Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2017:13440
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/538606 / KG ZA 17-1172 Vonnis in kort geding van 14 november 2017 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] , gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] , eiseres, advocaat mr. J.F. Van Nouhuys te Rotterdam, tegen: 1 de publiekrechtelijke rechtspersoon Politie(de Nationale Politie), zetelend te Den Haag, 2) de publiekrechtelijke rechtspersoon Politieacademie , zetelend te Apeldoorn, gedaagden, advocaat mr. I.J. van den Berge te Zwolle, waarin is tussengekomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Abiom Communication Systems B.V. , gevestigd te Wijchen, advocaat mr. C.G. van der Wiel te [plaats] . Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’, ‘de Politie’ en ‘Abiom’. Gedaagden worden afzonderlijk aangeduid als ‘het politiekorps’ en ‘de Politieacademie’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de akte houdende nadere toelichting, tevens houdende wijziging van eis, tevens houdende overlegging van producties; - de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging; - de door Abiom overgelegde productie; - de door de Politie overgelegde producties; - de op 24 oktober 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2 Het incident tot tussenkomst dan wel voeging 2.1. Abiom heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eiseres] en de Politie, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Politie. Ter zitting hebben [eiseres] en de Politie verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Abiom is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen. 3 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 3.1. De Politie heeft in oktober 2016 na het voeren van een aanbestedingsprocedure met zes partijen een raamovereenkomst gesloten (“Raamovereenkomst Inzake randapparatuur C2000”, hierna: de Raamovereenkomst) voor de levering van randapparatuur voor C2000, het landelijk communicatiesysteem voor de hulpverleningsdiensten in Nederland. De Politie wenste vervolgens, onder toepasselijkheid van de Raamovereenkomst, voor iedere levering een minicompetitie uit te voeren, die zou resulteren in een nadere overeenkomst met één van deze zes partijen. [eiseres] en Abiom behoren beiden tot deze partijen. 3.2. In de Uitnodiging tot Inschrijving van 22 februari 2016 (UtI) is onder meer het navolgende bepaald: “Begrippenlijst Aanbestedende dienst : Is gelijk aan Politie. (…) Politie : Het landelijke politiekorps, zoals bedoeld in de Politiewet 2012, artikel 1, eerste lid, sub b, mede handelend namens de Politieacademie, De Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie evenals de Douane van het Ministerie van Financiën. (…) 1.4. Overige deelnemers aan deze aanbesteding Voor deze aanbesteding handelt de Politie ook namens de Politieacademie, De Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie evenals de Douane van het Ministerie van Financiën. Alles dat is gesteld in de aanbesteding is daarmee onverkort voor deze deelnemers aan de aanbesteding van toepassing. Indien voor deze deelnemers specifieke zaken gelden, dan wordt dit bij het betreffende onderwerp vermeld.” 3.3. In de door de aanbestedende diensten en [eiseres] ondertekende raamovereenkomst staan onder meer de navolgende partijen vermeld: “De ondergetekenden : 1. Politie (…) mede handelend namens de Politieacademie, De Dienst Vervoer en [eiseres] heeft dan ook spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen. 4.3. De Politie en Abiom voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4.4. Abiom vordert, zakelijk weergeven – [eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen en, voor zover nodig, de Politie te verbieden, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, deze aan een ander dan Abiom te gunnen, alsmede om [eiseres] te gebieden te gehengen en te gedogen dat de opdracht aan Abiom wordt gegund. Verkort weergegeven stelt Abiom dat de door haar aangeboden apparatuur voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Zij heeft de hoogste score behaald in de onderhavige minicompetitie en heeft er dan ook belang bij dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. 4.5. Voor zover nodig zullen de standpunten van [eiseres] en de Politie met betrekking tot de vorderingen van Abiom hierna worden besproken. 5 De beoordeling van het geschil 5.1. De Politie heeft allereerst betoogd dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, aangezien zij ten onrechte alleen het politiekorps en de Politieacademie heeft gedagvaard en niet ook de Staat, in het bijzonder de onderdelen Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Douane van het Ministerie van Financiën (hierna: de onderdelen van de Staat). Volgens vaste rechtspraak kan dit verweer enkel slagen in geval het een ondeelbare rechtsverhouding betreft. Van ondeelbaarheid van een rechtsverhouding in die zin dat daarover door de rechter slechts kan worden beslist in een geding waarin alle bij deze rechtsverhouding betrokken partijen zijn, is sprake indien het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van al die betrokkenen in dezelfde zin luidt. Dit mag slechts worden aangenomen indien aard en inhoud van de rechtsverhouding daartoe nopen. Dat brengt mee dat de vraag of van zodanige ondeelbaarheid kan worden gesproken, zich niet altijd leent voor beantwoording in algemene zin. De bijzonderheden van het gegeven geval kunnen van doorslaggevende betekenis zijn (HR 26 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC091). 5.2. Het politiekorps, de Politieacademie en de Staat zijn aparte rechtspersonen. De Politie stelt terecht dat uit de aanbestedingsstukken geciteerd onder 3.2 en 3.3, uitdrukkelijk volgt dat het landelijk politiekorps mede handelt namens de Politieacademie én de onderdelen van de Staat en dat het landelijk politiecorps de raamovereenkomst mede namens hen ondertekent. Maar ook in de UtI is expliciet omschreven dat de aanbestedende dienst gelijk is aan de Politie en dat onder Politie moet worden verstaan het landelijk politiekorps, mede handelend namens de Politieacademie en de onderdelen van de Staat. Deze partijen worden ook allen gezien als opdrachtgever. Dit betekent dat voor de onderdelen van de Staat, naast het politiekorps en de Politieacademie, na gunning eveneens rechten en plichten zullen ontstaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de rechtsverhouding tussen het politiekorps, de Politieacademie en de onderdelen van de Staat daarmee processueel ondeelbaar, nu zij allen expliciet in de aanbestedingsstukken worden vermeld en ook niet valt in te zien waarom [eiseres] wel mede de Politieacademie heeft gedagvaard, maar niet namens de onderdelen van de Staat. Daarbij komt dat toewijzing van de primaire vordering van [eiseres] er bovendien toe zou kunnen leiden dat de Politie de onderhavige aanbestedingsprocedure moet staken, terwijl het de onderdelen van de Staat vrij zou staan een overeenkomst te sluiten met de winnende inschrijvers van deze procedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het daarmee rechtens noodzakelijk dat de beslissing ook ten aanzien van de onderdelen van de Staat gelijk dient te luiden. 5.3. Dat de onderdelen van de Staat niet, zoals [eiseres] terecht stelt, in de aankondiging van de o