Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2017:12968
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/2907 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2017 in de zaak tussen [N.V. X] , te [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M.R.J. Baneke), en de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder (gemachtigde: mr. S. de Bruin, werkzaam bij Rijkswaterstaat). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [B.V. Y] , te [plaats] , vergunninghoudster (gemachtigde: [persoon A] van [B.V. Z]). Procesverloop Bij besluit van 13 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunninghoudster een watervergunning verleend voor (1) het behouden van 2 buispalen, het tijdelijk ligplaats nemen van diverse vaartuigen aan deze buispalen aan de rechterkant van de Benedenmaas (Afgedamde Maas) en (2) het tijdelijk ligplaats nemen van diverse vaartuigen aan de steiger, loswal aan de linkerkant van de Benedenmaas te [plaats]. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer SGR 17/2464). Voordat een zitting in de voorlopige voorzieningenprocedure plaats kon vinden, heeft verweerder bij besluit van 24 april 2017 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft ter zitting van 26 april 2017 haar verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. De beroepsgronden zijn nadien aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Namens eiseres is [persoon B] verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. Baneke. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. de Bruin, [persoon C] en [persoon D]. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [persoon E], [persoon F] en [persoon A]. Overwegingen 1.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Tijdens een vrijeveldcontrole op 4 mei 2016 is door een inspecteur geconstateerd dat 2 stalen buispalen aan de rechteroever van de Benedenmaas (Afgedamde Maas) te [plaats] zijn geplaatst waaraan een dekschuit, ponton en 2 beunbakken liggen afgemeerd en dat aan de steiger, loswal aan de linkeroever van de Benedenmaas achter het remmingwerk van [sluis] een woonark, ponton en een werkschip liggen afgemeerd zonder dat daarvoor een watervergunning is verleend. 1.2 Op 13 juli 2016 heeft vergunninghoudster een aanvraag bij verweerder ingediend op grond van de Waterwet (Wtw) voor (1) het behouden van 2 buispalen, het tijdelijk ligplaats nemen van 2 beunbakken, 2 pontons, een woonark (drijvende directiekeet) en een dekschuit aan deze buispalen aan de rechterkant van de Benedenmaas en (2) het tijdelijk ligplaats nemen van diverse vaartuigen aan de steiger, loswal aan de linkerkant van de Benedenmaas te [plaats]. 1.3 Er worden door vergunninghoudster met enige regelmaat werkzaamheden (bouwen, graven, aanleggen en andere activiteiten) op en aan het water uitgevoerd. Het innamepunt voor de bereiding van drinkwater van eiseres ligt op een afstand van circa 500 meter stroomafwaarts van de buispalen, waaraan regelmatig schepen ligplaats nemen. Het innamepunt is beschermd door een beschermingszone die geldt voor oppervlaktewateren en in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (BPRW) is vastgelegd. De buispalen aan de rechterkant van de Benedenmaas liggen binnen de beschermingszone. 1.4 Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning op grond van artikel 6.5, aanhef en onder c, van de Wtw verleend. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder is voldoende duidelijk wat er is vergund. Het gaat om een permanente situatie voor het afwisselend tijdelijk laten liggen van verschillende vaartuigen van vergunninghoudster. Wat betreft de angst voor calamiteiten stelt verweerder zich op het standpunt dat de vergunning alleen is aangevraagd en Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wtw is de toepassing van deze wet gericht op: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Drinkwaterwet geldt bij de uitoefening van bevoegdheden en toepassing van wettelijke voorschriften door bestuursorganen de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening als een dwingende reden van groot openbaar belang. 5.1 De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres uitsluitend is gericht tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het primaire besluit is gehandhaafd ten aanzien van het behouden van 2 buispalen, het tijdelijk ligplaats nemen van 2 beunbakken, 2 pontons, een woonark (drijvende directiekeet) en een dekschuit aan deze buispalen aan de rechterkant van de Benedenmaas. 5.2 Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar van eiseres zich niet richt tegen het behouden van de 2 buispalen aan de rechterkant van de Benedenmaas. Eiseres heeft dit standpunt bestreden. 5.3 De rechtbank stelt vast dat in het bezwaarschrift van eiseres van 17 januari 2017 is vermeld dat bezwaar wordt gemaakt tegen verweerders besluit van 13 december 2016 ten behoeve van het behouden van 2 buispalen en het tijdelijk ligplaats nemen van diverse vaartuigen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er dan ook ten onrechte vanuit gegaan dat het bezwaar van eiseres niet tevens tegen het behouden van de twee buispalen was gericht. Dat het behouden van de buispalen op de hoorzitting niet uitdrukkelijk aan de orde is geweest, zoals verweerder stelt, ontslaat verweerder niet van zijn plicht om te motiveren of het primaire besluit op dat punt al dan niet kan worden gehandhaafd. Dit betekent dat verweerder ten onrechte niet op het bezwaar van eiseres, voor zover dat betrekking heeft op het behouden van de 2 buispalen, heeft beslist. 5.4 Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit wordt, voor zover bestreden, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. 5.5 Vervolgens zal de rechtbank bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd, in stand te laten of de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien. 6.1 Niet in geschil is - en ook de rechtbank gaat daar van uit - dat zowel voor het behouden van de 2 buispalen als voor het tijdelijk laten liggen van vaartuigen op grond van artikel 6.12, eerste lid, van het Waterbesluit in samenhang met artikel 6.5, aanhef en onder c, van de Wtw een watervergunning is vereist. 6.2 Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 6.21 van de Wtw in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, van de Wtw, dient verweerder bij de beoordeling van de aanvraag om een watervergunning met de doelstellingen (1) bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en (2) vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen rekening te houden en vergunning te weigeren indien de aanvraag in strijd is met één of beide doelstellingen. 6.3 De rechtbank stelt vast dat in het BPRW 2016-2021 (op pagina 108) is vermeld dat Rijkswaterstaat verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het oppervlaktewater op de zeven (directe) onttrekkingspunten in de rijkswateren en hier beschermingszones instelt. De waterkwaliteit moet hier voldoen aan de specifieke milieukwaliteitseisen voor drinkwaterproductie uit het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009. Rijkswaterstaat voert deze taak uit in samenwerking met andere overheden en drinkwaterbedrijven. Rijkswaterstaat voert daarbij de maatregelen uit die tot zijn reguliere beheertaken behoren. Deze zijn te vinden in Paragraaf 3.3 Schoon en gezond water. Daarbij gaat het om vergunningverlening en handhav