Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-11-06
ECLI:NL:RBDHA:2017:12769
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,923 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/6558
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedatum],
v-nummer [v-nummer],
van Sierra Leoonse nationaliteit,
eiser,
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verweerder.
Het procesverloop
Op 23 december 2015 heeft [referent] (hierna: referent) namens eiser een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) aangevraagd in de procedure Toegang en Verblijf, met als doel ‘verblijf bij familie of gezinslid’. Bij besluit van 16 juni 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Daartegen heeft eiser op 6 juli 2016 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 23 maart 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.
Op 21 april 2017 heeft eiser de gronden van beroep ingediend. Bij brieven van 11 mei 2017 en 20 september 2017 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 oktober 2017. Eiser heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is referent verschenen, samen met haar dochter. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.A.L.A. van Ittersum.
Beoordeling
1. Ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Referent voldoet niet aan het middelenvereiste. Gebleken is dat de werkgever van referent de vereiste belastingen en premies over het salaris van referent niet heeft afgedragen. Er is geen sprake van een zelfstandig inkomen. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM leidt niet tot de conclusie dat verblijf van eiser moet worden toegestaan.
3. Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Op hetgeen hij heeft aangevoerd hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Ingevolge artikel 2p, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan Onze Minister een mvv verlenen aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.
Ingevolge artikel 2q, eerste lid, van de Vw 2000 kan Onze Minister een mvv weigeren indien ten aanzien van de vreemdeling niet is aangetoond dat deze voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2p, eerste lid, van de Vw 2000 onverminderd het tweede lid van dat artikel.
Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ingevolge artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan in ieder geval zelfstandig, indien verworven uit wettelijk toegestane arbeid in loondienst, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen.
6.1 Volgens artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de Gezinsherenigingsrichtlijn) kan de betrokken lidstaat bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging de persoon die het verzoek heeft ingediend verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand. In haar uitspraken van 28 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:271, en 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1998, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat uit de arresten Chakroun, ECLI:EU:C:2010:117 en Khachab, ECLI:EU:C:2016:285 van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) volgt dat verweerder, naar aanleiding van hetgeen door de desbetreffende vreemdeling naar voren is gebracht, een concrete beoordeling moet maken van de situatie van die vreemdeling en de desbetreffende referent, waarbij hij alle door of namens die vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden betrekt.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:208, volgt dat het vereiste van het maken van een individuele beoordeling ook geldt bij de weigering van een mvv vanwege het niet zelfstandig beschikken over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.
6.2
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat het inkomen van referent niet zelfstandig is, aangezien de werkgever van de referent premies en belastingen niet heeft voldaan. Er is in beroep nog altijd een betalingsachterstand. De door eiser aangevoerde omstandigheden zien volgens verweerder allemaal op de hoogte van het inkomen en niet op de zelfstandigheid van het inkomen. Deze omstandigheden zijn dus niet relevant.
6.3
Eiser stelt dat referent aan het middelenvereiste uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn voldoet. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen concrete beoordeling van de individuele situatie heeft verricht. Eiser heeft de volgende individuele omstandigheden aangevoerd:
referent had eerder een vaste baan, welke ze heeft moeten opzeggen, omdat ze als gevolg van de ongewenstverklaring en uitzetting van eiser deze baan niet meer kon combineren met de zorg voor haar dochter; hierna heeft zij alles op alles gezet om ander werk te vinden om in het levensonderhoud van haar gezin te kunnen voorzien; in eerste instantie heeft ze gewerkt als gastouder en later heeft ze haar huidige baan bij [bedrijf 1] als helpende zorgmedewerker gekregen;
referent kan met haar inkomsten voorzien in het levensonderhoud van haar gezinsleden;
referent onderhoudt eiser in Ghana door het regelmatig sturen van geld;
de dochter van referent draagt met de inkomsten uit haar bijbaan bij aan het gezinsinkomen;
de werkgever van referent investeert in haar opleiding, hetgeen niet wijst op een naderend ontslag of faillissement;
de vaste lasten van referent zijn laag;
referent is als zzp’er een eenmanszaak gestart en heeft een bemiddelingsovereenkomst gesloten met [bedrijf 2];
er is veel werk in de zorg;
referent ontvangt, naast haar inkomen uit arbeid, zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag;
de werkgever van referent is bezig de financiële situatie op orde te brengen en de schulden bij de belastingdienst af te betalen.
Verweerder heeft volgens eiser met al deze omstandigheden ten onrechte geen rekening gehouden.
6.4
Niet in geschil is dat verweerder niet alle door eiser aangevoerde individuele omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is dat ten onrechte. Verweerders strikte onderverdeling tussen feiten en omstandigheden die volgens verweerder betrekking hebben op zelfstandigheid of duurzaamheid of hoogte van het inkomen en de op dat onderscheid toegespitste individuele beoordeling, berust op een onjuiste interpretatie van de Afdelingsuitspraak van 27 januari 2017. In rechtsoverweging 3 van die uitspraak staat namelijk dat het niet afdragen van premies en belastingen door een werkgever van invloed kan zijn op de hoogte van het door een werknemer werkelijk verdiende loon. Daarmee ziet het vereiste van zelfstandigheid niet enkel op de bron waaruit die middelen worden verworven maar ook op de hoogte van die middelen.
6.5
Verweerder heeft dus ten onrechte nagelaten een concrete beoordeling te maken van de situatie van eiser en referent, waarbij hij alle door of namens eiser aangevoerde individuele omstandigheden betrekt. Verweerder dient een dergelijke beoordeling alsnog te verrichten.
7.1 Eiser heeft verder een beroep gedaan op het arrest van het Hof van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354 (hierna: het arrest Chavez-Vilchez). Eiser betoogt dat voor hem uit dit arrest een verblijfsrecht voortvloeit.
7.2
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel er indicaties zijn dat eiser op grond van dit arrest mogelijk aanspraak kan maken op rechtmatig verblijft, dit niet in de huidige procedure kan worden beoordeeld.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 maart 2017;
- draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 990, -.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.
Dictum
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).