Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-09
ECLI:NL:RBDHA:2017:13103
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/1398 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres en het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder (gemachtigde: M.A.H. de Pagter). Procesverloop Bij besluit van 25 juli 2016, verzonden op 27 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de vergoeding van de toevoeging met kenmerk [kenmerk] ingetrokken. Bij besluit van 19 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Het juridisch kader is als bijlage 1 aan deze uitspraak gehecht. 2. Eiseres is rechtsbijstandverlener en werkzaam bij een kantoor dat deelneemt aan het High Trust-programma van verweerder. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door verweerder naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd. 3. Eiseres heeft op 15 oktober 2015 een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand ter zake van een herzieningsverzoek ten aanzien van een besluit tot terugvordering kinderopvangtoeslag 2013 van de Belastingdienst. In het kader van eiseres haar deelname aan het High Trust-programma heeft verweerder de toevoeging verleend met kenmerk [kenmerk] en een vergoeding vastgesteld. Op 7 juni 2016 heeft verweerder op het kantoor van eiseres een steekproef uitgevoerd. Het foutpercentage van deze steekproef bedraag 62,6%. Naar aanleiding van de voornoemde steekproef heeft verweerder bij het primaire besluit de vastgestelde vergoeding van de toevoeging met kenmerk [kenmerk] ingetrokken. De reden voor de intrekking is dat bijstand van een advocaat niet noodzakelijk is. 4. In het bestreden besluit voert verweerder aan dat het vast beleid is om voor het indienen van een herzieningsverzoek geen toevoeging te verstrekken, tenzij er sprake is van juridische of feitelijke complexiteit. Dit beleid is gebaseerd op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: Brt). Nu niet is gebleken van feitelijke en/of juridische complexiteit, is de vastgestelde vergoeding terecht ingetrokken. 5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat artikel 8, eerste lid, aanhef en onder j, van het Brt niet ziet op een herzieningsverzoek als bedoeld in artikel 21a Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) maar uitsluitend ziet op herhaalde aanvragen zoals omschreven in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ook uit de Wet op de rechtsbijstand en werkinstructie C030 sociale voorzieningen – overige geschillen volgt niet dat herzieningsverzoeken worden uitgesloten van een toevoeging. Eiseres bepleit voorts dat van een belanghebbende niet kan worden verwacht deze procedure zelf te voeren. Eiseres voert vervolgens aan dat er een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan het bestreden besluit nu niet al haar vragen in de bezwaarfase zijn beantwoord en verweerder niet op de hoorzitting aanwezig was. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat het besluit in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 6. De rechtbank overweegt als volgt. 6.1. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder j, van het Brt bepaalt dat geen toevoeging wordt verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor het indienen van een andere aanvraag bij een bestuursorgaan om een besluit te nemen. De rechtbank overweegt dat onder deze bepaling ook een verzoek om herziening als b