Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-04-13
ECLI:NL:RBDHA:2017:12512
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,379 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/5995
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2017 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2017 heeft verweerder de herhaalde aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.
Eiser heeft tegen dit besluit op 16 maart 2017 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1998 en de Senegalese nationaliteit te hebben. Eiser verblijft als vreemdeling in Nederland. Eiser heeft eerder, op 15 februari 2015, een asielaanvraag ingediend. Als individueel asielmotief voerde eiser daarbij aan bij terugkeer naar Senegal te vrezen te hebben voor de wraak van vijf bandieten omdat eiser en zijn vrienden aangifte hebben gedaan van moord door deze vijf bandieten op een vriend van hen. Bij besluit van 27 december 2016 is de aanvraag afgewezen omdat het asielrelaas ongeloofwaardig werd geacht en omdat Senegal als een veilig land van herkomst wordt aangemerkt. Het hiertegen gerichte beroep is bij uitspraak van 20 januari 2017 door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard (AWB 16/24829). Het door eiser ingediende hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 28 februari 2017 ongegrond verklaard (201701292/1/V2). De ongeloofwaardigheid van het asielrelaas is daarmee in rechte komen vast te staan.
2. Eiser heeft aan zijn herhaald asielverzoek ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat hij homoseksueel is en dat de burgerbevolking in Senegal homoseksualiteit zozeer afkeurt dat hij zijn gevoelens dienaangaande niet vrijelijk kan uiten en bij terugkeer naar Senegal een behandeling vreest die in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond mede omdat verweerder van oordeel is dat de gestelde homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig is en omdat Senegal een veilig land van herkomst is en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat in zijn geval niet zo is.
4. Eiser heeft in zijn gronden van beroep betoogd dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Ten onrechte werpt verweerder eiser namelijk tegen dat hij moeite heeft met het noemen van een tijdstip en/of datum waarop hij ermee bekend raakte dat hij zijn seksuele gerichtheid in Nederland niet hoefde te verbergen. Het is immers logisch dat iemand die uit een cultuur komt waar dat wordt afgekeurd tijd nodig heeft om voor zijn seksuele gerichtheid uit te komen. Temeer gezien de beperkte ontwikkeling van eiser. Het is daarom ook niet vreemd dat eiser desgevraagd tijdens het eerste asielgehoor hier niet over durfde te verklaren maar pas aan een medewerker van de IND tijdens zijn vreemdelingendetentie een jaar later. Dat eiser niet alles wist te vertellen over de wetgeving en positie van homoseksuelen in Senegal heeft hier ook weer mee te maken. Eiser heeft immers een ander bewustwordingsproces en proces van zelfacceptatie meegemaakt dnt gebruikelijk. Anders dan verweerder stelt ging eiser ook niet naar allerlei homoseksuele feesten in Senegal. Hij ging met zijn vaste groep vrienden op een vaste gehuurde locatie feesten. Eiser betwist verder dat Senegal een veilig land is voor homoseksuelen. Nu het besluit vernietigd dient te worden stelt eiser zich tevens op het standpunt dat ten onrechte een terugkeerbesluit en een inreisverbod is uitgevaardigd. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat de maatregel van bewaring ten onrechte niet is omgezet naar een andere grondslag.
5. Verweerder heeft de gronden gemotiveerd betwist.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1.
In haar uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder in de WI 2015/9 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid verricht, bij welke vragen en antwoorden het zwaartepunt ligt en hoe hij de door een vreemdeling gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt en dat verweerder op dit punt heeft voldaan aan de voorwaarden die de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170) heeft gesteld.
6.2.
De vraag dient dan ook te worden beantwoord of in de onderhavige zaak overeenkomstig de WI 2015/9 is gehoord en beslist en of verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt dat de door eiser gestelde seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn.
6.3.
De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat eiser conform de WI 2015/9 is gehoord. Uit het verslag van het gehoor van 10 maart 2017 blijkt dat over alle in de WI 2015/9 genoemde thema’s vragen zijn gesteld aan eiser. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder conform de WI 2015/9 heeft beslist, gelet op het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen, in samenhang met de toelichting van verweerder daarop ter zitting. Verweerder heeft immers, in overeenstemming met paragraaf 3 van de WI 2015/9, met name gewicht toegekend aan eisers antwoorden op vragen over bewustwording en zelfacceptatie en wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend. Tevens heeft verweerder gehandeld in overeenstemming met de WI 2015/9 door betekenis toe te kennen aan de verklaringen van eiser omtrent het proces van bewustwording, waarbij is betrokken dat eiser afkomstig is uit een land waar LHBT-gerichtheid niet wordt geaccepteerd.
6.4.
De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder zich op basis van de in het bestreden besluit gegeven motivering, het daarin ingelaste voornemen en de toelichting ter zitting daarop, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiser vaag, wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij zich bewust is geworden van zijn gestelde geaardheid. Zo heeft eiser in antwoord op de vraag wanneer hij zich bewust werd van zijn homoseksuele gevoelens verklaard dat dat in Senegal was in 2015 op vijftienjarige leeftijd. Nu eiser echter in 1998 is geboren kan hij in 2015 niet 15 jaar oud zijn geweest. Bovendien bevond eiser zich in 2015 al een jaar in Europa. Verweerder heeft het eiser ook kunnen tegenwerpen dat eiser stelt zich bewust te zijn geworden van zijn gevoelens doordat hij met een groep homoseksuele vrienden omging maar niet kan vertellen wanneer hij deze vrienden voor het eerst heeft ontmoet en heeft eiser tegenstrijdig verklaard over wanneer hij erachter kwam dat deze vrienden homoseksueel waren. Eiser heeft verder ook over deze vrienden en de feestjes die zij hielden en de reden waarom zij eiser daarbij uitnodigden, terwijl de bevolking van Senegal in het algemeen homoseksualiteit afkeurt, vaag en summier verklaard. Ook heeft eiser geen inzicht kunnen geven in zijn gedachtegang ten aanzien van zijn seksuele geaardheid of de interesse daarin. Daarnaast heeft verweerder het eiser tegen kunnen werpen dat hij heeft verklaard in de loop van 2016 te hebben beseft dat hij in Nederland vrijelijk uit kan komen voor zijn gevoelens maar pas tijdens deze asielprocedure, gestart nadat eiser in vreemdelingenbewaring was gesteld, met dit asielmotief naar voren komt. Dit terwijl eiser in februari 2017 tweemaal, door de DT&V en de vreemdelingenpolitie, is gevraagd of hij al zijn asielmotieven in de eerste procedure naar voren heeft gebracht. Ook over het proces van zelfacceptatie heeft eiser vaag en summier verklaard. Verder heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser zeer summier heeft verklaard over zijn relatie met een man in Senegal. Eiser verklaarde dat hem door de vriendengroep een man werd toegewezen maar eiser kan over deze persoon amper iets vertellen, behalve dat hij net zo lang is als eiser is, slank is, een smal gezicht heeft en diens naam. Dit bevreemdt ten zeerste nu eiser stelt ook een relatie met deze man te hebben gehad.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2017.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.