Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2017:11905
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/000497-16 Datum uitspraak: 24 oktober 2017 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] [woonplaats] 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 oktober 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.R.C. Polderman en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. P.T. Verweijen, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 2 januari 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 855 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. 3 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie 3.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Hij heeft daartoe – verkort en zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd. Het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gecodificeerde ne bis in idem beginsel. Door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) is immers besloten om aan verdachte een onderzoek naar haar rijgeschiktheid op te leggen. Naar de mening van de raadsman vinden de strafrechtelijke vervolging en de bestuursrechtelijke procedure hun oorsprong in dezelfde gedraging (het rijden onder invloed met meer dan 785 microgram alcohol per liter bloed), zijn de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar (bevordering van de verkeersveiligheid) en komen de gevolgen van de bestuursrechtelijke procedure en de van het instellen van strafvervolging te verwachten sancties in hoge mate overeen (een betalingsverplichting enerzijds en een geldboete met ontzegging van de rijbevoegdheid anderzijds). Mede gelet op de criteria genoemd in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Engel en anderen tegen Nederland van 8 juni 1976 ( NJ 1978, 223) en in het arrest van het EHRM in de zaak Nilsson tegen Zweden van 13 december 2005 (ECLI:NL:XX:2005:AV3572), voldoet het onderzoek naar de rijgeschiktheid aan de vereisten van een “criminal charge” en is er sprake van een situatie dat tweemaal voor hetzelfde feit wordt vervolgd. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Hij heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) inzake het alcoholslotprogramma. 3.2 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Er is geen sprake van strijd met het ne bis in idem beginsel en het openbaar ministerie heeft niet gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een onderzoek naar de rijgeschiktheid is niet aan te merken als een “criminal charge”. Het is een tijdelijke maatregel en geen sanctie. Daarbij kan het onderzoek verschillende uitslagen opleveren, waarbij het rijbewijs niet altijd ongeldig wordt verklaard. Voorts is voornoemd onderzoek opgelegd naar aanleiding van en niet op grond van een strafbaar feit. Deze verklaring had naar de mening van de raadsman door de politie moeten worden opgevat als een ondubbelzinnige betwisting van het resultaat van de ademanalyse. De politie had derhalve bij verdachte dienen te verifiëren of zij van het recht op een tegenonderzoek gebruik wenste te maken. Dit heeft de politie echter nagelaten. 4.4 De beoordeling van de tenlastelegging Niet ter discussie staat dat verdachte op 2 januari 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, in haar personenauto heeft gereden, nadat zij tevoren alcohol had gebruikt. Dit wordt ook door verdachte bekend. Na een ademanalyse bleek het alcoholgehalte van de adem van verdachte 855 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn. Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat is nagelaten een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 te laten plaatsvinden, overweegt de rechtbank het navolgende. In artikel 10a (oud) van het Besluit Alcoholonderzoeken is - kort gezegd - neergelegd dat een verdachte, dadelijk na het mededelen van de uitslag van een ademanalyse, de wens kenbaar kan maken dat een tegenonderzoek wordt verricht. In de Nota van Toelichting bij het oorspronkelijke Besluit Alcoholonderzoeken (Stb.1987,432) wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de politie niet verplicht is een verdachte op de mogelijkheid van dit tegenonderzoek te wijzen. De rechtbank verwijst daarbij voorts naar de arresten van de Hoge Raad van 15 februari 1983 ( NJ 1983, 448) en 12 april 1983 ( NJ 1983, 569), waarin hij heeft beslist dat een verdachte niet behoeft te worden medegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek met betrekking tot de uitslag van een bloedproef (of urineproef). Betwist een verdachte echter het resultaat van de ademanalyse dan moet een opsporingsambtenaar de verdachte wel wijzen op de mogelijkheid van het tegenonderzoek (zie onder meer het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 21 november 1997, NJ 1998, 140). Verdachte heeft de uitslag van de ademanalyse niet ondubbelzinnig betwist. Verdachte heeft bij de politie immers op geen enkele wijze de uitslag van de ademanalyse ter discussie gesteld. Zij heeft slechts gemeld dat zij die avond twee glazen wijn op had. Deze opmerking kan niet gelden als een ondubbelzinnige betwisting van de uitkomst van de ademanalyse zodat de politie, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, verdachte niet hoefde te wijzen op het recht op een tegenonderzoek. Het uitblijven van een mededeling van die aard leidt derhalve niet tot ongeldigheid van het bloedonderzoek. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat: zij op 2 januari 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 855 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 6 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten. 7 De strafoplegging 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur