Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-09
ECLI:NL:RBDHA:2017:13099
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/1443 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres en het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder (gemachtigde: M.A.H. de Pagter). Procesverloop Bij besluit van 25 juli 2016, verzonden op 27 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de vastgestelde vergoeding van de toevoeging met kenmerk [kenmerk] ingetrokken. Bij besluit van 16 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Het juridisch kader is als bijlage 1 aan deze uitspraak gehecht. 2. Eiseres is rechtsbijstandverlener en werkzaam bij een kantoor dat deelneemt aan het High Trust-programma van verweerder. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door verweerder naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd. 3. Eiseres heeft op 26 januari 2016 een toevoeging aangevraagd ter zake van een procedure tegen een sanctie vanwege parkeren op een invalideparkeerplaats zonder een geldige invalidenkaart. In het kader van eiseres haar deelname aan het High Trust-programma heeft verweerder de toevoeging met kenmerk [kenmerk] verleend en een vergoeding vastgesteld. Op 7 juni 2016 heeft verweerder op het kantoor van eiseres een steekproef uitgevoerd. Het foutpercentage van deze steekproef bedraagt 62,6%. Naar aanleiding van de voornoemde steekproef heeft verweerder bij het primaire besluit de vastgestelde vergoeding ingetrokken omdat er sprake is van een onbetwiste schuld in de zin van artikel 7 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: Brt) en de zaak een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten (artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g van de Wet op de rechtsbijstand). In het bestreden besluit is ingevolge het advies van de Commissie voor Bezwaar voor Rechtsbijstand artikel 7 Brt komen te vervallen als grondslag voor de intrekking van de vergoeding. Bij het bestreden besluit is artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) als grondslag voor de intrekking van de vergoeding in stand gebleven. Deze grondslag ligt derhalve ter beoordeling voor. 4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte rechtszoekenden in de regel in kwesties over de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) zelfredzaam acht. Dit volgt namelijk niet uit de Wrb en ook verschilt de zelfredzaamheid per rechtzoekende. Voorts stelt eiseres dat er een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit kleeft nu niet al haar vragen in de bezwaarfase zijn beantwoord en verweerder niet op de hoorzitting aanwezig was. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat het besluit in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 5. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het beleid in lijn is met de Wrb en het besluit conform het beleid is genomen nu niet gebleken is van omstandigheden die juridische bijstand noodzakelijk maken. Ten aanzien van het betoog van eiseres over het motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek merkt verweerder op dat artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht geen verplichting schept voor een bestuursorgaan om ter zitting bij de Commissie voor Bezwaar aanwezig te zijn. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat alle feiten betrok