Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-15
ECLI:NL:RBDHA:2017:13098
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/516002 / HA ZA 16-914 Vonnis van 15 november 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. J. Wouters te Middelburg , tegen 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE) , gevestigd te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. C.C. Jongens te Den Haag, 2. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE NATIONALE POLITIE , gevestigd te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. E.P. Ceulen te Arnhem. Partijen zullen hierna [eiser] , de Staat en de Nationale Politie genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaardingen van 12 en 14 juli 2016 van respectievelijk de Nationale Politie en de Staat, met vijftien producties, de conclusie van antwoord van de Staat, met zes producties, de conclusie van antwoord van de Nationale Politie, met vijf producties, het tussenvonnis van 9 november 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast, het proces-verbaal van comparitie van 6 juli 2017, met de daarin genoemde brief van 14 juni 2017 met twee producties van mr. Ceulen voornoemd en de akte houdende overlegging productie van de Staat, 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 1.3. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld eventuele onjuistheden of onvolledigheden in het, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte, proces-verbaal van comparitie aan de rechtbank kenbaar te maken. Bij brieven van 20 en 26 juli 2017 hebben mr. Ceulen, respectievelijk mr. Jongens gebruik gemaakt van die gelegenheid. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van deze reacties. 2 De feiten 2.1. Op 23 maart 2010 om 05.07 uur is een arrestatieteam van de politie Noord-Oost Nederland met de daartoe vereiste machtiging van de hulpofficier van justitie tegen de wil van de bewoners binnengetreden in de woning aan de [adres] te [plaats 1] . De toegang tot de woning is verschaft door het forceren van de toegangsdeur. 2.2. [eiser] is na het binnentreden van de desbetreffende woning aangehouden in verband met de vermoedelijke overtreding van artikel 312, lid 2 onder 2 (diefstal met geweld) en artikel 285 (bedreiging) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en onderworpen aan een veiligheidsfouillering. Hierbij zijn geen ter zake dienende voorwerpen aangetroffen. Vervolgens is hij voorgeleid en ter beschikking gesteld aan de hulpofficier van justitie en daarna in verzekering gesteld en in voorlopige hechtenis gehouden. 2.3. [eiser] heeft op 29 maart 2010 een intake gehad bij de medische dienst in de Penitentiaire Inrichting (PI) te [plaats 2] , waar hij toen verbleef. Hij heeft zich vervolgens bij de medische dienst in de PI gemeld met onder meer oogklachten. Vanaf 12 mei 2010 is hij daarvoor onder behandeling geweest bij een oogarts, eerst in het Rijnstate Ziekenhuis te Velp, vervolgens in het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud. In het kader van die behandeling is hij van 4 tot 7 juni 2010 opgenomen geweest in het Rijnstate Ziekenhuis te Velp, vervolgens weer teruggekeerd naar de PI te [plaats 2] , en op 30 juli 2010 in het UMC St Radboud geopereerd, waarbij een houtsplinter uit zijn linkeroogkas (orbita links) is verwijderd. 2.4. Een uitdraai van het medisch dossier van [eiser] , afkomstig van de PI [plaats 2] , van 6 juli 2010, vermeldt over de behandeling tussen 29 maart en 1 juli 2010 het volgende: “Anamnese en Onderzoek: Datum Soep Omschrijving 29-03-2010 0 PRE: Intake PI NL man 29—03—2010 0 [Rechtbank: zwart gelakte regel] S [Rechtbank: zwart gelakte regel] 30-03-2010 0 [Rechtbank: zwart gelakte regel] P [Rechtbank: zwart gelakte regel] [Rechtbank: zwart gelakte regel] [Rechtbank: zwart gelakte regel] S [Rechtbank: zwart gelakte regel] [Rechtbank: zwart gelakte regel] [Rechtbank: zwart gelakte regel] 31-03-2010 S [Rechtbank: zwart gelakte regel] 13-04-2010 S [Rechtbank: zwart gelakte regel] [Rechtbank: zwart gelakte regel] [Rechtbank: zwart gelakte regel] S li ooglid is r 17-06-2010 S CT scan oog gehad 24-06-2010 0 GD_VK: gebeld door dr [dr.] , wilde doorgeven dat het AB-infuus gestopt mag worden, omdat er weinig verbetering zit bij de 2e scan tov de le scan. AD was al gestopt op 11-06, was doorgegevennadat dhr op de poli geweest was (11—06) , oogarts is hiervan nu op de hoogte, wil ged vlg week op controle zien 25-06-2010 S GJ: ok 01-07-2017 E afspraak dr [dr.] , oogarts zh Velp” 2.5. Het radiologisch verslag van 4 juni 2010 vermeldt onder meer: “CT aangezicht Er is weke delen zwelling zichtbaar rond het linker oog, Deze weke delen zwelling toont wat uitbreiding in de linker orbitaholte, reikend tot aan de basis nervus opticus. Zie bijvoorbeeld silce 46 van de axiale coupes. Er is hyperostosis zichtbaar ter hoogte van de laterale orbiatwand. Geen osteolyse aangetoond, Geen uitbreiding intracranieel aangetoond. Conclusie Cellulitis breidt zich intraorbitaal, maar extraorbitaal uit. Hierbij hyperostosis van de ossale begrenzing ter plaatse” Het radiologisch beeld is blijkens het radiologisch verslag van 17 juni 2010 ongewijzigd. 2.6. De behandelend oogarts in het Rijnstate Ziekenhuis te Velp, dr. [A] , heeft [eiser] op 1 juli 2010 verwezen naar de afdeling oogheelkunde van het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud, dr. [B] , oogarts. De verwijzingsbrief van dr. [A] van diezelfde datum vermeldt het volgende: “ Op 12 mei ji. meldde hij zich op onze polikliniek met een gezwollen OS. Mijn collega constateert een abces en incideert de zwelling. Met een Cofferdam drain, natte kompressen werd het abces behandeld. Hij had van de huisarts al Augmentin 3 dcl 500 mg p.o. - Op 4 juni meldt hij zich opnieuw op onze polikliniek, de zwelling zou zijn toegenomen. Mijn bevindingen waren: Visus: OD 0.8 S-0.50, OS 0.3 S-0.50 Conjunctiva/Sciera: ODS blank, geen chemosis Media: ODS: helder Fundus: ODS: normaal, scherpe papillen, retina normaal. Adnexa: Proptosis OS. Herstel 15-20/130 mm Oogbewegingen: abductie beperking OS Aanvullende onderzoeken: CT retro bulbair proces (Cd-rom meegeleverd) Kweek wondvocht nabij OS: Pseudomonas Werkdiagnose: cellulitus orbitae OS. De behandeling werd voordat de kweek bekend was gestart met Clindamycine 3 dd 600 mg intraveneus, dat is later omgezet in Ciprofloxadne 2 dd 400 mg i.v. Deze behandeling heeft hij gehad tot 11 juni. Om onduidelijke reden is dit gestopt. Op 17 juni herhaal ik de CT, er wordt geen verandering geconstateerd. Vandaag, 1 juli, zie ik hem op mijn spreekuur. Ik zie dat het wondje nabij OS opnieuw vochtig is. De proptosis is niet afgenomen en zijn visus is niet hersteld. Ook bij de Thibaudet scoort hij 0.1. (…)” 2.7. Na de operatie in het UMC St Radboud heeft dr. [B] [eiser] weer terugverwezen naar dr. [A] . In zijn brief van 31 augustus 2010 heeft dr. [B] over de behandeling in het UMC St Radboud het volgende vermeld: “Op 15-07-2010 zagen wij bovengenoemde patiënt op onze spoedpoli in verband met een cellulitis orbitae OS. Voorgeschiedenis : blanco Anamnese: Begin maart jl. bij arrestatie een klap tegen linkeroog. Drie dagen later ontstond een zwelling in de orbita links. Op 12-05-2010 vond er in het Alysis Ziekenhuis een incisie en drainage plaats via een suf silicum incisie. Deze behandeling werd herhaald op 04-6-2010. Er werd een pseudomonas gekweekt. Oogheelkundig onderzoek d.d. 15-07-2010: Visus OD: 0.8- zonder correctie Visus OS: 0.16+ Zonder correctie Oogdruk OD: 13 mmHgAT Oogdruk OS: 10 mmflg AT Media ODS: Geen bijzonderheden Fundus ODS: Grote papil en grote excavatie maar rechts ongeveer gelijk aan links, verder geen bijzonderheden in in fundo te zien. Overig: Er was een beperkte abductie links en er was sprake van een keloïd temporaal onder het linkeroog. De hertel 17.5 mm rechts 21.5 mm links. Aanvullend diagnostiek: Op de CT zagen wij sinussena, subperiostaal temporale zwelling (isodens), mogelijk wijzend op een oude abces. Decursus: Op 30-07-2010 verrichtte ik een exploratieve orbitotomie (links) via een ‘swin Een dergelijke visus zou met een correctie kunnen worden verbeterd, tenzij er sprake is van een oogaandoening, niet gerelateerd aan dit ongeval, waarbij correctie met een sterkere bril niet helpt. (…) In 2015 zijn er nog klachten van het linkeroog, waaronder lichtschuwheid en hiervoor wordt een oogarts geraadpleegd, Deze vindt geen goede verklaring voor de klachten. Daarnaast wordt dan een visus in het rechteroog gemeten van 0.2 en in dit is een duidelijke vermindering van de situatie op 04-06-2010 toen er sprake was van een visus in het rechteroog van 0.8. Deze afname kan ik niet verklaren door de ontsteking in het gebied onder de linkeroog en dat geldt ook voor de klachten in het linker oog. Verder is nog opgemerkt dat de visus moeilijk te meten is, waarom dat lukt wordt niet vermeld. Ook geeft betrokkene aan dat hij kleurenblind is geworden, maar dat kan niet door een letsel worden veroorzaakt ook niet wanneer dit letsel zich buiten het oog bevindt. Kleurenblindheid is een aangeboren aandoening.” 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, voor recht verklaart dat de Staat en de Nationale Politie jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld en zij aansprakelijk zijn voor de materiële en immateriële schade die [eiser] daardoor heeft geleden en zal lijden, alsmede te bepalen dat zij die schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, hoofdelijk dienen te vergoeden. 3.2. [eiser] baseert zijn vordering op onrechtmatige daad. Hij verwijt de Nationale Politie, zoals gepreciseerd ter comparitie, dat een agent met zijn knie bij de aanhouding minutenlang hard in zijn linkeroog heeft gedrukt en er door de oogbol heen een splinter in de weke delen van het oog terecht is gekomen. Hij is besprongen op een wijze die ertoe heeft geleid dat een splinter in zijn oog is geduwd. De Nationale Politie heeft disproportioneel geweld gebruikt. Hij verwijt de Staat, zoals eveneens gepreciseerd ter comparitie, dat de medische dienst van de PI, ondanks daartoe strekkend verzoek van [eiser] , geen adequate behandeling van zijn oogklachten heeft ingezet en te lang heeft gewacht met verwijzing naar de oogarts. Dit verwijt aan de Staat ziet op de periode tussen 13 april en 12 mei 2010. Hij verwijt de Staat ook dat hij dagenlang in de cel een infuus met antibiotica toegediend heeft gekregen, hetgeen in strijd is met de geldende regels. Als gevolg van het handelen van de Nationale Politie en het nalaten van de Staat heeft [eiser] blijvend letsel opgelopen en schade geleden, onder meer bestaande uit het verlies van arbeidsvermogen en fysiek en psychisch letsel en gederfde levensvreugde. 3.3. De Staat en de Nationale Politie voeren verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De rechtbank zal hierna de verwijten die [eiser] de Nationale Politie, respectievelijk de Staat maakt achtereenvolgens afzonderlijk bespreken. 4.2. Bij [eiser] is na zijn aanhouding een ernstige ooginfectie geconstateerd. Ook is gebleken dat zich in de weke delen van zijn linkeroogkas een forse houtsplinter bevond, die operatief verwijderd is. Het zicht van [eiser] in zijn linkeroog was op 1 juli 2010 nog niet hersteld. Of op dit moment sprake is van volledig herstel van zijn zicht en, voor zover dat niet het geval is, of dat enig verband houdt met de verwijdering van de splinter, dan wel een andere oorzaak heeft, zoals een oogaandoening, en of zijn zicht vatbaar is voor correctie door middel van een bril, kan op basis van de beschikbare informatie niet worden vastgesteld. De vraag of en in hoeverre sprake is van blijvend letsel en daarmee door [eiser] geleden schade als gevolg van eventueel onrechtmatig handelen van de Nationale Politie en de Staat laat de rechtbank vooralsnog onbeantwoord. De rechtbank zal eerst beoordelen of sprake is van een toerekenbare fout van de Nationale Politie bij de aanhouding en van de Staat bij d Verder heeft [eiser] ter zitting de rechtbank en de overige aanwezigen het litteken getoond dat zich onder de ooglap bevindt die [eiser] ter bescherming tegen het licht draagt. De rechtbank heeft vastgesteld dat [eiser] een - horizontaal lopend - litteken heeft in het oogwit aan de linkerzijde (de buitenzijde) van de oogbol van het linkeroog. Daarnaast heeft [eiser] een incisielitteken in het weke gedeelte onder zijn linkeroog. 4.5. Niet in geschil is dat het arrestatieteam op grond van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bevoegd was tot het binnentreden van de woning, waarin [eiser] zich in de vroege ochtend van 23 maart 2011 bevond, en tot aanhouding van [eiser] . De rechtmatigheid van de inzet van het arrestatieteam en de desbetreffende strafvorderlijke dwangmiddelen tegen [eiser] zijn derhalve uitgangspunt bij de beoordeling van de rechtbank. Aan de orde is of de wijze van uitvoering van de aanhouding door het arrestatieteam disproportioneel en om die reden onrechtmatig jegens [eiser] is geweest. Verder is aan de orde of [eiser] daardoor letsel heeft opgelopen en schade heeft geleden die de Nationale Politie verplicht is aan hem te vergoeden. 4.6. De rechtbank stelt voorop dat voor de toewijsbaarheid van de vordering van [eiser] tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad tegenover de Nationale Politie, gelet op de gronden waarop zij berust, allereerst vereist is dat sprake is geweest van hetzij het gebruik van een dwangmiddel (in dit geval: de wijze van aanhouding) in strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht, waaronder begrepen het geval dat de toepassing van het dwangmiddel in de gegeven omstandigheden zo disproportioneel was dat zij daarom in strijd met de zorgvuldigheid kwam, hetzij een gedraging die in het geheel niet als het gebruik van enig dwangmiddel kan worden opgevat (vergelijk HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7755). 4.7. In dit verband geldt artikel 7 van de Politiewet 2012, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald: 1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. (…) 5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn. (…). 4.8. Blijkens artikel 1 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994, Stb. 1994, 275, hierna: Ambtsinstructie) wordt onder geweld verstaan: “elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken” (art. 1, derde lid, onder b, Ambtsinstructie). De nota van toelichting spreekt van een fysieke kracht die wordt uitgeoefend om een persoon een bepaalde handeling te doen verrichten die hij niet wil verrichten of om een persoon een bepaalde handeling juist niet te laten verrichten. Bij de uitoefening van geweld door een daartoe bevoegd ambtenaar van politie geldt als uitgangspunt dat het beoogde doel van geweld het gebruik daarvan, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, dient te rechtvaardigen. Verder is het gebruik gebonden aan de voorwaarden van subsidiariteit (het doel kan niet op een andere wijze worden bereikt) en proportionaliteit (het gebruik dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn) en gaat aan het gebruik van geweld zo mogelijk een waarschuwing vooraf. De ambtenaar, die geweld heeft aangewend, is op grond van artikel 17 van de Ambtsinstructie verplicht de feiten en omstandigheden dienaangaande, alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld te melden aan zijn meerdere, die dit vastlegt. 4.9. De stelling van [eiser] is d Voor die conclusie is immers ten minste vereist dat [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Nationale Politie voldoende feiten naar voren heeft gebracht waaruit kan volgen dat de desbetreffende agent zijn knie zó lang, namelijk één minuut of minuten, en zó hard op zijn hoofd heeft gezet en in zijn oogkas heeft gedrukt zoals hij stelt, althans anderszins sprake is geweest van gedragingen die als disproportioneel geweld of in het geheel niet als de toepassing van enig dwangmiddel kunnen worden geduid . 4.13. Een binnentreding van het arrestatieteam is in algemene zin erop gericht om de verdachte zo snel mogelijk aan te houden en te boeien. In een situatie als de onderhavige geldt dat temeer, aangezien het arrestatieteam, gezien de misdrijven waarvan [eiser] werd verdacht, er rekening mee moest houden dat [eiser] (een) vuurwapen(s) in de woning aanwezig had. Overigens is ook daadwerkelijk een vuurwapen aangetroffen in de woning waarin [eiser] zich bevond. Daarbij komt dat, anders dan [eiser] kennelijk meent, identificatie van een verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding en het aanbrengen van handboeien, anders dan dat deze door de leden van het arrestatieteam wordt herkend aan de hand van een vooraf bekeken foto, niet is vereist. Een en ander alleen al maakt dat de rechtbank het niet waarschijnlijk acht dat het lang, misschien wel meer dan één minuut of minuten, zoals [eiser] stelt, heeft geduurd voordat [eiser] geboeid is nadat hij op zijn buik op de grond kwam te liggen, hij naar links omhoog keek en de agent diens knie op het hoofd en tegen de oogkas van [eiser] heeft gedrukt. Dat de beleving van [eiser] anders kan zijn geweest, hetgeen de rechtbank gezien zijn positie op de grond niet onvoorstelbaar lijkt, doet hieraan niet af. 4.14. Gegeven de beschrijving van [eiser] ter comparitie moet er voorts van worden uitgegaan dat de agent wiens knie in de oogkas van [eiser] terecht is gekomen ook degene is geweest die hem heeft geboeid. Uitgaande van de beschreven positie en houding van de desbetreffende agent, op of naast [eiser] met zijn rechterknie op de grond en zijn linkerknie op het hoofd van [eiser] , acht de rechtbank het, zonder bijkomende feiten die niet zijn gesteld of gebleken, voor zover fysiek al mogelijk, onwaarschijnlijk, dat die agent zó lang als [eiser] stelt de polsen van [eiser] met een of beide handen heeft kunnen vasthouden alvorens hem te boeien en tegelijkertijd zijn knie zó hard als [eiser] stelt op het hoofd en in de oogkas van [eiser] heeft kunnen drukken. Het boeien van [eiser] vanuit die positie en houding vergde immers een vooroverbuigen van de agent en daarmee een beweging en de uitoefening van kracht in een tegengestelde richting van de beweging en de kracht die de agent met zijn knie op het hoofd van en in de oogkas van [eiser] moest uitoefenen, uitgaande van de eigen beschrijving van [eiser] . Bovendien stelt [eiser] dat hij zich niet heeft verzet tegen zijn arrestatie. Dit zo zijnde en nu al het handelen van het arrestatieteam, zoals in 4.13 overwogen, erop gericht is om een verdachte zo snel mogelijk te boeien, ontbreekt enig feitelijk aanknopingspunt dat zou kunnen verklaren waarom de desbetreffende agent bij het boeien van [eiser] desalniettemin tegelijkertijd zijn knie zodanig langdurig en hard op het hoofd en tegen de oogkas van [eiser] heeft gedrukt zoals [eiser] stelt. 4.15. Niet kan er dan ook, althans niet zonder bijkomende feiten en omstandigheden, die niet zijn gesteld of gebleken, als vaststaand van worden uitgegaan dat vanwege de gestelde duur en uitgeoefende kracht op het hoofd en in de oogkas van [eiser] een mogelijke houtsplinter op de kleding van die agent (dwars) door de oogbol van [eiser] heen in de weke delen van zijn oogkas terecht is gekomen. 4.16. [eiser] heeft bovendien geen feiten gesteld, en die zijn ook niet gebleken, die een aanknopingspunt bieden voor de conclusie dat [eiser] bij de aanhouding gewond is geraakt. Blijkens het operatieverslag is een Zoals hiervoor in 4.14 is overwogen, heeft [eiser] onvoldoende feiten naar voren gebracht waaruit kan volgen dat de knie van de agent die hem heeft geboeid zó lang en zó hard op zijn hoofd is gezet en in zijn oogkas is gedrukt zoals [eiser] heeft gesteld. De door [eiser] beschreven wijze van aanhouding – zo al juist – rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat de agent met zijn knie bij de aanhouding op het hoofd en in de oogkas van [eiser] een dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis heeft uitgeoefend, noch dat sprake is geweest van de toepassing van disproportioneel geweld of onzorgvuldig handelen. 4.22. Voor zover [eiser] stelt dat de desbetreffende agent geen zogenoemde IBT-greep (aanhoudingstechnieken die agenten worden geleerd tijdens een zogenoemde Integrale BeroepsvaardighedenTraining) of een ‘hoofdblok’ heeft toegepast, en hij daarmee bedoelt te stellen dat sprake is geweest van een gedraging die in het geheel niet als de toepassing van een dwangmiddel kan worden aangemerkt, verwerpt de rechtbank die stelling eveneens. [eiser] heeft zijn stelling op dit punt niet toegelicht, in het bijzonder niet wat hij bedoelt met een “hoofdblok”. Voor zover hij hiermee duidt hoe het arrestatieteam bij zijn aanhouding heeft gehandeld volgens zijn eigen beschrijving, stuit zijn stelling af op al hetgeen hiervoor is overwogen. Overigens heeft [eiser] geen stukken overgelegd uit het strafdossier waaruit blijkt dat [eiser] na zijn aanhouding en in de strafprocedure melding heeft gemaakt van het gebruik van disproportioneel geweld bij die aanhouding. Een dergelijke melding had, gezien de ernst van het gebeurde volgens [eiser] , wel voor de hand gelegen. 4.23. De stelling van [eiser] dat de Nationale Politie bij de aanhouding onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld, stuit af op het vorenstaande. De verwijten tegenover de Staat 4.24. Voor de beoordeling van het gestelde onrechtmatig handelen van de medische dienst van de Penitentiaire Inrichting te [plaats 2] is bepalend of de betrokken medische hulpverleners bij hun werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht hebben genomen en daarbij hebben gehandeld in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Dit betekent volgens vaste jurisprudentie dat de desbetreffende hulpverlener (minimaal) de zorg moet betrachten die een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. 4.25. Het verwijt van [eiser] dat de Staat hem niet (direct) adequaat medisch heeft behandeld betreft de periode van 29 maart 2010, de dag waarop [eiser] een intake bij de medische dienst heeft gehad, tot 12 mei 2010, de dag waarop hij is doorverwezen en gezien door een oogarts in het Rijnstate ziekenhuis. Vanaf dat moment viel de behandeling van [eiser] onder de verantwoordelijkheid van de oogarts. 4.26. De rechtbank merkt allereerst op dat partijen het erover eens zijn dat het zwart gelakte gedeelte in het medisch dossier van [eiser] afkomstig van de PI [plaats 2] privacygevoelige informatie betreft die niet van belang is voor deze zaak. 4.27. Uit het medisch dossier van [eiser] blijkt niet dat hij reeds bij de intake van 29 maart 2010 melding heeft gemaakt van oogklachten. Indien er vanuit wordt gegaan dat dit wel het geval is, zoals [eiser] stelt, dan leidt dat niet tot de conclusie dat de medische dienst van de PI geen adequate medische behandeling heeft ingezet en/of te lang heeft gewacht met verwijzing van [eiser] naar een oogarts. Na de intake, toen [eiser] op 13 april 2010 de medische dienst heeft bezocht, is het klachtenbeeld blijkens zijn dossier verbeterd. Naar eigen zeggen was het linker ooglid toen niet pijnlijk meer, nadat hij iets uit zijn oog had gehaald. Vervolgens is hem, twee dagen later, op 16 april 2010, geadviseerd om het oog, dat opgezet en dik was, schoon te maken met gekookt water en is op 19 april 2010 een recept voor een ooggel voorgeschrev