum c.s. stelt, is de handhaving door Vitra, mede bestaande uit de gelegde beslagen en het betekenen van het kort geding-vonnis, derhalve onrechtmatig en heeft zij schade geleden door deze onrechtmatigheid. 3.5. Partijen voeren over en weer verweer, waarbij de in zaak 15-329 gevoerde argumenten grotendeels spiegelbeeldig zijn aan die gevoerd in zaa heeft deze door Vitra aangevoerde gronden voor bescherming van de DSW stuk voor stuk bestreden. De rechtbank zal de verschillende gronden hierna bespreken. Unieverdrag 4.7. Het terrein van het intellectuele eigendomsrecht wordt internationaal van oudsher gedomineerd door twee verdragen. Voor het industriële eigendomsrecht is dat sinds 1883 het Unieverdrag. En voor het auteursrecht is dat de BC van drie jaar later. Deze twee verdragen zijn bekrachtigd door het TRIPS-verdrag , welk verdrag de leden van de Wereldhandelsorganisatie verplicht tot naleving van de bepalingen van het Unieverdrag en de BC. 4.8. De stelling van Vitra komt erop neer dat de DSW een model van nijverheid is dat volgens artikel 1 lid 2 onder het beschermingsregime van het Unieverdrag valt en aan welk model op grond van artikel 2 lid 1 van het Unieverdrag dezelfde bescherming wordt geboden als de bescherming die in Nederland en België aan die modellen wordt geboden. Omdat Nederland en België dit soort modellen niet alleen volgens het modellenrecht maar tevens auteursrechtelijk beschermen, moet die bescherming ook worden toegekend aan de DSW, aldus Vitra. Vitra meent dus dat het begrip ‘industriële eigendom’ in artikel 1 lid 2 van het Unieverdrag niet verwijst naar het soort beschermingsregime, maar naar een verzameling van voortbrengselen die op een niet nader voorgeschreven wijze beschermd moeten worden. Dat zou bevestigd worden door artikel 5quinquies van het Unieverdrag dat bepaalt dat tekeningen en modellen van nijverheid in alle landen der Unie beschermd zullen worden. 4.9. Anders dan Vitra betoogt, ziet artikel 1 lid 2 van het Unieverdrag niet op objecten maar op categorieën van (rechts-)beschermingsregimes. In dat artikel is gedefinieerd wat onder de ‘bescherming van industriële eigendom’ wordt begrepen. Het gaat daarmee om rechten, niet om de objecten die het voorwerp van die rechten zijn. Ware het anders, dan zou in die bepaling ook niet worden gesproken over ‘octrooien van uitvinding’ maar over ‘uitvindingen’ en niet over ‘handelsmerken’ maar bijvoorbeeld over ‘commerciële onderscheidingstekens’. Kwantum c.s. wijst in dit verband op een citaat uit de Guide to the Application of the Paris Convention for the Protection of Industrial Property (p. 24): “A question which was reserved above is whether the States party to the Paris Convention committed to the protection of industrial property (Article 1(1)) are bound to protect or regulate all subjects indicated in the definition. The answer to this question is in the negative. because at the Revision Conference of The Hague, where the definition of industrial property was introduced into the Convention, it was expressly stated that the enumeration of industrial property rights would not oblige the member States to legislate on all the specific rights enumerated.” (onderstreping Rechtbank) Dit commentaar van de World Intellectual Property Organisation bevestigt dat het gaat om een opsomming van beschermingsregimes. Het gevolg daarvan is dat, nu auteursrechten niet in deze opsomming zijn vermeld, het Unieverdrag van Parijs geen betrekking heeft op auteursrechten op werken die ook voor bescherming als model in aanmerking komen. Deze uitleg van het Unieverdrag wordt overigens ook in de juridische handboeken over intellectuele eigendom gehuldigd. 4.10. Indien Vitra in haar standpunt zou worden gevolgd, zou dat bovendien betekenen dat artikel 2 lid 7 BC voor modellen van nijverheid een dode letter zou zijn. Aan die modellen zou dan ongeacht artikel 2 lid 7 BC uit hoofde van het Unieverdrag auteursrechtelijke bescherming moeten toekomen. Dit terwijl artikel 2 lid 7 BC expliciet van toepassing is op modellen van nijverheid en haar bestaansrecht juist ontleent aan het gegeven dat voor een model van nijverheid zowel auteursrechtelijke bescherming als modelrechtelijke bescherming kan bestaan. Het is om die reden dat artikel 2 lid 7 BC voorschrijft dat voor werken, die in het land van oorsprong alleen als tekeningen Indien het betoog van Vitra zo moet worden begrepen dat zij zich beroept op artikel 51 Aw en voor bescherming in België op een vergelijkbare bepaling in het WER, en dat richtlijnconforme uitleg van die bepalingen gelet op het Sony/Falcon-arrest meebrengt dat de DSW vanwege de auteursrechtelijke bescherming in Duitsland ook in Nederland en België die bescherming verdient, moet eveneens aan dat betoog voorbij worden gegaan. De rechtbank komt immers pas aan toepassing van de nationale bepalingen toe indien volgens artikel 2 lid 7 BC de DSW in Nederland en België kan worden beschermd als werk van kunst. Op grond van de volgende overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de DSW die bescherming niet toekomt, zodat toepassing van artikel 51 Aw evenmin aan de orde is. Berner Conventie 4.17. Uitgangspunt van de BC is dat auteurs die onderdanen zijn van landen die niet het land van oorsprong zijn, de rechten genieten welke de wetten, hier het Nederlandse recht en het Belgische recht, aan eigen onderdanen verlenen (artikel 5 lid 1 BC). Dat uitgangspunt is niet onverkort van toepassing. Artikel 2 lid 7 BC schrijft voor dat voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, in een ander land van de Unie in beginsel slechts de bijzondere bescherming kan worden ingeroepen welke in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend. Dit voorschrift wordt door partijen onderdeel A van artikel 2 lid 7 BC genoemd (hierna: onderdeel A). In de laatste volzin van het artikel wordt op die hoofdregel een uitzondering gemaakt voor het geval in het betreffende land geen zodanige bijzondere modelrechtelijke bescherming bestaat. In dat geval schrijft artikel 2 lid 7 BC voor dat het werk wordt beschermd als werk van kunst. Deze uitzondering wordt door partijen onderdeel B van artikel 2 lid 7 BC genoemd (hierna: onderdeel B). 4.18. Partijen twisten over de wijze waarop toepassing moet worden gegeven aan artikel 2 lid 7 BC. In het bijzonder ligt de vraag voor hoe de verschillende voorwaarden in die bepaling moeten worden getoetst; concreet (dus voor het aan de orde zijnde werk, in deze zaak de DSW) of abstract (voor werken van toegepaste kunst of modellen in het algemeen). Bij het beantwoorden van die vraag stelt de rechtbank, zoals partijen ook hebben gedaan, het Nederlandse perspectief voorop. Onderdeel A: abstracte of concrete toetsing? 4.19. Over de wijze waarop onderdeel A moet worden uitgelegd, heeft de jurisprudentie al duidelijkheid gebracht. Met dit onderdeel werd in 1948 immers het oude systeem van de BC verlaten waarin ongeacht het bestaan van bescherming in het land van oorsprong, in een lidstaat de bescherming werd geboden welke de nationale wetgeving aan auteurs verleent. Volgens de Hoge Raad in het MAG/Edco-arrest strekt dit voorschrift er toe dat aan een voorwerp van toegepaste kunst auteursrechtelijk geen bescherming wordt geboden als die bescherming in het land van oorsprong niet aan dit voorwerp toekomt. Met andere woorden, de toets van onderdeel A dient te zijn gericht op het al dan niet bestaan van auteursrechtelijke bescherming van het litigieuze werk in het land van oorsprong. Indien in het land van oorsprong geen auteursrechtelijke bescherming aan dit werk toekomt, is voldaan aan de voorwaarde dat het werk in het land van oorsprong alleen modelrechtelijk wordt beschermd. Op die wijze krijgt een auteur in andere landen niet meer bescherming dan in het land van oorsprong. 4.20. De Hoge Raad beantwoordt in datzelfde arrest ook de vraag hoe getoetst moet worden of auteursrechtelijke bescherming wordt geboden in het land van oorsprong. Gelet op de strekking van het voorschrift, ligt het volgens de Hoge Raad in de rede dat de rechter die toets op een zodanige manier uitvoert dat hij aan beide partijen rechtsbescherming biedt die zo veel mogelijk gelijk is aan de rechtsbescherming die zou zijn geboden indien de zaak zou zijn berecht door de rechter van het land van oorsprong. De rechter zal bij het Op dat tijdstip bestond in Nederland en België een bijzonder beschermingsregime voor modellen, namelijk de op 1 januari 1975 in werking getreden Eenvormige Beneluxwet inzake Tekeningen en Modellen (BTMW), inmiddels vervangen door het BVIE . Die wet bood echter geen bescherming aan modellen, zoals de DSW, die al voor 1 januari 1975 op de markt waren en op dat moment niet door nationale wetgeving werden beschermd. De DSW behoort aldus tot een groep modellen die in elk geval in Nederland nooit aan de voorwaarden voor modelrechtelijke bescherming heeft voldaan. 4.26. Tussen partijen is in geschil in hoeverre het Belgische recht voor 1975 op andere wijze nog bijzondere modelrechtelijke bescherming bood. Kwantum c.s. heeft aangevoerd dat de uitzondering van onderdeel B niet geldt voor België, nu aldaar voor 1 januari 1975 het Koninklijk Besluit nr. 91 van 29 januari 1935 gold, welke KB voor de inwerkingtreding van de BTMW bijzondere modelrechtelijke bescherming bood. Voor zover dit standpunt van Kwantum c.s. zou slagen, valt daarmee het doek voor het beroep van Vitra op auteursrecht in België. Voor zover Vitra gevolgd moet worden in haar stelling dat België voor de intreding van de BTMW geen modelrechtelijke bescherming kende, is ook voor de gestelde inbreuk in België van belang hoe onderdeel B uitgelegd moet worden. De rechtbank oordeelt over die uitleg als volgt. 4.27. Kwantum c.s. verdedigt een abstracte benadering van onderdeel B waarin het er om gaat of in het land waar bescherming wordt gezocht een modelrechtelijk beschermingsregime bestaat. Nu in Nederland en België aan die voorwaarde wordt voldaan, ook al op het moment dat de VS tot de BC toetraden, blijft volgens Kwantum c.s. gelden dat geen auteursrechtelijke bescherming voor de DSW aan de orde is. Vitra maakt geen keuze voor een benadering maar betoogt dat zowel via een concrete benadering van onderdeel B als via een abstracte toets van de daarin opgenomen voorwaarde de DSW voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Dat in Nederland en België de DSW nimmer door het modellenrecht is beschermd, staat immers vast. Voor wat betreft de aan te leggen abstracte toets wijst Vitra op het arrest van het Hof Den Haag van 20 maart 2008 in een door haar aangespannen kort geding over een andere door Charles en Ray Eames in de VS halverwege de vorige eeuw ontworpen stoel, de ‘Lounge Chair’ . In dat arrest heeft het hof bepalend geacht dat de Lounge Chair, die voor wat betreft het inroepen van bescherming met de DSW vergelijkbaar is, behoort tot een groep modellen waarvoor in Nederland en België nooit de mogelijkheid heeft bestaan om modelrechtelijke bescherming te verkrijgen. Het hof heeft zodoende beslist dat de uitzondering van onderdeel B is vervuld en dat auteursrechtelijke bescherming aan de Lounge Chair moet worden toegekend. 4.28. Wat opvalt is dat Vitra wel wijst op de uitkomst van een concrete benadering van onderdeel B maar, hoewel dat de kortste weg naar huis zou zijn, toch niet bepleit dat onderdeel B concreet behoort te worden getoetst. Vitra lijkt eerder de – hierna te bespreken – abstractere toetsing te bepleiten die het Haagse hof in de hiervoor genoemde zaak over de Lounge Chair heeft gehanteerd. Kennelijk aanvaardt zij de concrete benadering van onderdeel B ook niet als juist. Naar het oordeel van de rechtbank is dat terecht. Het gaat in artikel 2 lid 7 BC immers om de vraag welke bescherming voor een ‘buitenlands’ werk kan worden ingeroepen; auteursrecht of modellenrecht, waarna het aan de lidstaten is om te bezien of het werk voldoet aan de nationale beschermingsvoorwaarden en zij, in uitzondering op het reciprociteitsbeginsel, een buitenlands werk mogen discrimineren. Uitgangspunt bij het bepalen welke bescherming kan worden ingeroepen, is de in het land van oorsprong toegekende bescherming, opdat aan een voorwerp als werk van toegepaste kunst in beginsel geen auteursrechtelijke bescherming wordt geboden als die in het land van oorsprong niet aan dit vo Indien het spel, of in dit geval de DSW, in de VS uitsluitend als tekening of model wordt beschermd (concrete toets), kan auteursrechtelijke bescherming enkel nog aan de orde zijn als thans een bijzonder beschermingsregime voor modellen in Nederland ontbreekt (abstracte toets). Dat het Vijf spellen-arrest niet anders kan worden gelezen, beamen ook mr. D.F.W. Verkade (hierna: Verkade) in zijn noot onder het arrest, mr. F.W.E. Eijsvogels in zijn noot onder het vonnis in het kort geding (zie 2.8) en mr. S.J. Schaafsma (hierna: Schaafsma) in zijn proefschrift ‘Intellectuele eigendom in het conflictenrecht’ . 4.33. Zo schrijft Verkade in zijn noot onder het Vijf spellen-arrest onder meer het volgende: “ Stel dat vastgesteld wordt de betrokken spellen in de VS inderdaad slechts voor modellenrechtelijke bescherming in aanmerking komen, staan de Amerikaanse eisers dan met lege handen? Ze komen niet in aanmerking voor auteursrecht, noch voor Benelux-modellenrecht. Nu het gaat om modellen met (zo neem ik aan) bekendheid in de Benelux van vóór 1975, kan krachtens art. 25 BTMW een beroep worden gedaan op de onrechtmatige-daad-rechtspraak volgens het leerstuk van de slaafse nabootsing. Daarbij geldt volgens de hoofdregel als onrechtmatig: het door nabootsing verwarring veroorzaken door na te laten een andere weg in te slaan waar dit mogelijk was, zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van het product af te doen. Per spel resp. navolging zullen de elementen van deze doctrine moeten worden nagelopen. ” 4.34. Schaafsma heeft over onderdeel B het volgende in zijn proefschrift opgenomen: “ Voor de goede orde: de slotzin van art. 2 lid 7 komt alleen in beeld indien een regeling voor modelbescherming niet bestaat. Zij is niet van toepassing indien een dergelijke regeling wel bestaat maar het litigieuze werk niet aan de beschermingsvoorwaarden voldoet. In zo’n geval bestaat noch auteursrechtelijke noch modelrechtelijke bescherming: auteursrechtelijke bescherming wordt uitgesloten door de reciprociteitstoets, modelrechtelijke bescherming door het niet voldoen aan de beschermingsvoorwaarden. ” (p. 318, noot 154 bij 876. ‘Probleem: geen modelbeschermingswet’) en specifiek over het Vijf spellen-arrest: “ 876. De Hoge Raad wees de toepassing van de slotzin van artikel 2 lid 7 dus van de hand. De vraag of de spellen op 1 januari 1975 al dan niet nieuw waren, doet in de ogen van de Hoge Raad bij toepassing van artikel 2 lid 7 blijkbaar niet terzake. Dat betekent dat werken van toegepaste kunst die dateren van vóór 1 januari 1975 (dat wil zeggen: op die datum niet nieuw waren) en in hun land van oorsprong alleen als model worden beschermd, in Nederland tussen wal en schip vallen. Tegen hen moet de materiële-reciprociteitsuitzondering van artikel 2 lid 7 worden ingezet, met als gevolg dat zij niet in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming, maar alleen voor modelrechtelijke bescherming – terwijl zij voor modelrechtelijke bescherming niet in aanmerking komen omdat zij niet nieuw waren toen de desbetreffende modelbescherming in werking trad. ” 4.35. De tekst van de Memorie van Toelichting bij de Goedkeuringswet (zie hiervoor onder 4.24) is ook niet voor een andere uitleg van onderdeel B vatbaar. De tekst spreekt expliciet van het bestaan van een ‘wettelijke regeling’ voor de bescherming van tekeningen en modellen. 4.36. De rechtbank passeert de stelling van Vitra dat een abstracte toets in onderdeel B niet te rijmen is met een concrete toets in onderdeel A omdat een verschillende wijze van interpretatie van twee onderdelen van één en dezelfde bepaling inconsequent en onlogisch zou zijn. Hoewel onderdeel A en B met elkaar samenwerken om te bepalen welk soort bescherming voor een werk van toegepaste kunst in een andere lidstaat dan het land van oorsprong kan worden ingeroepen, volgt uit het voorgaande dat de strekking van beide onderdelen verschillend is. Een andere wijze van uitleg bevreemdt dan niet. In onderdeel A ligt ook een andere te Vitra zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Kwantum c.s. Kwantum c.s. maakt in deze zaak aanspraak op vergoeding van haar volledige proceskosten overeenkomstig artikel 1019h Rv. Zij heeft daartoe een specificatie overgelegd van in totaal € 40.125,02, welk bedrag ook omvat de tijd die is besteed aan het deel van de procedure dat ziet op de gestelde slaafse nabootsing en waarop 1019h Rv niet van toepassing is. Voor het gedeelte van de procedure dat betrekking heeft op de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (het IE-deel) is artikel 1019h Rv van toepassing, voor het gedeelte dat betrekking heeft op onrechtmatig handelen (het OD-deel) zal het liquidatietarief worden toegepast. Bij pleidooi heeft Kwantum c.s. verzocht hooguit 20% van de aan de zaak bestede tijd toe te rekenen aan het OD- deel. Gelet op de geringe aandacht die aan het onderwerp van de slaafse nabootsing is besteed, acht de rechtbank het redelijk 10% van de opgegeven proceskosten toe te rekenen aan het OD-deel en 90% aan het IE-deel. 4.46. Nu in deze zaak vonnis is bepaald voor 1 april 2017, met ingang van welke datum de huidige indicatietarieven in IE-zaken gelden en welke regeling de rechtbank niet met partijen heeft kunnen bespreken, zal de hoogte van de voor het IE-deel te vergoeden proceskosten worden bepaald in lijn met het door de rechtbank voor inwerkingtreding van die regeling gehanteerde beleid. 4.47. De hoogte van de door Kwantum c.s. gevorderde proceskosten is niet door Vitra bestreden. Gelet hierop begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Kwantum c.s. op een bedrag van € 36.112,51 (90% van € 40.125,02) voor het IE-deel en op € 203,40 voor het OD-deel (4,5 punten x € 452,- x 10%), in totaal dus op € 36.315,91, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis. 4.48. Een aparte veroordeling in de nakosten zal achterwege blijven, nu de kostenveroordeling als bedoeld in artikel 237 lid 1 Rv een veroordeling oplevert voor alle kosten, waaronder ook de nakosten. De rechtbank zal die nakosten niet reeds begroten, omdat Kwantum c.s. die kosten niet heeft gespecificeerd. 4.49. De proceskostenveroordeling zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu Kwantum c.s. dat niet heeft gevorderd. Proceskosten in het incident in zaak 15-424 4.50. In het vonnis in incident van 22 juli 2015 naar aanleiding van de door Kwantum c.s. opgeworpen incidenten tot voeging met zaak 15-329 en tot niet-ontvankelijkverklaring van Vitra in de bodemprocedure, is de vordering van Kwantum c.s. tot voeging, na referte aan de zijde van Vitra, toegewezen en de vordering tot niet-ontvankelijkverklaring, na betwisting door Vitra, afgewezen. Daarbij is de beslissing over de kosten aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak. Als de in dit incident overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Kwantum c.s. worden veroordeeld in de proceskosten. Vitra heeft in de incidentele conclusie tot voeging, tevens conclusie van antwoord, van 3 juni 2015, weliswaar gevorderd Kwantum c.s. te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv, maar zij heeft nagelaten de op het incident betrekking hebbende kosten bij die akte te specificeren, zodat de proceskosten worden begroot conform het liquidatietarief voor rechtbanken en gerechtshoven. De proceskosten in het incident aan de zijde van Vitra zullen dan ook worden begroot op een bedrag van € 452,- (1 punt conform tarief II). Vorderingen in de hoofdzaak 15-329 4.51. De door Kwantum c.s. gevorderde verklaringen voor recht in zaak 15-329 zullen worden toegewezen wat betreft het auteursrecht van Vitra en de slaafse nabootsing. Nu hieruit voortvloeit dat Kwantum c.s. niet gehouden is tot het betalen van enige schadevergoeding uit dien hoofde heeft zij geen belang bij een (afzonderlijke) verklaring voor recht daaromtrent. 4.52. Omdat de grondslag aan de ten laste van Kwantum NL gelegde beslagen is komen te ont Anders dan bij een veroordeling waaraan een dwangsom wordt verbonden, waarbij betekening als bijkomend gevolg heeft dat vanaf dat moment de dwangsom effectief is (artikel 611a lid 3 Rv), heeft betekening voor de veroordeling tot betaling van proceskosten (zonder vermeerdering met wettelijke rente) ook geen bijzonder rechtsgevolg. 4.59. Vitra zal ook in deze zaak als de – grotendeels – in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Kwantum c.s. Kwantum c.s. maakt in deze zaak eveneens aanspraak op vergoeding van haar volledige proceskosten overeenkomstig artikel 1019h Rv. Zij heeft daartoe een specificatie overgelegd van in totaal € 67.396,48 (inclusief verschotten) waarvoor hetzelfde heeft te gelden als overwogen ten aanzien van de gevorderde proceskosten in zaak 15-424 (zie rov. 4.45 tot en met 4.47), met dien verstande dat de proceskosten hier op een ander bedrag worden begroot. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Kwantum c.s. in deze zaak op een bedrag van € 60.656,83 (90% van € 67.396,48) voor het IE-deel en op € 203,40 voor het OD-deel (4,5 punten x € 452,- x 10%), in totaal dus op € 60.860,23, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis. 4.60. Ten aanzien van de nakosten geldt hetzelfde als hiervoor in rov. 4.48 overwogen. Proceskosten in het incident in zaak 15-329 4.61. In het vonnis in incident van 22 juli 2015 naar aanleiding van het door Vitra opgeworpen incident tot voeging van de zaak met zaak 15-424, is de vordering van Vitra ondanks het daartegen door Kwantum c.s. gevoerde verzet, toegewezen en is de beslissing over de kosten aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak. Als de in dit incident in het ongelijk gestelde partij zal Kwantum c.s. worden veroordeeld in de proceskosten. Vitra heeft in de incidentele conclusie tot voeging, tevens conclusie van antwoord, van 3 juni 2015, weliswaar gevorderd Kwantum c.s. te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv, maar zij heeft nagelaten de op het incident betrekking hebbende kosten bij die akte te specificeren, zodat de proceskosten worden begroot conform het liquidatietarief voor rechtbanken en gerechtshoven. De proceskosten in het incident aan de zijde van Vitra zullen dan ook worden begroot op een bedrag van € 452,- (1 punt conform tarief II). Nu dat niet is verzocht zal die proceskostenveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. 5 De beslissing De rechtbank in het incident in zaak 15-329 5.1. veroordeelt Kwantum c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Vitra tot op heden begroot op € 452,-; in de hoofdzaak 15-329 5.2. verklaart voor recht dat Kwantum c.s. in Nederland en in België geen inbreuk heeft gemaakt op auteursrechten van Vitra door verhandeling van de Paris-stoel en dat de Paris-stoel geen slaafse nabootsing is van de DSW; 5.3. heft op het op 2 december 2014 ten laste van Kwantum NL gelegde conservatoir beslag tot afgifte en het op die datum gelegde bewijsbeslag; 5.4. veroordeelt Vitra tot betaling van de door Kwantum c.s. als gevolg van de onrechtmatige beslaglegging en het onrechtmatig handhaven van het in kort geding gegeven verbod geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 5.5. veroordeelt Vitra in de proceskosten, aan de zijde van Kwantum c.s. tot op heden begroot op € 60.860,23, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening; 5.6. verklaart dit vonnis in de hoofdzaak 15-329 tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.7. wijst af het meer of anders gevorderde; in het incident in zaak 15-424 5.8. veroordeelt Kwantum c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Vitra tot op heden begroot op € 452,-; 5.9. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; in de hoofdzaak 15-424 5.10. wijst de vorderingen af; 5.11. veroordeelt Vitra in de proceskosten, aan de zijde van Kwant