Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-10-11
ECLI:NL:RBDHA:2017:11624
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/519120 / HA ZA 16-1120 Vonnis van 11 oktober 2017 in de zaak van NEW SUSTAINABLE SOLUTIONS B.V. , gevestigd te Den Haag, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. V.L.T. van Roy te Leiden, tegen UW HUISMEESTER PROJECTEN B.V. , gevestigd te Den Haag, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. A. Neophitou te Berghem. Partijen zullen hierna Susteen en UHP genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 12 september 2016 met producties de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie tevens akte houdende provisionele vordering van 25 januari 2017 met producties het comparitievonnis van 22 februari 2017 de conclusie van antwoord in reconventie van 28 augustus 2017 met producties het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 28 augustus 2017. 1.2. Tijdens de comparitie van partijen op 28 augustus 2017 heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan in het incident. De rechtbank heeft de provisionele vordering van UHP tot opheffing van het beslag afgewezen, met bepaling van de kosten in het incident op nihil. Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben daarvan gebruik gemaakt, Susteen bij bericht van 14 september 2017 en UHP bij faxbericht van 14 september 2017. Deze correspondentie maakt onderdeel uit van het procesdossier. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben op 20 april 2015 een raamovereenkomst en daarbij behorende deelovereenkomsten gesloten waarin zij hun afspraken over de uitvoering van het project ‘Collectieve Inkoop Schilderwerk’ (hierna ook: ‘CIS’) voor leden van Vereniging Eigen Huis hebben vastgelegd. Het project CIS hield, op hoofdlijnen, in dat UHP in opdracht van leden van de Vereniging Eigen Huis schilderwerkzaamheden liet uitvoeren, en vervolgens opdracht gaf aan Susteen om de afgeronde schilderwerkzaamheden te keuren, alsmede een ‘onderhoudscheck’ uit te voeren. Susteen ontving per keuring een vergoeding van UHP. Na goedkeuring van het schilderwerk door Susteen kon UHP de factuur voor de schilderwerkzaamheden sturen aan de leden van Vereniging Eigen Huis. 2.2. De raamovereenkomst van 20 april 2015 bevat – voor zover relevant – de volgende bepalingen: “Artikel 1. Duur overeenkomst 1. De overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd. De overeenkomst gaat in op 10 april 2015 en zal van rechtswege eindigen op 31 december 2015, tenzij Partijen besluiten de Overeenkomst te verlengen. (…) Artikel 3. Verplichtingen Susteen (…) 2. Susteen staat ervoor in voldoende capaciteit te hebben om de in de deelovereenkomst(en) genoemde dienstverlening voor UH/VEH uit te voeren c.q. te faciliteren, mits UH een gedegen forecasting doet en campagnes tijdig aanlevert. (…) Artikel 4. Verplichtingen UH (…) 3. (…) UH/VEH zal maandelijks een forecasting voor de promotionele activiteiten in het daaropvolgende kwartaal aanleveren. Zonder de forecasting is Susteen niet gehouden aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 3 lid 2.” 2.3. De deelovereenkomst keuringen van 20 april 2015 bevat – voor zover relevant – de volgende bepalingen: “Artikel 4. Verplichtingen UH (…) 3. UH draagt zorg voor een wekelijkse forecast overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 4 lid 3 (…) van de Raamovereenkomst en overeenkomstig bijlage 13.” 2.4. Bijlage 7 bij de deelovereenkomst keuringen van 20 april 2015 bevat – voor zover relevant – de volgende bepalingen: “Bijlage 7: Tarieven; Susteen kan efficiënt werken bij een minimaal volume van 500 keuringen per maand De vergoeding van Susteen is afhankelijk van het maandelijkse volume volgens onderstaande staffel: < 200 keuringen per maand, € 72,50 (exclusief BTW) > 200 en < 500 keuringen per maand, € 6 Hiervan hebben we er nu 243 binnen waarvan bij ruim 40 klanten het schiderwerk nog niet is afgerond en er dus niet gekeurd kan worden. Kortom, nu 80% van de periode verstreken is is slechts 10 tot 20% van het werk binnen. Wij hebben op basis van de forecast capaciteit ingekocht en afspraken met elkaar gemaakt. Onder andere hebben we afgesproken dat we wekelijks een geupdate forecast ontvangen en dat we minimaal 96.000 euro ontvangen (1500 keuringen) in de periode tm maart.” 2.14. UHP heeft Susteen eveneens op 8 maart 2016 per e-mail – voor zover relevant – het volgende geantwoord: “Op dit moment hebben we nog plusminus 800-850 bonnen uit te voeren, deze status is nu wel volledig duidelijk. (…) Volgens mij liggen de uitgevoerde keuringen hoger dan de door jouw genoemde aantal van 243 stuks. Ik zal morgen deze totalen checken.” 2.15. Susteen heeft op 20 mei 2016 een factuur gestuurd aan UHP voor een bedrag van € 83.712,64 (incl. BTW). Op de factuur heeft Susteen – voor zover relevant – vermeld: “Minimale vergoeding voor de keuringen die worden aangeboden in de periode januari t.m. maart 2016 (op basis van 1500 keuringen). Reeds in rekening gebracht: 419 keuringen a 64 euro. Tegoed: 1081 keuringen a 64 euro.” UHP heeft deze factuur niet betaald. 3 Het geschil in conventie 3.1. Susteen vordert – samengevat – veroordeling van UHP bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan Susteen van een bedrag van € 83.712,64, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 19 juni 2016, subsidiair vanaf 15 juli 2016, meer subsidiair vanaf de datum van dagvaarden, alsmede tot betaling aan Susteen van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.942,05 en de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen. 3.2. Susteen legt aan deze vorderingen ten grondslag dat partijen per 1 november 2015 mondeling nieuwe afspraken hebben gemaakt op grond waarvan Susteen € 64,-- (excl. BTW) per keuring van UHP zou ontvangen en Susteen in de periode van januari tot en met maart 2016 minimaal 1.500 keuringen zou kunnen uitvoeren. UHP heeft in de periode van januari tot en met maart 2016 slechts 419 keuringen aan Susteen aangeboden, zodat Susteen daarnaast nog recht heeft op € 64,-- (excl. BTW) per keuring voor de 1.081 niet-uitgevoerde keuringen, dat wil zeggen op een bedrag van € 69.184,-- excl. BTW (€ 83.712,64 incl. BTW). UHP heeft dit bedrag niet betaald en is vanaf 19 juni 2016 in verzuim. 3.3. UHP betwist dat partijen per 1 november 2015 mondeling nieuwe afspraken hebben gemaakt. UHP stelt dat de raamovereenkomst en deelovereenkomsten van 20 april 2015 nog steeds tussen partijen van kracht waren. UHP is wel akkoord gegaan met de prijs van € 64,-- (excl. BTW) per keuring met ingang van 1 november 2015, maar niet met een minimum van 1.500 keuringen voor de periode van januari tot en met maart 2016. UHP is Susteen derhalve niets verschuldigd. in reconventie 3.4. UHP vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - te verklaren voor recht dat het door Susteen ten laste van UHP gelegde conservatoire beslag onrechtmatig is; - opheffing van het beslag met veroordeling van Susteen tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2016 tot de dag van het vonnis; - veroordeling van Susteen tot betaling aan UHP van, in totaal, € 48.848,31, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf de betaaldata van de facturen, althans vanaf de datum van het vonnis; - veroordeling van Susteen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis; en voorts voorwaardelijk, voor zover de rechtbank in conventie oordeelt dat het derde voorstel van Susteen van 15 november 2015 door partijen is overeengekomen: te verklaren voor recht dat Susteen tekort is geschoten in de alsdan geldende SLA van het derde voorstel van Susteen d.d. 15 november 2015; deze overeenkomst te Susteen schrijft immers: “Kan je nog terugkomen op mijn laatste voorstel en mij een actuele forecast sturen?” Daaruit blijkt niet dat UHP tijdens de bespreking van 25 november 2015 zou hebben ingestemd met het voorstel van Susteen. Het feit dat Susteen wel bij UHP op een bevestiging van haar voorstel heeft aangedrongen, en het uitblijven van een (schriftelijke) reactie daarop van UHP, betekent uiteraard nog niet dat UHP het voorstel heeft aanvaard. In het licht hiervan ontbeert de stelling van Susteen dat tijdens de bespreking van 25 november 2015 overeenstemming is bereikt een toereikende onderbouwing en gaat de rechtbank aan die stelling voorbij. 4.5. Dat ligt evenwel anders voor het door Susteen voorgestelde tarief van € 64,-- (excl. BTW) per keuring, met ingang van 1 november 2015. UHP heeft ter comparitie erkend dat zij daarmee akkoord is gegaan. Vast staat derhalve dat partijen met ingang van 1 november 2015 een tarief van € 64,-- (excl. BTW) per keuring hadden afgesproken. 4.6. Voor het overige heeft Susteen niet gesteld op grond van welke (andere) concrete gedragingen van UHP zij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat UHP ook had ingestemd met het minimum aantal van 1.500 keuringen voor de periode van januari tot en met maart 2016. Het uitblijven van een (schriftelijke) reactie van UHP op het voorstel van Susteen is daarvoor onvoldoende. UHP stelt bovendien dat uit haar e-mail van 4 december 2015 blijkt dat UHP op dat moment al inschatte dat er nog maximaal 1.500 keuringen zouden worden aangemeld vanaf 4 december 2015 tot en met het einde van het project. UHP wist derhalve dat zij het door Susteen voorgestelde minimum waarschijnlijk niet zou gaan halen, en Susteen wist dat ook. Susteen mocht er dus ook om die reden niet van uitgaan dat UHP akkoord was met het door Susteen voorgestelde minimum. In het licht van deze gemotiveerde betwisting van UHP heeft Susteen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld uit welke gedragingen van UHP zij mocht afleiden dat UHP akkoord was met het minimum. De rechtbank stelt dan ook vast dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over een minimum aantal van 1.500 keuringen voor de periode van januari tot en met maart 2016. 4.7. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de vordering van Susteen tot betaling van het bedrag van € 83.712,64 afwijzen. Dientengevolge bestaat ook geen grond voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. 4.8. Susteen zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De door UHP gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is eveneens toewijsbaar. De kosten aan de zijde van UHP worden tot op heden begroot op € 3.717,-- (€ 1.929,-- aan griffierecht en € 1.788,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief IV ad € 894,--)). 4.9. Voor de veroordeling van Susteen in de nakosten, zoals door UHP gevorderd, bestaat geen grond nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL: HR:2010:BL1116, NJ 2011/ 237). in reconventie Beslag 4.10. UHP vordert voor recht te verklaren dat het door Susteen ten laste van UHP gelegde conservatoire beslag onrechtmatig is. 4.11. Een beslag is onrechtmatig gelegd indien de beslaglegger misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het leggen van beslag. Deze vraag moet derhalve worden beoordeeld aan de hand van de criteria die gelden voor misbruik van bevoegdheid als bedoeld in art. 3:13 BW. Daarbij moeten in aanmerking worden genomen de concrete omstandigheden van het geval ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de vordering, de waarde van de beslagen goederen, en de onevenredigheid waarmee de schuldenaar door het beslag in zijn belangen wordt getroffen. Indien de genoemde omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan worden geoordeeld dat een beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt. 4.12. UHP heeft in het incident, ter onderbouwing van haar provisionel Nu er van moet worden uitgegaan dat UHP met het tarief van € 75,-- (excl. BTW) per keuring heeft ingestemd, kan haar beroep op onverschuldigde betaling niet slagen. 4.18. UHP heeft subsidiair aangevoerd dat zij de facturen heeft betaald omdat zij onder druk werd gezet door Susteen, die gebruik maakte van haar wetenschap dat UHP in een penibele financiële situatie verkeerde en afhankelijk was van de keuringen van Susteen om de betalingen voor de schilderwerkzaamheden te kunnen ontvangen van de leden van Vereniging Eigen Huis. De afspraken rond 28 juli 2015 moeten op grond van misbruik van omstandigheden worden vernietigd. Susteen heeft gemotiveerd betwist dat zij misbruik zou hebben gemaakt van de omstandigheden waarin UHP verkeerde. Susteen stelt dat beide partijen professioneel en gelijkwaardig waren, en dat UHP de facturen desnoods onder protest had kunnen betalen. 4.19. Misbruik van omstandigheden, zo volgt uit artikel 3:44 lid 4 BW, bestaat uit het gebruik maken door de ene partij van de omstandigheden waarin de wederpartij verkeerde, waardoor zij die wederpartij heeft gebracht tot het aangaan van een overeenkomst, welke de wederpartij, als zij niet in die omstandigheden had verkeerd, wegens de daaraan voor haar verbonden nadelen, niet zou hebben gesloten. Nu UHP zich beroept op misbruik van omstandigheden door Susteen, rust op UHP de stelplicht en de bewijslast terzake. 4.20. UHP heeft ter comparitie onder meer verklaard dat de nieuwe afspraak – dat wil zeggen de verhoging van het tarief naar € 75,-- (excl. BTW) – leidde tot € 2,50 extra per keuring, en dat de belangen voor haar te groot waren om moeilijk te doen over deze extra kosten. Als de factuur niet werd betaald, zou de dienstverlening per direct stoppen. UHP stond met de rug tegen de muur. Er is wel geprotesteerd tijdens telefoongesprekken en besprekingen, aldus UHP. Susteen heeft gesteld en ter comparitie nader toegelicht dat zij het tarief heeft verhoogd naar € 75,-- (excl. BTW) wegens het ontbreken van correcte forecasts. Susteen had op basis van de raamovereenkomst en de daarbij behorende deelovereenkomsten van 20 april 2015 experts ingezet die geen omzet konden genereren, maar die wel moesten worden betaald. Susteen heeft om die reden onder meer een verhoging van het tarief naar € 75,-- (excl. BTW) als voorwaarde gesteld voor voortzetting van het project. 4.21. De rechtbank is van oordeel dat UHP weliswaar afhankelijk was van Susteen voor het uitvoeren en slagen van het project, maar dat dat nog niet meebrengt dat UHP in dermate bijzondere omstandigheden verkeerde dat Susteen daar misbruik van heeft gemaakt door de tariefsverhoging als voorwaarde te stellen voor voortzetting van het project. UHP heeft geen omstandigheden gesteld die in de weg staan aan het oordeel van de rechtbank dat beide partijen professioneel en gelijkwaardig moeten worden beschouwd. Mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door Susteen heeft UHP, door slechts te stellen dat Susteen wist van de penibele financiële situatie van UHP en haar afhankelijkheid van de afgeronde keuringen door Susteen en desalniettemin het tarief met € 2,50 verhoogde naar € 75,-- (excl. BTW) per keuring, onvoldoende onderbouwd waaruit de bijzondere omstandigheden aan de zijde van UHP en het misbruik daarvan door Susteen zouden bestaan. Bij deze stand van zaken is er geen plaats voor bewijslevering door getuigen, en zal de rechtbank de vordering van UHP tot vernietiging van de tariefafspraak van € 75,-- (excl. BTW) per keuring en terugbetaling van het bedrag van € 23.691,80, afwijzen. 4.22. Ook het beroep op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid kan, gelet op het voorgaande, niet slagen. 4.23. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ook de wettelijke rente, voor zover over dit bedrag gevorderd, afwijzen. Hoofdsom 2: € 9.810,68 4.24. UHP vordert veroordeling van Susteen tot terugbetaling van een bedrag van € 9.810,68 wegens onverschuldigde betaling dan wel misbruik van omstandigheden