Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-02
ECLI:NL:RBDHA:2017:12140
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/3884 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. J.H. Kruseman), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. M. Mos). Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) in verband met een terugval in het inkomen toegekend tot een bedrag van € 46,75 voor de periode van 1 februari 2017 tot en met 28 februari 2017. Bij besluit van 6 maart 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de algemene bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Pw vanaf 1 maart 2017 verhoogd met een toeslag van 3,33% van de gezinsnorm. Bij besluit van 1 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen. Overwegingen 1.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is gehuwd met [persoon A], van Afghaanse nationaliteit, die geen geldige verblijfstitel heeft en daarmee een niet-rechthebbende partner is. Het gezin heeft 5 kinderen. De jongste, [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1999, was ten tijde van het primaire besluit nog minderjarig. Van de overige kinderen hebben er twee zelf recht op uitkering, te weten [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1989 en [kind 3], geboren [geboortedatum] 1992. Een studerende zoon, [kind 4], geboren op [geboortedatum] 1990, is sinds 8 november 2016 uitwonend. Eiseres ontvangt sinds 1 juli 2015 een bijstandsuitkering met toepassing van de kostendelersnorm. Bij besluit van 13 januari 2016 heeft verweerder aan eiseres bijzondere bijstand toegekend ten bedrage van € 185,37 per maand over de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 in verband met een terugval in het inkomen vanwege de toepassing van de kostendelersnorm. Verder heeft verweerder eiseres over dezelfde periode een compensatie geboden van in totaal € 1.100,70 in verband met de lagere norm die zij en haar dochter [kind 2] ontvangen als gevolg van toepassing van de kostendelersnorm en de aanwezigheid van een niet-rechthebbende partner. Die toeslag is blijkens de stukken beëindigd vanwege inkomsten uit arbeid van één van de gezinsleden, waarmee het gezinsinkomen boven de bijstandsnorm uitkwam. 1.2 Eiseres heeft op 15 september 2016 een aanvraag om bijzondere bijstand voor het gemis aan inkomen vanwege de toepassing van de kostendelersnorm ingediend. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat haar partner illegaal in Nederland verblijft. Hij kan daardoor geen inkomen verwerven en daardoor kunnen met hem geen kosten worden gedeeld. 2. Verweerder heeft bij het primaire besluit I de voornoemde aanvraag van eiseres toegekend door een bedrag van € 46,75 extra uit te keren voor de periode 1 februari 2017 tot en met 28 februari 2017. Bij het primaire besluit II heeft verweerder de algemene bijstandsuitkering van eiseres vanaf 1 maart 2017 verhoogd met een toeslag van 3,33% van de gehuwdennorm. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres de toeslag ontvangt omdat haar partner geen recht op bijstand heeft. 3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar gericht tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in het geval van eiseres sprake is van een echtpaar, waarvan één van de partners illegaal in Nederland verblijft, en dat in dezelfde woning het hoofdverblijf met andere kostendelende medebewoners heeft. De kostendelersnorm is van toepassing en er zijn vi Indien nodig heeft het college op basis van artikel 18, eerste lid, van de Pw de mogelijkheid om in individuele gevallen de algemene bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, aldus de wetgever. Voorts heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn brief van 14 september 2016 aan de Tweede Kamer over het aanbieden van de monitor alleenstaande ouders deze problematiek onderkend en heeft hij gewezen op de mogelijkheid om in individuele gevallen bijzondere bijstand te verstrekken. 9. Niet in geschil is dat in het geval van eiseres de kostendelersnorm van toepassing is en dat dit in het geval van eiseres en haar kostendelenede medebewoners met toepassing van de kostendelersformule in beginsel leidt tot een bijstandsuitkering van 40% van de toepasselijke gehuwdennorm. In geschil is wel de vraag of eiseres, die een gemeenschappelijke huishouding voert met een niet-rechthebbende echtgenoot en met een aantal kinderen, waarvan twee zelf rechthebbende zijn op een uitkering, aanspraak heeft op een hogere aanvulling van de algemene bijstandsuitkering dan door verweerder is toegekend in de vorm van een toeslag ter hoogte van 3,33% van de gezinsnorm. 10. Voor deze beoordeling is in de eerste plaats de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:879 van belang. Naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de geschiedenis van de totstandkoming van de kostendelersnorm niet worden afgeleid dat bedoeld is dat gezinnen waar het hier om gaat over aanzienlijk minder middelen gaan beschikken. Dit is mede door de werking van de Toeslagenwet voor de zogenoemde alleenstaande ouderkop (ALO-kop) wel het geval, aldus de voorzieningenrechter. 11. Mede onder verwijzing naar de recente uitspraak van deze rechtbank van 5 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11620, overweegt de rechtbank dat het aan verweerder is om te onderzoeken of de verlaging van de uitkering waarmee eiseres wordt geconfronteerd in het individuele geval van eiseres aanvaardbaar is, waarbij met name in ogenschouw dient te worden genomen het tot het huishouden van eiseres behorende minderjarige kind. 12. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft onderzocht of in het individuele geval van eiseres een nadere afstemming op basis van artikel 18, eerste lid, van de Pw noodzakelijk is. Verweerder heeft daartoe met toepassing van de in het Handboek Kostendelersnorm, Haagse versie, neergelegde beleidsregel een compensatie toegekend in de vorm van een toeslag van 3,33% van de gezinsnorm op de kostendelersnorm. Deze toeslag is als volgt berekend. Het aantal personen dat meetelt voor de hoogte van de uitkering is normaliter 4 (inclusief de niet-rechthebbende partner). Bij toepassing van de kostendelersnorm zou de uitkering met toepassing van de in artikel 22a, eerste lid, van de Pw opgenomen formule als volgt worden berekend: 40% + (4 maal 30%) = 160:4 = 40%. Doordat verweerder echter geen rekening houdt met de niet-rechthebbende partner als kostendeler vult verweerder de uitkering aan tot 43,33%, op basis van drie kostendelers in plaats van vier. Niet alleen eiseres, maar ook twee inwonende kinderen die een eigen recht op bijstand hebben, ontvangen aldus een uitkering ter hoogte van 43,33% van de gezinsnorm. Op die manier beschikt het gezin over een netto maandinkomen van ongeveer € 1.830,- netto. Dat is aanzienlijk hoger dan de norm voor een gezin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de bijstand hiermee op aanvaardbare manier afgestemd op de individuele situatie van eiseres en haar gezinsleden terwijl tevens recht is gedaan aan het uitgangspunt dat niet indirect bijstand wordt verleend aan de niet-rechthebbende partner. 13. De omstandigheid dat de jongste zoon van eiseres ten tijde van verweerders primaire besluitvorming nog minderjarig was, acht de rechtbank van onvoldoende betekenis om daaraan de conclusie te verbinden dat verw