Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-09
ECLI:NL:RBDHA:2017:13090
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 17/1410 en SGR 17/1416 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaken tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres en het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder (gemachtigde: M.A.H. de Pagter ). Procesverloop Bij besluiten van 25 juli 2016, verzonden op 27 juli 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de vastgestelde vergoedingen van de toevoegingen met kenmerken [kenmerk 1] en [kenmerk 2] ingetrokken. Bij besluiten van 16 januari 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard onder aanvulling van gronden. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. De beroepen met zaaknummer SGR 17/1410 en zaaknummer SGR 17/1416 zijn gevoegd behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Het juridisch kader is als bijlage 1 aan deze uitspraak gehecht. 2. Eiseres is rechtsbijstandverlener en werkzaam bij een kantoor dat deelneemt aan het High Trust-programma van verweerder. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door verweerder naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd. 3. Eiseres heeft op 29 december 2015 twee toevoegingen aangevraagd voor rechtsbijstand ter zake van bezwaar tegen twee herzieningsbeslissingen over kinderopvangtoeslag 2008 en 2009 van de Belastingdienst. In het kader van eiseres haar deelname aan het High Trust-programma heeft verweerder de toevoegingen met kenmerken [kenmerk 1] en [kenmerk 2] verleend en een vergoeding vastgesteld. Op 7 juni 2016 heeft verweerder op het kantoor van eiseres een steekproef uitgevoerd. Het foutpercentage van deze steekproef bedraagt 62,6%. Naar aanleiding van de voornoemde steekproef heeft verweerder bij besluiten van 25 juli 2016 de vastgestelde vergoedingen van de toevoegingen met kenmerken [kenmerk 1] en [kenmerk 2] ingetrokken. 4. Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten primair op het standpunt dat bijstand van een advocaat niet noodzakelijk is. Verweerder verwijst in dit kader naar werkinstructie C030 sociale voorzieningen – overige geschillen , waaruit volgt dat voor aanvragen en bezwaarprocedures inzake toeslagen in beginsel geen toevoeging wordt verleend. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de werkzaamheden vallen onder het bereik van de toevoegingen met kenmerken [kenmerk 3] en [kenmerk 4] die zijn afgegeven voor het indienen van de herzieningsverzoeken in het kader van de kinderopvangtoeslag 2008 en 2009. 5. Eiseres voert allereerst aan dat werkinstructie C030 niet ziet op procedures rondom een herzieningsverzoek. Ook uit de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) volgt niet dat herzieningsverzoeken worden uitgesloten van een toevoeging. Eiseres stelt voorts dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bijstand van een advocaat niet noodzakelijk is. Ten aanzien van de subsidiaire grond van het bestreden besluit voert eiseres aan dat de herzieningsprocedure valt onder de reikwijdte van artikel 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en dat er sprake is van afzonderlijke procedures die allebei voor toevoeging in aanmerking komen. Eiseres meent dat er een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek aan de bestreden besluiten kleeft nu niet al haar vragen in de bezwaarfase zijn beantwoord en verweerder niet op de hoorzitting aanwezig was. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat de besluiten in strijd zijn met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 6. De rechtbank komt tot de volgende be