Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2017:12372
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 17/942 en SGR 17/3397 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 oktober 2017 in de zaken tussen [B.V. X], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: mr. R.Th.G. van der Veldt), en de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 21 mei 2016 een aanslag binnenhavengeld 2016 opgelegd (aanslag 1) ten bedrage van € 8.587,30. Aanslag 1 heeft betrekking op de periode januari tot en met december 2016 en betreft 10 ligplaatsen. Met dagtekening 3 januari 2017 is aan eiseres een aanslag binnenhavengeld 2016 opgelegd (aanslag 2) ten bedrage van € 326,53. Aanslag 2 heeft betrekking op de periode september tot en met december 2016 en betreft 1 ligplaats. Eiseres heeft bezwaarschriften ingediend tegen zowel aanslag 1 als aanslag 2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 december 2016 aanslag 1 verminderd naar een bedrag € 7.086,30. Bij uitspraak op bezwaar van 13 april 2017 is het bezwaar tegen aanslag 2 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017. Namens eiseres zijn haar gemachtigde en [persoon A] verschenen. Namens verweerder zijn [persoon B], [persoon C] en [persoon D] verschenen. Ter zitting zijn onderhavige zaken met zaaknummers SGR 17/942 en SGR 17/3397 gevoegd behandeld. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is eigenaar van een aantal bedrijfsvaartuigen, te weten dekschuiten, beunbakken en sleepboten. Deze bedrijfsvaartuigen verhuurt eiseres onder andere aan consumenten, (studenten)verenigingen, stichtingen en bedrijven. 2. Ten behoeve van de onder 1 genoemde bedrijfsvaartuigen beschikt eiseres over een aantal ligplaatsen buiten het centrum van de gemeente Leiden. 3. In de Verordening binnenhavengeld 2016 (de Verordening) is voor zover hier van belang het volgende bepaald: “Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: (…) m. vaste ligplaats: een, door middel van een vergunning, van gemeentewege aangewezen locatie bestemd voor het afmeren van een vaartuig; (…) Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam binnenhavengeld worden rechten geheven ter zake van het gebruik van het havengebied en ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten in verband met dat gebruik. Artikel 3. Belastingplicht Belastingplichtig is de eigenaar van het vaartuig, de reder, de schipper, de kapitein, degene aan wie het schip in gebruik is gegeven, of degene die als vertegenwoordiger voor één van dezen optreedt. Artikel 4. Maatstaf van heffing Het binnenhavengeld wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.” 4. In de tarieventabel behorende bij de Verordening (de tarieventabel) is voor zover van belang het volgende opgenomen: “Het binnenhavengeld bedraagt: (…) m. voor dekschuiten, beunbakken, duw- en sleepboten, waarvoor door het college van burgemeester en wethouders een vaste ligplaats is toegestaan, per kalenderjaar of gedeelte daarvan per m² oppervlakte € 7,90 (…) p. voor historische vaartuigen die niet in categorie n of o vallen, waarvoor door het college van burgemeester en wethouders een vaste ligplaats is toegestaan, die aantoonbaar ingeschreven zijn bij het Nationaal Register Varende Monumenten, per kalenderjaar of gedeelte daarvan per m² oppervlakte € 4,22” 5. Op grond van de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel zijn aan eiseres aanslag 1 en aanslag 2 opgelegd. 6. Bij uitspraak op bezwaar van 29 december 2017 is het bezwaar van eiseres tegen aanslag 1 gegrond verklaard. Aangezien eiseres twee ligplaatsen feitelijk niet kan gebruiken is aanslag 1 verminderd tot een bedrag van € 7.086,30. Het bezwaarschrift van eiseres tegen aanslag 2 is bij uitspraak op bezwaar van 13 a Voorts geldt dat de heffing niet mag leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot het instellen van de desbetreffende heffing niet voor ogen kan hebben gehad. In het tweede lid van artikel 219 van de Gemeentewet wordt bepaald dat het bedrag van de heffing niet afhankelijk mag worden gesteld van inkomen, de winst of het vermogen. 13. Eiseres heeft het standpunt ingenomen dat de Verordening mogelijk in strijd is met artikel 229b Gemeentewet. Het in eerste instantie door verweerder verstrekte overzicht betreft slechts een overzicht op hoofdlijnen. Verweerder heeft bij zijn verweerschrift van 5 juli 2017, dat betrekking heeft op zaaknummer SGR 17/3397, voor de jaren 2016 en 2017 een meer gedetailleerd overzicht verstrekt dat een nadere uitsplitsing geeft van de geraamde baten en lasten en kostendekkendheid van het binnenhavengeld. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank inzicht verschaft in de desbetreffende ramingen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het vervolgens aan eiseres om gemotiveerd twijfels te uiten of ten aanzien van een (of meerdere) post(en) in de ramingen sprake is van een last ter zake (bijv. Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777). Nu eiseres, noch in haar nadere stuk van 15 augustus 2017 noch ter zitting, heeft gesteld dat één of meerdere posten in de raming ten onrechte een last ter zake zijn treft deze beroepsgrond geen doel. 14. Eiseres is eigenaar van een aantal dekschuiten, beunbakken en sleepboten zodat zij kan worden aangemerkt als belastingplichtige op grond van artikel 3 van de Verordening. Verweerder kan ingevolge artikel 2 van de Verordening en tariefpost m van de tarieventabel van eiseres binnenhavengelden heffen nu zij beschikt over een aantal vaste ligplaatsen binnen de gemeentegrenzen. 15. In 2015 heeft de gemeenteraad besloten het tarief havenliggeld voor dekschuiten, beunbakken en duw- en sleepboten, zoals opgenomen in tabelpost m van de Verordening, stapsgewijs gelijk te trekken met het tarief voor andere bedrijfsvaartuigen en pleziervaartuigen. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat deze tariefverhoging een inbreuk vormt op de wet, de algemene beginselen van behoorlijke bestuur en de jurisprudentie. Derhalve moet tabelpost m partieel onverbindend worden verklaard. 16. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het gefaseerd aanpassen van bepaalde tarieven om daarmee een evenwichtige tariefstelling tussen de onderscheiden categorieën vaartuigen tot stand te brengen, de grenzen van de gegeven bevoegdheid niet heeft overschreden. 17. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de verordening (mede) wordt gebruikt voor het weren van dekschuiten uit de binnenstad en dit strijd oplevert met het beginsel van détournement de pouvoir. Deze beroepsgrond van eiseres faalt. Verweerder heeft gemotiveerd weersproken dat sprake is van het weren van dekschuiten uit de binnenstad en gesteld dat aan de tariefsverhoging ten grondslag ligt de beëindiging van het onderscheid tussen dekschuiten (zoals eiseres bezit), pleziervaartuigen en andere bedrijfsvaartuigen, omdat er ook geen wezenlijk onderscheid is in het gebruik van de gemeentelijke voorziening. Ook hiermee handelt de gemeente niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. 18. Met betrekking tot het standpunt van eiseres dat de door verweerder gehanteerde tarieven zoals vermeld onder tariefpost m zijn aan te merken als schriktarieven overweegt de rechtbank het volgende. De door eiseres aangehaalde jurisprudentie dateert uit 1984. Te dien tijde gold dat de retributie en daarmee het tarief zich diende te richten naar het gebruik dat van de dienst werd gemaakt. Door wijziging nadien van de Gemeentewet is deze strikte eis vervallen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat zoals onder 17. is overwogen, niet is aangetoond dat de drijfveer voor de afschaffing van de tariefdifferentiatie i