Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-08
ECLI:NL:RBDHA:2017:12733
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/1292 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 november 2017 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser (gemachtigde: mr. R. Imkamp), en het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder (gemachtigde: mr. C. van Houten). Procesverloop Bij besluit van 1 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlenging van zijn indicatie voor Persoonlijke Begeleiding ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen. Bij besluit van 10 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de enkelvoudige kamer het onderzoek heropend en de zaak naar een meervoudige kamer verwezen. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter tweede zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek op 6 november 2016 gesloten. Overwegingen 1. Eiser ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor persoonlijke begeleiding, welke begeleiding werd uitgevoerd door zijn echtgenote. Bij besluit van 9 juni 2016 heeft verweerder de indicatie voor het pgb verlengd tot en met 1 september 2016. Naar aanleiding van eisers aanvraag is verweerder een onderzoek gestart. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 1 september 2016. De uitkomst van het onderzoek is voor verweerder aanleiding geweest om het primaire besluit te nemen en de indicatie voor Persoonlijke Begeleiding ingevolge de Wmo 2015 niet te verlengen. 2. In bezwaar heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. 3. Eiser heeft primair aangevoerd, en deze beroepsgrond ter zitting gehandhaafd, dat het bestreden besluit strijdig moet worden geacht met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de Stichting Participe Alphen aan den Rijn (Participe) zowel primair als op het bezwaarschrift heeft beslist. Eiser begrijpt uit het mandaatbesluit dat de mandaatverlening aan Participe heeft plaatsgehad ingevolge artikel 10:4 van de Awb. Dit betekent dat de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever (het college). Daaruit volgt weer dat de beslissing op bezwaar door het college moet worden genomen, omdat de beslissing op bezwaar ‘binnen de directe invloedssfeer’ van het bevoegde bestuursorgaan moet worden genomen. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juni 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT7954). Nu Participe geen ondergeschikte is van het college, kan de beslissing op bezwaar dus ook niet worden genomen buiten de directe invloedssfeer van het college. 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de functionaris die het primaire besluit heeft genomen, via mandaat niet dezelfde functionaris mag zijn die op dat bezwaar beslist. In artikel 10:3, derde lid, van de Awb staat immers dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of op een verzoek als bedoeld in artikel 7:la, eerste lid, niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Bij Participe zijn degenen die de beslissing in eerste aanleg en de beslissing op bezwaar nemen twee verschillende functionarissen (hetgeen in het mandaatbesluit van 22 december 2015 is geregeld). De beslissing in eerste aanleg wordt door de teamleider van de afdeling individuele voorzieningen genomen. De beslissing op bezwaar wordt door de directeur van Participe genomen. Dit betekent dat het bestreden besluit binnen de wettelijke regels genomen is, aldus verweerder. 5. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of het best