Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-10-04
ECLI:NL:RBDHA:2017:12070
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/3944 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2017 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder (gemachtigde: F.J. Latenstein). Procesverloop Bij besluit van 4 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een tegemoetkoming op grond van de Werkloosheidswet (WW) ter hoogte van € 4.988,33 toegekend. Bij besluit van 9 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar partner [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt sinds 3 augustus 2015 een uitkering op grond van de WW ter hoogte van een dagloon van € 64,38. Bij besluit van 24 januari 2017 heeft verweerder aan eiseres per 1 januari 2017 een nieuw dagloon ter hoogte van € 86,65 toegekend. Voorts heeft verweerder in dat besluit aangekondigd dat eiseres een eenmalige tegemoetkoming zal ontvangen en hierover nog een brief zal ontvangen. 2. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres een tegemoetkoming op grond van de WW ter hoogte van € 4.988,33 toegekend. Verweerder heeft het bezwaar gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de tegemoetkoming is gebaseerd op de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Regeling). Verweerder is van mening dat de hoogte van de tegemoetkoming is vastgesteld conform deze regeling. 3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertoe aan dat verweerder uitgaat van een onjuiste hoogte van het dagloon en van een onjuiste periode. Eiseres stelt dat verweerder dient uit te gaan van een dagloon van € 86,85. Voorts had verweerder moeten uitgaan van 17 maanden in plaats van 16 maanden. 4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres recht heeft op een eenmalige tegemoetkoming op grond van de Regeling. In geschil is de hoogte van de eenmalige tegemoetkoming. 4.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling heeft recht op een eenmalige tegemoetkoming de werknemer: a. die recht heeft of heeft gehad op een WW-uitkering dat is ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016 en die in de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin de eerste dag van werkloosheid is gelegen, geen loon heeft genoten in één of meer kalendermaanden; b. wiens recht op een WW-uitkering zou zijn ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016 indien artikel 16, achtste lid, van de Werkloosheidswet, niet van toepassing zou zijn geweest en die in de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin de eerste dag van werkloosheid is gelegen, geen loon heeft genoten in één of meer kalendermaanden; of c. die recht heeft of heeft gehad op een WW-uitkering dat is ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016, die de wachttijd, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, heeft doorlopen, die geen recht heeft gekregen op een WGA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en het ongemaximeerde herziene dagloon ten minste 2,5% hoger is dan het ongemaximeerde dagloon. 4.2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres valt onder artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Dit betekent dat artikel 3 van de Regeling van toepassing is voor de wijze van berekening van de hoogte van de tegemoetkoming. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de