Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-10-11
ECLI:NL:RBDHA:2017:11654
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team kanton zaaknummer / rolnummer: C/09/4926508 / RL EXPL 16-8603 Vonnis van 11 oktober 2017 in de zaak van de naamloze vennootschap TVM VERZEKERINGEN N.V., tevens handelend onder de naam SON Scheepsverzekeringen, gevestigd te Hoogeveen, eiseres, advocaat: mr. J. Blussé van Oud-Albas, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU) , zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J. Hu. Partijen zullen hierna SON en de Staat genoemd worden. 1 De procedure 1.1. De procedure blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding met producties van 21 januari 2016; de conclusie van antwoord met producties; het vonnis waarbij een comparitie van partijen is gelast; het proces-verbaal van de op 17 februari 2017 gehouden comparitie na antwoord. 1.2. Tot slot is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald 2 De feiten 2.1. In de ochtend van 24 juni 2014, tussen 8.00 uur en 9.00 uur, is het door SON verzekerde en aan [de verzekerde] (hierna: verzekerde) in eigendom toebehorende motorvrachtschip “ [motorvrachtschip X] ” (hierna: de [motorvrachtschip X] ) aan bakboordzijde aan de grond gelopen op de Geldersche IJssel bij De Steegh, ter hoogte van kmr. 891. Ten tijde van het voorval was de minst gepeilde diepte (MGD) ter plaatse 2,40 meter. 2.2. De [motorvrachtschip X] is volgens de meetbrief van de ILT 66,98 meter lang en 8,20 meter breed, met een diepgang bij grootste inzinking van 2,52 meter. Ten tijde van het voorval was de [motorvrachtschip X] beladen met 900 ton en lag zij 2,46 meter diep. 2.3. Het proces-verbaal van verhoor van de als verdachte gehoorde schipper vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende: “ Gister (maandag 23 juni) zag ik dat de MGD 2.50 meter was. Ik heb dat op teletekst gezien. Vanochtend om 6.00 uur ben ik begonnen met laden. De MGD van vandaag stond er toen nog niet op. Door ervaring weet ik dat het minder was. Ik heb toen besloten om tot 2.40 meter te gaan. Om half 9 stond de MGD er pas op, maar toen zat ik vast. Hij stond toen op 2.40 meter. Ik had op 5 centimeter gerekend, maar het waren er 10. Tijdens de vaart heb ik er wel rekening mee gehouden.” 2.4. De [motorvrachtschip X] kon niet op eigen kracht loskomen. Op initiatief van SON is sleep- en bergingsbedrijf FBT (hierna: FBT) ingeschakeld. FBT heeft de sleepboot ‘Flumar’ ingezet. Deze arriveerde om 15.20 uur en ving om 15.37 uur aan met haar werkzaamheden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kwam de [motorvrachtschip X] gedeeltelijk dwars te liggen, waardoor schepen langer dan 80 meter niet meer langs de [motorvrachtschip X] konden varen. Kortere schepen konden onder begeleiding langs de [motorvrachtschip X] varen. RWS heeft de RWS 30 en de RWS 44 ingezet voor begeleiding van het scheepvaartverkeer. 2.5. Nadat de [motorvrachtschip X] was losgetornd heeft de Staat de bodem van de vaarweg gepeild. Daarbij bleek dat door het vastvaren en het lostornen van de [motorvrachtschip X] een ondiepte van ongeveer twee meter was ontstaan in het midden van de vaarweg. FBT heeft deze oneffenheid in de bodem op 25 juni 2014 op aanwijzing van de Staat met behulp van het kraanschip ‘Hebbes’ weggehaald. Tijdens de werkzaamheden was ter plaatse sprake van een algehele stremming van het scheepvaartverkeer en heeft de Staat materieel en personeel ingezet om het scheepvaartverkeer te begeleiden. 2.6. SON heeft € 8.264,77 ex btw voldaan aan FBT voor het lostrekken van de [motorvrachtschip X] en het weghalen van de oneffenheden in de vaarweg. 2.7. Op 25 juni 2014 heeft SON voor een bedrag van € 23.940 een garantie afgegeven, met als opschrift “ GARANTIE EX ARTIKEL 7.21 WATERWET” (hierna: de garantie). Deze luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “in aanmerking nemende, (...) b. dat deze eigenaar krachtens het bepaalde in artikel 7.21 Waterwet (Wet van 22 december 2009), houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), uit hoofde van de door de SON vordert dat de Staat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeling tot betaling aan TVM van € 16.185,76 met rente, met veroordeling van de Staat in de kosten en de nakosten, met rente. 3.2. SON stelt dat zij € 16.185,76 onverschuldigd heeft betaald, aangezien de kosten buiten de reikwijdte van de garantie vallen en zijn gemaakt ter vervulling van de reguliere uitoefening van de overheidstaak van de Staat. 3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer. 4 De beoordeling Reikwijdte van de afgegeven garantie 4.1. Partijen twisten over de vraag of de onder 2.10 bedoelde kosten waarvoor de garantie is ingeroepen vallen binnen de reikwijdte van de garantie. De rechtbank beantwoord deze vraag bevestigend. Zij overweegt daartoe als volgt. 4.2. De garantie verwijst in de kop naar artikel 7.21 Waterwet (oud, versie geldend voor 1 januari 2016). Deze bepaling voorzag in de bevoegdheid om na een aanvaring zekerheid te verlangen voor verhaal van de kosten wegens schade, toegebracht aan waterstaatswerken in beheer of onderhoud bij een beheerder, waarvoor eigenaren of gebruikers van vaartuigen wettelijk aansprakelijk zijn. Dit artikel biedt een grondslag voor zekerheidstelling door verzekerde voor kostenverhaal door de Staat. 4.3. Niettegenstaande de vermelding in de kop, is de garantie is niet rechtstreeks op deze bepaling gebaseerd. Artikel 7.21 Waterwet geeft geen bevoegdheid ten aanzien van SON, alleen ten aanzien van verzekerde. De garantie vermeldt (in de considerans onder b en c) dat op de voet van artikel 7.21 Waterwet werd verlangd dat verzekerde het geraamde schadebedrag zou betalen. Verzekerde was niet in staat en/of bereid tot betaling, waarop van hem zekerheid ex artikel 7.21 Waterwet is verlangd. Vervolgens heeft SON een eigen verplichting tot zekerheidsstelling op zich genomen (zoals vermeld in de garantie onder 1). SON heeft de garantie dus niet namens verzekerde afgegeven. Met de verplichting tot zekerheidsstelling heeft SON ook een eigenstandige verplichting tot betaling onder de garantie op zich genomen. 4.4. Toen SON de garantie afgaf, had zij reeds opdracht gegeven aan FBT voor de met de ‘Flumar’ en de ‘Hebbes’ uitgevoerde werkzaamheden. De garantie kon dus geen betrekking hebben op de kosten van het lostrekken van de [motorvrachtschip X] en het uitdiepen van de vaarweg. De enige andere activiteiten in verband met het voorval waren de scheepvaartbegeleiding tijdens de werkzaamheden, die een tijdelijke stremming van de Geldersche IJssel veroorzaakten, en de peilwerkzaamheden. Getuige haar opmerking “ de garantie betreft dus alleen de inzet van het Rijkswaterstaatpersoneel en het peilbootje” in haar onder 2.8 geciteerde brief, ging ook SON ervan uit dat de garantie alleen betrekking had op de kosten van het peilen en de scheepvaartbegeleiding. Haar tijdens de zitting gevoerde betoog dat zij nooit een garantie afgeeft voor de kosten van dergelijke werkzaamheden, is in tegenspraak met de inhoud van deze brief. 4.5. Dat de garantie in de kop artikel 7.21 Waterwet noemt, maakt het voorgaande niet anders. Deze bepaling ziet op kostenverhaal op verzekerde, niet op SON, en geeft grondslag om van verzekerde, niet van SON, te verlangen dat een garantie wordt afgegeven. Als professionele scheepsverzekeraar moet SON geacht worden te weten dat artikel 7.21 Waterwet niet rechtstreeks op haar van toepassing is, tenzij zij als gemachtigde van de verzekerde handelt, hetgeen niet aan de orde was. Los daarvan is met zoveel woorden aan de orde geweest tussen partijen dat de door SON afgegeven garantie alleen zag op de kosten van scheepvaartbegeleiding en peilen. De garantie is dus voor deze kosten afgegeven, ook als deze niet vallen binnen de reikwijdte van artikel 7.21 Waterwet. Het geschil daarover kan onbesproken blijven. Kostenverhaal mogelijk in verband met publieke taakuitoefening ? 4.6. Niet ter discussie staat dat de kosten voor scheepvaartbegeleiding en peilen zijn gemaakt ter uitoefening van de publieke taak van