Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-09
ECLI:NL:RBDHA:2017:13519
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL17.10192 en NL17.10194 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaken tussen [eiser], eiser, [eiseres] , eiseres, mede namens hun minderjarige kinderen [kind] en [kind] , hierna te noemen: eisers (gemachtigde: mr. M.R.F. Berte), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder. Procesverloop Bij twee afzonderlijke besluiten van 4 oktober 2017 (bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaken met nummers NL17.10193 en NL17.10195, plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen J.J. van Ravestijn-Prins. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M.W. Jans. Ter zitting zijn de zaken aangehouden in afwachting van het rapport van het technisch onderzoek naar de werking van het digitale dossier dat door de rechtbank is opgevraagd bij de ICT-dienst van de Rechtspraak (Spir-it). Op 6 november 2017 heeft Spir-it een rapport uitgebracht. Partijen zijn op 7 november 2017 in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Eisers hebben daarvan gebruik gemaakt bij brief van 8 november 2017. Verweerder heeft telefonisch meegedeeld geen aanleiding te zien voor een nadere reactie. Vervolgens heeft de rechtbank de onderzoeken gesloten. Overwegingen 1. Eisers zijn geboren op [geboortedatum] en [geboortedatum] en zijn afkomstig uit Rusland. Op 29 juni 2017 hebben zij aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. 2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eisers met geldige Italiaanse visa zijn ingereisd en dat de autoriteiten van Italië ten aanzien van hen overnameverzoeken als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) heeft geaccordeerd. 3. In beroep voeren eisers – kort weergegeven – aan dat zij niet aan de autoriteiten van Italië kunnen worden overgedragen omdat de vader van eiseres voornemens is om hen aldaar op te sporen en eiser, die de Nigeriaanse nationaliteit bezit, uit racistische motieven te vermoorden. Daarnaast voeren eisers aan dat zij in Italië geen toegang kunnen krijgen tot adequate opvangvoorzieningen en medische zorg. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of de beroepen ontvankelijk zijn, omdat niet binnen de aan eisers geboden herstelverzuimtermijn beroepsgronden zijn aangetroffen in de digitale dossiers. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover van belang, bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 5. In reactie op het verzoek van de rechtbank van 16 oktober 2017 om uitleg te geven over de overschrijding van de herstelverzuimtermijn, hebben eisers aangevoerd dat zij vanwege technische problemen met de digitale dossiers niet tijdig beroepsgronden konden indienen. Om deze stelling goed te kunnen beoordelen, heeft de rechtbank aan Spir-it opdracht gegeven om een technisch onderzoek uit te voeren. 6. Uit het rapport van dit onderzoek, dat deel uit maakt van het dossier, blijkt dat op 12 oktober 2017, de laatste dag van de herstelverzuimt