Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-02
ECLI:NL:RBDHA:2017:12666
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/109 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. L. Kuijper), en de Raad van bestuur van het centrum indicatiestelling zorg (CIZ), verweerder (gemachtigde: mr. S. Kersjes–van Bussel). Procesverloop Bij besluit van 22 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. Bij besluit van 24 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1987, is bekend met schizofrenie, paranoïde type. Bij indicatiebesluit van 7 oktober 2013 heeft het CIZ eiser vanaf die datum in aanmerking gebracht voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Daarbij is eiser geïndiceerd voor de functies Begeleiding groep klasse 9, Begeleiding individueel klasse 3 en Persoonlijke Verzorging klasse 1, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Vanwege de wijziging van de betreffende wetgeving per 1 januari 2015 ontving eiser vervolgens een pgb op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, waarbij eiser is geïndiceerd voor de maatwerkvoorziening ondersteuning. Deze indicatie is bij besluit van 4 mei 2016 verlengd tot en met 14 augustus 2016. 1.2. Eiser heeft op 10 maart 2016 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wlz. Naar aanleiding hiervan heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden door W.C.E. Tanaskoska-Muller, arts en medisch adviseur van verweerder. Deze arts heeft op 22 juni 2016 een medisch advies uitgebracht. Dit medisch advies ligt ten grondslag aan het primaire besluit. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz, omdat zijn beperkingen voortkomen uit een psychiatrische aandoening en niet uit een verstandelijke beperking. Evenmin is gebleken van een andere grondslag die toegang geeft tot de Wlz. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich hierbij ongewijzigd op het standpunt dat eiser geen recht heeft op zorg op grond van de Wlz, omdat bij hem sprake is van een psychiatrische aandoening en de grondslag verstandelijke handicap niet bij hem kan worden vastgesteld. Verweerder verwijst hierbij naar het advies van zijn medisch adviseur W.C.E. Tanaskoska-Muller van 22 juni 2016 alsmede het advies van drs. I. Dammar van 9 augustus 2016, dat is aangevuld op 4 november 2016. 3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hiertoe voert hij aan dat hij in aanmerking komt voor zorg ingevolge de Wlz. Eiser stelt dat naast zijn psychische problematiek sprake is van een verstandelijke handicap en verwijst daarbij naar het intelligentieonderzoek dat in 2015 is verricht waaruit volgt dat hij een zeer laag IQ heeft. Eiser betoogt voorts dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht nu zijn beperkingen niet goed zijn beoordeeld. Zo is onduidelijk waar de conclusie, dat zijn lage intelligentie verklaard kan worden uit het gebrek aan scholing, de taalbarrière, het middelengebruik en de medicatie, op is gebaseerd. Eiser wijst er verder op dat zijn situatie inmiddels is gewijzigd nu zijn vader niet meer in de woning woont en de overige familieleden eiser onvoldoende kunnen begeleiden. Eiser voert tot slot aan dat zijn aanvraag voor een maatwerkvoorziening ingevolge de Wmo is afgewezen en hij daarbij voor een voorziening is verwezen Daarbij wijzen de medisch adviseurs er op dat het fors misbruik van middelen in het verleden en de gebruikte psychofarmaca een fors negatief effect hebben bij intelligentieonderzoeken. Voorts pleit het feit dat eiser heeft deelgenomen aan regulier basisonderwijs tegen de grondslag verstandelijke handicap. Na ontvangst van het door eiser in bezwaar aangeleverde medische advies van Parnassia heeft de medisch adviseur Dammar een aanvullend advies uitgebracht. Hieruit blijkt dat er volgens de medisch adviseur een bijkomende component van verhoogde zorgbehoefte ten gevolge van verminderd cognitief functioneren is, maar ook dat de zorgvraag voornamelijk wordt bepaald door de forse psychiatrische problematiek van eiser. In het aanvullend advies blijft de medisch adviseur bij zijn standpunt dat de grondslag verstandelijke handicap niet kan worden vastgesteld bij eiser. 5.3. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een advies van een medisch adviseur van een bestuursorgaan als verweerder een deskundigenadvies en mag het bestuursorgaan, indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, bij de besluitvorming in beginsel van zo’n advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3266). 5.4. De rechtbank overweegt dat de medische adviezen tot stand zijn gekomen door middel van dossieronderzoek en kennisname van de informatie van de behandelend sector. Gelet hierop zijn de medische adviezen van 22 juni 2016, 9 augustus 2016 en 4 november 2016 op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De rechtbank is van oordeel dat in de medisch adviezen inzichtelijk en concludent is gemotiveerd dat er geen sprake is van de grondslag verstandelijke handicap, zoals bedoeld in de Wlz. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het IQ van eiser voor het eerst in 2015 is geschat op 27 jarige leeftijd en dat er geen gemeten tendens beschikbaar is vanaf zijn 18e levensjaar. De rechtbank stelt tevens vast dat geen sprake is van een meting maar een schatting van het IQ van eiser. Daarbij is de IQ-test in negatieve zin overschaduwd door de psychiatrische problematiek die bij eiser speelt en de hiervoor gebruikte psychofarmaca alsmede door het forse middelengebruik door eiser in het verleden. De rechtbank acht voorts van belang dat er geen (medische) informatie voorhanden is over de periode dat eiser in Turkije woonde (tot 2002) noch over zijn eerste jaren in Nederland, zodat niet kan worden vastgesteld dat er bij eiser sprake is van een verstandelijke handicap vóór zijn 18e levensjaar. Daarbij heeft de medisch adviseur er op gewezen dat eiser in het verleden heeft deelgenomen aan het regulier basisonderwijs, op zijn veertiende naar Nederland is verhuisd en tot het tweede of derde jaar Mavo heeft gevolgd. De rechtbank volgt verweerder in zijn oordeel dat er onder de gegeven omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de vaststelling dat bij eiser sprake is van een verstandelijke handicap vóór zijn 18e levensjaar en dat het (school)verleden van eiser zelfs pleit tegen een dergelijke conclusie. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat uit de verschillende rapportages volgt dat de familie van eiser heeft verklaard dat eiser voor zijn drugsgebruik en psychoses op een normaal niveau functioneerde. 5.5. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de bevindingen van de medisch adviseurs te twijfelen. Door eiser zijn geen medische gegevens naar voren gebracht die concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de adviezen. De rechtbank overweegt dat de psychiater van eiser J.M. Deenen in zijn brief van 2 oktober 2017 weliswaar aangeeft dat de premorbide intelligentie van eiser zeer vermoedelijk niet veel hoger is dan gemeten in 2015, maar de klinisch neuropsycholoog