Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-10-11
ECLI:NL:RBDHA:2017:11757
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 11 oktober 2017 in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/515498 / HA ZA 16-882 van de naamloze vennootschap HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V. , gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat mr. G.J.R. Kalsbeek te Rotterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V.I] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaat mr. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. II] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaat mr. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DETOMA B.V. , gevestigd te Leiden, gedaagde, advocaat mr. M.W. Witte te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad, 4. [A] , wonende te [woonplaats 1] , gedaagde, advocaat mr. M.W. Witte te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad, 5. [B] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. M.W. Witte te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad, en in de (vrijwartings)zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/522579 / HA ZA 16-1336 van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V.I] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. II] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat mr. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DETOMA B.V. , gevestigd te Leiden, 2. [A] , wonende te [woonplaats 1] , 3. [B] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat mr. M.W. Witte te Koog aan de Zaan. Partijen zullen hierna afzonderlijk HDI, [B.V.I] , [B.V. II] , Detoma, [A] en [B] genoemd worden. Met [B.V.I c.s.] worden hierna gedaagden sub 1 en 2 in de hoofdzaak, eiseressen in conventie/verweersters in reconventie in de vrijwaringszaak, gezamenlijk aangeduid. Met Detoma c.s. worden hierna Detoma, [A] en [B] gezamenlijk aangeduid. 1 De procedure in de hoofdzaak 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in het incident van 19 oktober 2016; de conclusie van antwoord van [B.V.I c.s.] , met producties; de conclusie van antwoord van [A] en Detoma, met producties; de conclusie van antwoord van [B] , met producties; het tussenvonnis van 14 december 2016, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft gelast; de brief van mr. Verhaar namens HDI van 24 mei 2017, met producties; het proces-verbaal van comparitie van 8 juni 2017. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 1.3. Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele onjuistheden per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt, HDI bij brief van 28 juni 2017, [B.V.I c.s.] bij brief van 3 juli 2017 en Detoma c.s. bij brief van 4 juli 2017. Deze correspondentie maakt onderdeel uit van het procesdossier. 2 De procedure in de vrijwaringszaak 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 22 november 2016, met producties; de conclusie van antwoord in vrijwaring tevens houdende eis in reconventie, met producties; het tussenvonnis van 14 december 2016, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft gelast; de conclusie van antwoord in reconventie; het proces-verbaal van de comparitie van 8 juni 2017. 2.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2.3. Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele onjuistheden per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt, [B.V.I c.s.] bij brief van 3 juli 2017 en Detoma c.s. bij brief van 4 juli 2017. Deze correspondentie maakt onderdeel uit van het procesdossier. 3 De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 3.1. HDI is een verzekeraar gespe Op 19 juli 2007, 15:47 uur, is vanaf het adres “ [email adres 2] ” een e-mailbericht gestuurd naar het adres “ [email adres 4] ” met als bijlage een aantal facturen van Detoma aan [B.V.I c.s.] 3.15. Op 22 juli 2007, 11:54 uur heeft [A] aan [D] (hierna: [D] ), werkzaam bij KPMG, een e-mailbericht gestuurd. Dit e-mailbericht vermeldt onder meer het volgende: “Zoals besproken willen wij u beleefd verzoeken alle correspondentie aan zowel info@detoma.nl dan wel [email adres 2] te richten.” 3.16. Op 23 mei 2008, 10:19 uur, heeft [D] vanaf zijn adres [email adres 3] een e-mailbericht gestuurd naar de adressen “info@detoma.nl” en “ [email adres 2b] ” Het e-mailbericht vermeldt onder meer het volgende: “Geachte heer [B] , Op dit moment zij wij aan de slag voor het opstellen van jaarrekening en de aangifte vennootschapsbelasting van Detoma voor 2007. Naar aanleiding hiervan hebben wij nog een aantal vragen (…) Bij voorbaat dank voor uw reactie.” 3.17. Per 1 mei 2012 is [C] in dienst getreden bij HDI. 3.18. Naar aanleiding van een aangifte door HDI heeft de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder meer [A] en [B] in verband met het vermoeden van onder meer valsheid in geschrifte, verduistering in dienstbetrekking en witwassen. Daarnaast heeft de FIOD ook een strafrechtelijk onderzoek gestart naar Detoma in verband met het vermoeden van onder meer valsheid in geschrifte, niet-ambtelijke omkoping, oplichting en witwassen. 3.19. Op 2 april 2015 heeft de heer [E] (hierna: [E] ), op dat moment controller bij [B.V.I c.s.] , onder meer het volgende verklaard: “ Het betalen van een fee is in onze branche een normale gang van zaken, vandaar dat ik daar ook niet vreemd tegenaan kijk. Uit de contacten die ik met de heer [C] had hierover was het mij duidelijk dat de directie van HDI (de heer [B] jr. en later de heer [F] ) op de hoogte waren van de afspraak met de heer [A] sr. over de doorberekening van de fee aan HDI. Hierover werd binnen ons bedrijf niet geheimzinnig gedaan. ” 3.20. Op 23 juni 2015 heeft de FIOD [B] verhoord. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal vermeldt onder meer het volgende: “ Vraag verbalisanten: Wiens idee is het geweest om Detoma op te richten en door wie is Detoma opgericht? Antwoord gehoorde: Detoma is opgericht door [A] senior in combinatie met iemand, waarmee hij zat te praten over de vraag “wat doe je als je gepensioneerd bent”. Dat was een accountant of zo. Dat is mij zo verteld door senior. Ook door [Q] is dat zo neergelegd. En dan kun je zeggen dat ik twee petten op heb en dat ik me rot kan lachen om het geld dat daar bij Detoma binnen komt. Maar je kunt het ook anders zien. Senior rommelt zijn dingetje lekker aan. Maar ik had daar geen invloed op. Als je beweert dat ik prijzen heb beïnvloed, dat prijzen hoger zijn gemaakt, dan ben ik heel stellig: het waren gescheiden trajecten. De prijsafspraken tussen HDI en de leveranciers stonden helemaal los van de afspraken tussen de leveranciers en Detoma. Ik ben er nooit bij betrokken geweest dat de prijzen aan HDI beïnvloed zouden zijn in de van dat de prijzen zijn verhoogd om door te sluizen naar Detoma.” 3.21. Op of rond 8 december 2015 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen de heer [G] , (thans) genereal counsel bij HDI (hierna: [G] ), enerzijds en [X] , [E] en de advocaat van [B.V.I c.s.] anderzijds. Na deze bespreking heeft [G] een e-mailbericht gestuurd aan [X] , waarin onder meer het volgende is vermeld: “ Dank voor de vriendelijke ontvangst en bespreking bij u op kantoor. Ten behoeve van u en mij zet ik de belangrijkste punten die wij hebben besproken op een rijtje: Uw controller (dhr. [E] ), uw advocaat (mr. [advocaat ] ) en uzelf hebben uitgelegd dat [B.V. II] (VDL) volledig te goeder trouw is geweest wat betreft de facturen van Detoma aan VDL, waarbij bemiddelingsprovisie in rekening werd gebracht à 15% over iedere opdracht van HDI aan VDL. Van uw kant is ook gezegd dat u er niet mee bekend Er waren nooit problemen in de relatie tussen HDI en [B.V.I c.s.] . De fee van Detoma bedroeg 15% van de omzet die [B.V.I c.s.] bij HDI maakte per event. Ik wist niet dat [A] senior commissaris was bij HDI. Dit wist ik pas in 2013. ” 4 Het geschil in de hoofdzaak 4.1. HDI vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair: I [B.V.I] , [B.V. II] , Detoma, [A] en [B] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan HDI van € 502.926,43, althans wat [B.V.I c.s.] betreft een bedrag van € 173.702,50 te betalen door [B.V.I] en een bedrag van € 329.224,38 te betalen door [B.V. II] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2013, althans de dag van dagvaarding; II [B.V.I] , [B.V. II] , Detoma, [A] en [B] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen twee weken na dagtekening van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan; subsidiair (als [B.V.I c.s.] niet aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad maar de overeenkomsten met HDI wel nietig worden geacht): III zoals vermeld onder I en II; meer subsidiair: (als [B.V.I c.s.] niet aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad en evenmin sprake is van nietige overeenkomsten met HDI): IV de overeenkomsten tussen HDI en [B.V.I c.s.] waarbij betaling van steekpenningen aan Detoma heeft plaatsgevonden (zijnde alle overeenkomsten vanaf 2006) vernietigt wegens dwaling; V zoals vermeld onder I en II. 4.2. Aan deze vorderingen legt HDI, samengevat, de volgende stellingen ten grondslag. 4.2.1. Als primaire grondslag geldt dat [B.V.I c.s.] en Detoma c.s. uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens HDI, nu zij door middel van een kick back-constructie HDI financieel hebben benadeeld. Kort gezegd zijn er door [B.V.I c.s.] op verzoek van [A] , die destijds commissaris van HDI was, substantiële bedragen (steekpenningen) betaald aan Detoma, een entiteit die bestuurd wordt door [A] en waarbij hij en (onder meer) [B] belangen hebben, met het oog op het (blijven) verkrijgen van opdrachten van HDI door [B.V.I c.s.] [B] wist van de kick back-constructie en heeft daarbij ook geholpen, terwijl hij bestuurder was van HDI. [B.V.I c.s.] hebben de aan Detoma betaalde bedragen doorberekend aan HDI. [B.V.I c.s.] en Detoma c.s. hebben met deze kick-backconstructie gehandeld in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en in strijd met een wettelijke plicht, te weten artikel 328ter Sr. (omkoping), titel XXXA Sr (witwassen) en artikel 225 Sr (valsheid in geschrift). De aansprakelijkheid van [A] kan ook worden gebaseerd op onbehoorlijk toezicht (artikel 2:9 in samenhang met artikel 2:149 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De aansprakelijkheid van [B] kan ook worden gebaseerd op onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 BW). Een subsidiaire grondslag voor de vordering tegen Detoma is ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). 4.2.2. Subsidiair beroept HDI zich op de nietigheid (artikel 3:40 lid 1 BW) van de door haar met [B.V.I c.s.] gesloten overeenkomsten, nu zij tot stand zijn gekomen met betaling van steekpenningen. 4.2.3. Meer subsidiair vordert HDI vernietiging van deze overeenkomsten op grond van dwaling. Als HDI destijds geweten had dat een deel (15%) van de prijs die HDI betaalde door [B.V.I c.s.] op verzoek van [A] werd betaald aan Detoma, was HDI die overeenkomsten niet, althans niet op die voorwaarden, aangegaan. Gelet op het commissariaat van [A] hadden [B.V.I c.s.] het bestuur van HDI (niet zijnde [B] ) hierover moeten inlichten. 4.3. [B.V.I c.s.] betwisten dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens HDI en voeren hiertoe, kort samengevat, het volgende aan. Er is geen sprake geweest van kickback- betalingen, maar van vergoeding voor daadwerkelijke bemiddeling door [A] . Bovendien zijn bemiddelingsfees van 10 tot 15% gebruikelijk in de evenementenbranche. Na het vertrek van [A] als bestuurder was het voor [B.V [B.V.I c.s.] vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair: I Detoma, [A] en [B] hoofdelijk veroordeelt om aan [B.V.I c.s.] te betalen waartoe [B.V.I c.s.] in de hoofdzaak jegens HDI mocht worden veroordeeld; voorwaardelijk, indien de in de hoofdzaak ingestelde vordering tot vernietiging op grond van dwaling mocht worden toegewezen: subsidiair: II de overeenkomst(en) tot stand gekomen tussen [B.V.I c.s.] en Detoma, en [A] en [B] , op grond waarvan Detoma bemiddelingsvergoedingen heeft gefactureerd en [B.V.I c.s.] deze hebben voldaan, te vernietigen op grond van dwaling; III Detoma, [A] en [B] , althans Detoma veroordeelt tot betaling van al hetgeen zij onverschuldigd van [B.V.I c.s.] hebben ontvangen, namelijk € 502.926,43, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente, vanaf datum betalingen, althans vanaf 22 november 2016; primair en subsidiair: IV Detoma, [A] en [B] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten van de vrijwaring, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis, indien de proceskosten niet voordien zijn voldaan. 4.9. Aan deze vorderingen leggen [B.V.I c.s.] , samengevat, de volgende stellingen ten grondslag. Indien de rechtbank in de hoofdzaak oordeelt dat Detoma c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens HDI, dan geldt dat eveneens in de rechtsverhouding tussen [B.V.I c.s.] en Detoma c.s. In dat geval hebben Detoma c.s. een constructie in het leven geroepen en toegepast die [B.V.I c.s.] schade heeft berokkend, ten belope van de bedragen die HDI van [B.V.I c.s.] vordert. Indien de rechtbank in de hoofdzaak het beroep op dwaling honoreert, dan geldt in de rechtsverhouding tussen [B.V.I c.s.] en Detoma c.s. dat laatstgenoemden hebben verzuimd mee te delen dat HDI onbekend was met de bemiddelingsvergoeding en daarvoor geen toestemming had verleend. Daarnaast hebben Detoma c.s. verzuimd [B.V.I c.s.] in te lichten over de (sleutel)rol en de posities van [A] . en [B] in de diverse verhoudingen. Bij een juiste voorstellig van zaken zouden [B.V.I c.s.] de overeenkomst met Detoma niet zijn aangegaan, althans niet onder dezelfde voorwaarden. Daarom dient die overeenkomst te worden vernietigd op grond van dwaling en vordert [B.V.I c.s.] terugbetaling. Er is sprake van hoofdelijkheid omdat naast Detoma de dwaling aan [A] kan worden toegerekend en ook aan [B] , die certificaathouder van Detoma is. 4.10. Detoma c.s. voeren verweer. 4.11. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 4.12. Detoma c.s. vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I [B.V.I] veroordeelt om aan Detoma c.s. te betalen al hetgeen Detoma c.s., vanwege een veroordeling in de hoofdzaak, aan HDI moeten betalen, met een maximum van € 173.702,05, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van betaling door Detoma c.s. aan HDI; II [B.V. II] veroordeelt om aan Detoma c.s. te betalen al hetgeen laatstgenoemden vanwege een veroordeling in de hoofdzaak aan HDI moeten betalen, met een maximum van € 392.224,38, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van betaling door Detoma c.s. aan HDI; III [B.V.I c.s.] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure in het incident en de vrijwaringszaak, met de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis, indien de proceskosten niet voordien zijn voldaan. 4.13. Aan deze vorderingen leggen Detoma c.s., samengevat, ten grondslag dat indien de rechtbank in de hoofdzaak Detoma c.s. veroordeelt tot betaling, de toerekenbare tekortkoming van [B.V.I c.s.] in de nakoming van hun verbintenis jegens Detoma en de onrechtmatige daad van [B.V.I c.s.] jegens Detoma c.s. vaststaat, omdat [B.V.I c.s.] in dat geval hun afspraak met Detoma om de 15% fee die zij aan Detoma betaalden, niet bij HDI in rekening te brengen, niet zijn nagekomen. 4.14. [B.V.I c.s.] voeren verweer. Als [B.V.I c.s.] , zoals HDI stelt, de fee in hun offertes aan HDI hebben doorberekend, zonder dat dit voor HDI kenbaar was, acht de rechtbank van belang dat het doorberekenen van een dergelijke fee aan de opdrachtgever niet zonder meer als ongebruikelijk kan worden aangemerkt, omdat de fee behoort tot de door de opdrachtnemer in dit verband gemaakte kosten. Dit geldt ook indien de fee als zodanig niet op de rekening is vermeld. Enkel dit doorberekenen door [B.V.I c.s.] kan, als daarvan in dit geval sprake is geweest, dan ook niet als een onrechtmatig handelen van [B.V.I c.s.] jegens HDI worden aangemerkt. Gelet op dit oordeel, gaat de rechtbank voorbij aan de stellingen van [B.V.I c.s.] dat zij de fee niet hebben doorberekend. 5.5. Met betrekking tot het beroep van HDI op de door haar genoemde strafrechtelijke bepalingen overweegt de rechtbank dat niet is gesteld of gebleken dat [B.V.I c.s.] strafrechtelijk zijn veroordeeld. Gelet hierop en op hetgeen de rechtbank overigens heeft overwogen, heeft HDI onvoldoende concreet toegelicht dat [B.V.I c.s.] in strijd hebben gehandeld met de door HDI genoemde strafrechtelijke bepalingen. onverschuldigde betaling op grond van nietigheid/vernietigbaarheid overeenkomsten? 5.6. Gelet op hetgeen met betrekking tot de primaire grondslag onrechtmatige daad is overwogen en beslist, kunnen de door [B.V.I c.s.] aan Detoma betaalde fees, voor wat betreft [B.V.I c.s.] c.s, niet worden aangemerkt als steekpenningen (artikel 328ter Sr). Reeds hierom strandt het beroep op nietigheid (artikel 3:40 lid 1 BW) van de tussen [B.V.I c.s.] en HDI gesloten overeenkomsten. 5.7. Met betrekking tot het beroep op dwaling maakt de rechtbank uit de stellingen van HDI op dat zij [B.V.I c.s.] verwijt hun mededelingsplicht (artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder b BW) te hebben geschonden. HDI stelt immers dat [B.V.I c.s.] , gezien het commissariaat van [A] , het bestuur van HDI (niet zijnde [B] ) hadden moeten inlichten over het feit dat 15% van de prijs die HDI aan [B.V.I c.s.] betaalde, werd doorbetaald aan Detoma. Deze stelling houdt geen stand, nu niet is komen vast te staan dat [B.V.I c.s.] wisten van de positie van [A] en nu het doorberekenen van de fee, zo daarvan sprake is geweest, niet als ongebruikelijk kan worden aangemerkt. Hierop strandt het beroep op dwaling. slotsom vorderingen jegens [B.V.I c.s.] 5.8. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de vorderingen jegens [B.V.I c.s.] zullen worden afgewezen. vordering jegens [A] artikel 2:149 in samenhang met artikel 2:9 BW 5.9. Als commissaris diende [A] toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in HDI en de met haar verbonden onderneming en hij diende het bestuur met raad ter zijde te staan, waarbij hij bij de vervulling van zijn taak zich diende te richten naar het belang van HDI en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:140 lid 2 BW). 5.10. In dit geval heeft [A] echter niet het belang van HDI vooropgesteld, maar zijn persoonlijk belang. Het namens zijn vennootschap Detoma aangaan en uitvoeren van de overeenkomst met [B.V.I c.s.] , terwijl hij commissaris was bij HDI, zonder dat deze vennootschap daarvan op de hoogte is gesteld, laat staan daarmee heeft ingestemd, is in strijd met hetgeen HDI van [A] als commissaris mocht verwachten. [A] had, ook afgezien van de bij HDI destijds geldende Gedragscode, zonder meer behoren te beseffen dat sprake was van ontoelaatbare verstrengeling van het belang van HDI en zijn eigen belang door zich door een bestaande relatie van HDI, [B.V.I c.s.] , te laten betalen om zijn invloed aan te wenden met het oog op het behoud van opdrachten voor [B.V.I c.s.] Dit geldt ook, nu Detoma en [A] , zoals zij hebben gesteld, voor de van [B.V.I c.s.] ontvangen bedragen geen werkzaamheden hebben verricht. De rechtbank is van oordeel dat [A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat hij op grond van onbehoorlijk taakuitoefening als commissaris aansprakelijk is jegens HDI (artikel HDI heeft in het e-mailbericht van 8 december 2015 een gesprek met onder meer [X] en [E] van 8 december 2015 bevestigd en geschreven dat [B.V.I c.s.] tijdens dit gesprek hebben gezegd dat de fee aan HDI is doorberekend. In het procesdossier bevindt zich geen e-mailbericht waarin [B.V.I c.s.] de inhoud van het e-mailbericht van 8 december 2015 weerspreken. Voorts hebben twee medewerkers van [B.V.I c.s.] verklaard dat de fee is doorberekend: [E] op 2 april 2015 bij de FIOD en [C] onder ede op 2 december 2016 bij de rechter-commissaris. Gelet op de inhoud van het e-mailbericht van 8 december 2015 en gelet op de verklaringen, van [C] en van [E] heeft [A] onvoldoende weersproken dat [B.V.I c.s.] de fee aan HDI hebben doorberekend. De conclusie van antwoord van [A] is op dit punt tegenstrijdig, nu hij zich enerzijds afvraagt of [B.V.I c.s.] de fee aan Detoma hebben doorberekend en hij anderzijds aanvoert dat HDI en [B.V.I c.s.] zaken bleven doen nadat HDI wel op de hoogte was van de 15% opslag. Tijdens de comparitie van partijen heeft Detoma c.s. enkel, zonder nadere toelichting, verwezen naar de ontkenning van [B.V.I c.s.] op dit punt en naar de stelling dat de marge voor [B.V.I c.s.] bij HDI lager was. Tegenover de e-mail van 8 december 2015 en de concrete verklaringen van [C] en [E] op dit punt is dit onvoldoende. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat [C] op het tijdstip van de verklaring in dienst was bij HDI onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat zijn verklaring dus onbetrouwbaar is. [C] stond immers onder ede en bovendien heeft [E] een gelijkluidende verklaring afgelegd. Derhalve staat tussen HDI en [A] vast dat [B.V.I c.s.] de fees hebben doorberekend aan HDI en daarmee staat tevens vast dat HDI tot het bedrag van de fee schade heeft geleden. Zonder tussenkomst van [A] was [B.V.I c.s.] immers niet genoodzaakt geweest een fee aan HDI door te belasten. 5.18. De omstandigheid dat [A] mogelijk met [B.V.I c.s.] heeft afgesproken dat zij de fee niet zouden doorbelasten aan HDI en [A] derhalve stelt niet te hebben gewild dat HDI deze schade leed, doet aan dit oordeel niet af. Immers als deze afspraak is gemaakt, is deze geschonden en heeft HDI de schade geleden. Deze schade is aan [A] toe te rekenen, nu hij de afspraken met [B.V.I c.s.] heeft gemaakt en hij zich had moeten realiseren dat [B.V.I c.s.] zich mogelijk niet aan de afspraak over de niet doorberekening zou houden, waardoor HDI schade zou lijden. Dit alles nog afgezien van het antwoord op de vraag of [A] überhaupt alleen tot het betalen van schadevergoeding kan worden veroordeeld als [B.V.I c.s.] de fee aan HDI hebben doorberekend. Nu in deze procedure is komen vast te staan dat [B.V.I c.s.] de fee hebben doorberekend, hoeft de rechtbank hierop niet nader in te gaan. 5.19. Ook zijn stelling dat HDI de fees heeft betaald en kennelijk vond dat zij waar voor haar geld kreeg, kan [A] niet baten. Het mag dan wel zo zijn dat HDI tot betaling bereid was, maar het zal zeker niet haar bedoeling zijn geweest dat enig gedeelte van haar betaling bij Detoma/ [A] terecht zou komen en het behoeft geen betoog dat zij de, in de van [B.V.I c.s.] ontvangen facturen inbegrepen, fee niet zou hebben betaald, als zij hiervan wetenschap had gehad. De omstandigheid dat HDI niet heeft aangetoond dat zij de diensten elders voor minder kon krijgen is niet relevant. Zij had de diensten bij [B.V.I c.s.] goedkoper kunnen krijgen, als [A] geen fee was overeengekomen. Het had op de weg van [A] , als commissaris van HDI, gelegen voor HDI te realiseren dat zij minder hoefde te betalen. 5.20. Het betoog van [A] dat niet alle facturen van Detoma aan [B.V.I c.s.] zijn te koppelen aan de facturen van [B.V.I c.s.] aan HDI heeft [A] onvoldoende toegelicht, nu niet is gesteld of gebleken dat Detoma ten behoeve van [B.V.I c.s.] werkzaamheden heeft verricht bij een andere partij dan HDI en [B.V.I c.s.] dit ook uitdrukkelijk hebben ontkend. 5.21. Met betrekking tot het betoog van [A] dat door [B.V.I c.s.] in De rechtbank is van oordeel dat, als [B] een en ander zou hebben gedaan, de feebetalingen van [B.V.I c.s.] aan Detoma zouden zijn gestopt en HDI bij [B.V.I c.s.] of bij een derde financieel gunstigere contracten voor de evenementen had kunnen uitonderhandelen. Dit nalatig handelen van [B] levert een ernstig persoonlijk verwijt op als bedoeld in artikel 2:9 BW. 5.27. Op het beroep van [B] op décharge is van overeenkomstige toepassing hetgeen de rechtbank onder 5.13 heeft overwogen. Ten aanzien van het betoog van [B] dat niet alle facturen van Detoma aan [B.V.I c.s.] zijn te koppelen aan de facturen van [B.V.I c.s.] aan Detoma aan [B.V.I c.s.] verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 5.20 heeft overwogen. Het BTW-verweer stuit af op hetgeen de rechtbank onder 5.21 heeft overwogen. 5.28. Op het verjaringsverweer van [B] is van overeenkomstige toepassing hetgeen de rechtbank onder 5.15 en 5.16 heeft overwogen, met dien verstande dat ook [B] , gelet op hetgeen onder 5.26 is overwogen, een ernstig verwijt treft dat hij HDI niet heeft ingelicht over hetgeen hij wist of heeft kunnen weten over de feebetalingen door [B.V.I c.s.] aan Detoma. Het verweer wordt dus verworpen. schade 5.29. Ook ten opzichte van [B] staat vast dat [B.V.I c.s.] de aan Detoma betaalde fees hebben doorberekend aan HDI. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij onder 5.17 en 5.18 heeft overwogen. Enige verschil is dat [B] in zijn conclusie van antwoord op dit punt enerzijds heeft geschreven dat [B.V.I c.s.] de fee hebben doorberekend en anderzijds heeft aangevoerd dat het ervoor moet worden gehouden dat de fee aan Detoma enkel de marge van [B.V.I c.s.] heeft verkleind. Dit maakt de conclusie van de rechtbank op dit punt niet anders. Voorts heeft ten opzichte van [B] te gelden, hetgeen de rechtbank onder 5.26 al heeft overwogen. 5.30. Het voorgaande leidt ertoe dat [B] naast [A] en Detoma hoofdelijk aansprakelijk is jegens HDI tot een bedrag gelijk aan de factuurbedragen, die Detoma bij [B.V.I c.s.] in rekening heeft gebracht. Hierop dient wel een bedrag van € 29.139,53 in mindering te worden gebracht. Dit betreft betalingen van [B.V.I c.s.] aan Detoma voor juli 2007, terwijl de stellingen van HDI erop neer komen dat [B] pas vanaf juli 2007 op de hoogte was van de door Detoma verstuurde facturen aan onder meer [B.V.I c.s.] Bij een melding hiervan aan HDI, had [B] betalingen vóór juli 2007 niet kunnen voorkomen. slotsom 5.31. De slotsom in de hoofdzaak is dus dat de vordering jegens [B.V.I c.s.] wordt afgewezen en dat de (primaire) vordering tot hoofdelijke veroordeling van Detoma, [A] en [B] tot betaling aan HDI van € 502.926,43 – € 29.139,53 = € 473.786,90 wordt toegewezen, evenals de niet weersproken vordering met betrekking tot de wettelijke rente. Voorts zullen [A] en Detoma ook nog worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 29.139,53 vermeerderd met wettelijke rente. hoofdelijkheid 5.32. Detoma en [A] zijn ieder verantwoordelijk voor het gehele bedrag van de door HDI gestelde schade en [B] voor het onder 5.31 genoemde bedrag van € 473.786,90. De vordering tot hoofdelijke veroordeling van Detoma c.s. kan dan ook worden toegewezen. proceskosten 5.33. Bij deze uitkomst past dat HDI wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [B.V.I c.s.] , tot op heden (in de hoofdzaak en in het incident) begroot op € 9.515, waarvan € 3.903 aan griffierecht en € 5.612 aan salaris advocaat (twee punten à € 2.580, volgens tarief VII en één punt à € 452, volgens tarief II), te vermeerderen met de door [B.V.I c.s.] daarover gevorderde wettelijke rente. Daarnaast worden Detoma c.s. hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van HDI, tot op heden begroot op € 9.285,04, waarvan € 3.903 aan griffierecht, € 222,04 aan deurwaarderkosten en € 5.160 aan salaris advocaat (twee punten à € 2.580, volgens tarief VII), te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente. Voor de door HDI gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de ko