Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-12-04
ECLI:NL:RBDHA:2017:14276
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 16/5382 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2017 in de zaak tussen [persoon A], handelend namens [persoon B], te [plaats], eiseres en de Stichting Regionaal Samenwerkingsverband Passend Voortgezet Onderwijs (Samenwerkingsverband Zuid-Holland West) , verweerder (gemachtigden: mr. drs. S. Kruithof en K. Loggen). Procesverloop Bij brief van 18 januari 2016 heeft verweerder op grond van de Wet Passend Onderwijs voor het schooljaar 2015/2016 een bedrag aan eiseres toegekend voor extra ondersteuning voor haar minderjarige dochter [dochter] van € 1080,-. Bij brief van 8 mei 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard, een bedrag van € 1800,- voor extra begeleiding toegekend en de afwijzing voor het overige gehandhaafd. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. [persoon A] is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1.1 Bij brief van 8 mei 2016 heeft verweerder de afwijzing van de aanvragen voor huiswerkbegeleiding en een tweede boekenpakket gehandhaafd. 1.2 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de extra ondersteuning die de Wet Passend Onderwijs biedt voor haar dochter [dochter], die middelbaar onderwijs volgt aan [school] in [plaats], geschikt en effectief is gebleken. De huiswerkbegeleiding en een tweede boekenpakket zijn voor het schooljaar 2014/2015 wel vergoed. Dit heeft uitstroom naar het speciaal onderwijs voorkomen. [dochter] is bekend met een gedragsprobleem, ADHD en dyslexie. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat haar situatie ten opzichte van het vorige schooljaar in positieve zin is gewijzigd. Verweerder had de aanvraag dan ook in zijn geheel moeten toewijzen. 2 Verweerder heeft bij brief van 13 november 2017 alsmede ter zitting gemotiveerd betoogd dat het Samenwerkingsverband Zuid-Holland West niet kwalificeert als een bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zodat evenmin sprake is van een besluit in de zin van deze wet. 3 De rechtbank dient, alvorens een inhoudelijke toetsing te kunnen verrichten, eerst te beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil. 3.1 Ingevolge artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder bestuursorgaan verstaan: een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. 3.2 De Wet Passend Onderwijs is op 1 augustus 2014 in werking getreden. Doel van deze wet is de samenwerking tussen scholen bij de onderwijskundige opvang van leerlingen die extra ondersteuning behoeven te versterken en een andere wijze van financiering van de ondersteuning van leerlingen in te voeren. In verband met de inwerkingtreding van deze wet zijn samenwerkingsverbanden opgericht. Artikel 17a, tweede lid, van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) luidt als volgt: Een samenwerkingsverband omvat alle binnen een gebied als bedoeld in het derde lid gelegen vestigingen van scholen, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, met uitzondering van de vestigingen waarvoor het bevoegd gezag is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, bedoeld in de vorige v