Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-10-11
ECLI:NL:RBDHA:2017:11526
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/515174 / HA ZA 16-859 Vonnis van 11 oktober 2017 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VOSPLAN VASTGOEDONTWIKKELING B.V. , gevestigd te Reeuwijk, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VERBAKEL PROJECTONTWIKKELING B.V. , gevestigd te Wateringen, 3. de vennootschap onder firma V.O.F. DELF PARK , gevestigd te Reeuwijk, eiseressen, advocaat mr. A.M. Nijboer te 's-Gravenhage, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE PIJNACKER-NOOTDORP , zetelend te Pijnacker, gedaagde, advocaten mr. V.H. Affourtit en mr. T. Hendriks te Amsterdam. Eiseressen zullen hierna Vosplan, Verbakel en Delf Park worden genoemd en gezamenlijk worden aangeduid als Vosplan c.s. Gedaagde zal de Gemeente genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 8 juli 2016, met producties 1-17; de conclusie van antwoord, met één productie; het tussenvonnis van 28 december 2016; de akte inbreng producties van Vosplan c.s., met producties 18-24; het proces-verbaal van comparitie van 20 juni 2017, waartoe behoren de zittingsaantekeningen van Vosplan c.s. en van de Gemeente; de met instemming van de Gemeente nagezonden productie van Vosplan c.s., inhoudende het vernietigde uitwerkingsplan. 1.2. De comparitie is ten overstaan van een enkelvoudige kamer gehouden. Ter comparitie heeft de voorzitter medegedeeld dat de procedure zal worden verwezen naar een meervoudige kamer. Die verwijzing heeft plaatsgevonden. 1.3. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van comparitie. Vosplan c.s. heeft daarop gereageerd bij reactie op proces-verbaal zitting van 12 juli 2017. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van de opmerkingen van Vosplan c.s. 1.4. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Vosplan en Verbakel hebben op 10 maart 2006 de vennootschap onder firma Delf Park opgericht. Deze vennootschap richt zich op de realisatie van bedrijvenpark Delf Park te Delfgauw. 2.2. Op 20 juni 2006 heeft Vosplan c.s. bij de Gemeente een aanvraag gedaan voor een bouwvergunning voor het bouwen van vier industriegebouwen met 67 bedrijfsunits op het perceel Spiegelmakerstraat te Delfgauw (hierna: het perceel). 2.3. Voor het perceel gold ten tijde van voornoemde aanvraag het bestemmingsplan Bouwlokatie Delfgauw uit 1996 (het bestemmingsplan) met uitwerkingsplicht. Artikel 10 van de planvoorschriften bepaalde dat het plangebied, waarin het perceel lag, was aangewezen voor ‘uit te werken gebied voor bedrijfsdoeleinden’ en gaf kaders voor een nader vast te stellen uitwerkingsplan. Op grond van artikel 10 lid 7 gold een ‘voorlopig bouwverbod’; op het perceel mocht uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met een goedgekeurd uitwerkingsplan en krachtens een zodanig plan gestelde eisen. Zolang een dergelijk uitwerkingsplan niet was vastgesteld gold voor het gebied een bouwverbod en kon niet op een aanvraag om bouwvergunning worden beslist. 2.4. Op 11 juli 2006 heeft de Gemeente de ontvangst van de bouwaanvraag aan Vosplan c.s. bevestigd. In die brief heeft de Gemeente er op gewezen dat het voorgenomen bouwwerk in een gebied ligt waarvoor nog een uitwerkingsplan moest worden vastgesteld. Uit de brief volgt dat de Gemeente zal overgaan tot het vaststellen van een uitwerkingsplan. 2.5. Per brief van 7 september 2006 heeft de Gemeente het volgende aan Vosplan c.s. bericht: “ Graag informeer ik u over de voortgang van het uitwerkingsplan bedrijventerrein Delfgauw. U heeft een bouwaanvraag ingediend voor de realisatie van bedrijfsunits op deze locatie. Zoals u bekend is, heeft de gemeente in 2003 randvoorwaarden (...) opgesteld waaraan ontwikkeling van dit bedrijventerrein dient te voldoen. Deze voorwaarden gingen uit van een kavelmaat van ca. 100 m2 en een bijbehorende unitmaat van ca. 800 m2. Uit uw bouwaanvraag en uit gesprekken die ik met u heb g (…) Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het gehele aan de noordkant van het uitwerkingsplan gesitueerde plandeel (...) in strijd moet worden geacht met artikel 11, eerste lid, van de WRO. (…) 2.7.5 De Afdeling stelt vast dat het college bij het nemen van het besluit omtrent goedkeuring, (…) ten onrechte is uitgegaan van de toepasselijkheid van de Wet Milieubeheer in plaats van het Blk 2005 [Besluit Luchtkwaliteit 2005; rb] . Het bestreden besluit komt derhalve ook voor het overige voor vernietiging in aanmerking (…)” De Afdeling heeft geen aanleiding gezien voor het gedeeltelijk in stand laten van de rechtsgevolgen van het goedkeuringsbesluit. 2.12. Na overleg tussen alle betrokkenen heeft Vosplan c.s. haar aanvraag op 11 februari 2010 gewijzigd in die zin dat het voorzag in een bredere bufferstrook. Het aantal te bouwen units moest daardoor worden bijgesteld van 74 naar 68. 2.13. Op 16 november 2010 heeft de Gemeente vervolgens een gewijzigd uitwerkingsplan vastgesteld, dat op 25 november 2010 ter inzage is gelegd. Tegen het besluit tot vaststelling van het gewijzigde uitwerkingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling en een verzoek om voorlopige voorzieningen ingediend. Bij uitspraak van 4 mei 2011 is het verzoek om voorlopige voorzieningen afgewezen door de Voorzitter van de Afdeling. Het beroep is bij uitspraak van 18 april 2012 deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. De bouwvergunning is op 2 mei 2011 verleend. Deze bouwvergunning is op 13 juni 2011 onherroepelijk geworden. 2.14. Bij brief van 5 december 2013 heeft Vosplan c.s. de Gemeente aansprakelijk gesteld voor alle schade die voortvloeit uit de schorsing en vernietiging van het oorspronkelijke uitwerkingsplan en het gegeven dat de bouwvergunning daardoor niet eerder kon worden verleend. Daarbij heeft Vosplan c.s het standpunt ingenomen dat de te bouwen units in de jaren 2007-2009 goed verkoopbaar waren, maar in 2011 en daarna niet meer. 2.15. De Gemeente heeft in reactie hierop iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen. 2.16. Op verzoek van Vosplan c.s. heeft ir. [A] van [X] een rapport opgesteld over de omvang van de schade. Dit rapport is aan de Gemeente verstrekt en nadien aangevuld met stukken waarom door de Gemeente was verzocht. 2.17. De Gemeente heeft vervolgens opnieuw aansprakelijkheid van de hand gewezen, onder verwijzing naar een rapport van Steenhuijs Grondzaken B.V. 3 Het geschil 3.1. Vosplan c.s. vordert – samengevat – I. een verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door een rechtens onjuist uitwerkingsplan vast te stellen en aansprakelijk is voor alle ten gevolge daarvan door Vosplan c.s. geleden en nog te lijden schade; II. veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 2.880.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2011; III. veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 21.145,58 aan buitengerechtelijke kosten; IV. veroordeling van de Gemeente in de proceskosten. 3.2. Vosplan c.s. voert daartoe, samengevat, het volgende aan. 3.2.1. De Gemeente heeft gehandeld in strijd met de norm dat een uitwerkingsplan in overeenstemming dient te zijn met de wet, en aldus onrechtmatig gehandeld. In dit geval strekte de verplichting om het uitwerkingsplan op rechtens juiste wijze vast te stellen ter bescherming van Vosplan c.s. in het kader van haar aanvraag om een bouwvergunning. Vosplan c.s. had - gelet op alle omstandigheden - recht op een correct uitwerkingsplan zodat zij ook tijdig een besluit zou verkrijgen op haar aanvraag; 3.2.2. Dit onrechtmatig handelen heeft schade tot gevolg gehad in de vorm van gederfde winst, althans in de vorm van vergeefs gemaakte kosten; 3.2.3. De schade moet worden begroot door de hypothetische situatie, namelijk het verkrijgen van een bouwvergunning op 12 december 2008, te vergelijken met de werkelijke situatie, namelijk het verkrijgen van een bouwvergunning op 2 mei 2011. 3.3. De Gemeente voert verweer door, kort samengevat, te betwisten dat de do Gelet op het voorlopig bouwverbod in het bestemmingsplan (zie 2.3.) kon een bouwvergunning slechts worden afgegeven nadat eerst door de Gemeente een uitwerkingsplan was vastgesteld, dat vervolgens door GS was goedgekeurd. Uit de gang van zaken als weergegeven onder 2.3 – 2.5 volgt dat de Gemeente tot het opstellen van het uitwerkingsplan is overgegaan nadat en omdat Vosplan c.s. haar bouwplannen had kenbaar gemaakt. Niet gebleken is dat de Gemeente andere redenen had dan vanwege de bouwplannen van Vosplan c.s. (en één andere partij) om op dat moment tot het opstellen van het uitwerkingsplan over te gaan. 4.8. Een uitwerkingsplan is naar zijn aard een algemeen verbindend voorschrift. Aan de Gemeente komt in beginsel een grote mate van vrijheid toe ten aanzien van het tijdstip en de wijze waarop een bestemmingsplan wordt uitgewerkt. Dit neemt niet weg dat - voor wat betreft het tijdstip - de Gemeente na de aanvraag van Vosplan c.s. de plicht had om het plan uit te werken op grond van artikel 11 WRO. Indien een aanvraag wordt ingediend voor een gebied waarvoor een uitwerkingsplicht geldt en deze aanvraag in overeenstemming is met de in het moederplan gegeven uit te werken bestemming, geldt immers een verplichting om naar aanleiding van die aanvraag een uitwerkingsplan vast te stellen. Deze verplichting geldt temeer als - zoals hier het geval is - de op grond van artikel 33 lid 1 WRO geldende periode van tien jaar waarbinnen een bestemmingsplan moet worden herzien is verstreken (zie o.a. de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1485). Indien de Gemeente geweigerd had een uitwerkingsplan op te stellen, had Vosplan c.s. daartegen kunnen opkomen. Anders dan de Gemeente betoogt, kon Vosplan c.s. dus aanspraak maken op uitwerking. 4.9. Voor wat betreft de wijze van uitwerking geldt dat de Gemeente bij het opstellen van het uitwerkingsplan in beginsel gebonden was aan de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en aan de in 2003 door haar opgestelde randvoorwaarden. Uit het onder 2.4 - 2.9. weergegeven verloop kan worden afgeleid dat een bepaalde vorm van afstemming tussen partijen ontstond: de Gemeente bleek bereid eerder vastgestelde randvoorwaarden aan te passen aan de wensen van Vosplan c.s., waarna Vosplan c.s. op verzoek van de Gemeente overging tot het indienen van een gewijzigde vergunningaanvraag. Ter comparitie is door een vertegenwoordiger van de Gemeente ook verklaard dat de (gewijzigde) aanvraag van Vosplan c.s. één op één in het uitwerkingsplan is opgenomen. 4.10. Uit de onder 2.7 weergegeven e-mail blijkt voorts dat de kosten voor het opstellen van het uitwerkingsplan werden gedragen door Vosplan c.s. en Kennemerland Beheer B.V., de enige andere belanghebbende van wie een bouwplan conform aanvraag in het uitwerkingsplan was opgenomen. 4.11. De hiervoor onder 4.6 – 4.10 genoemde omstandigheden leiden tot de conclusie dat de Gemeente heeft gekozen voor een aanpak waarbij zij en Vosplan c.s. samen optrokken om te komen tot een door Vosplan c.s. gewenste en voor de Gemeente aanvaardbare uitkomst. Vosplan c.s. kon aanspraak maken op uitwerking, de Gemeente wilde medewerking verlenen aan het specifieke (gewijzigde) bouwplan van Vosplan c.s., waartoe het vaststellen van een specifiek daarop gericht uitwerkingsplan een eerste noodzakelijke stap was. Uit de onder 2.7 weergegeven e-mail blijkt dat, in elk geval in de visie van Vosplan c.s., het uitwerkingsplan werd opgesteld ten behoeve van de door haar voorgenomen ontwikkeling van bedrijfsbebouwing. De Gemeente heeft zoals hiervoor vermeld ook erkend dat de aanvraag van Vosplan c.s. één op één in het uitwerkingsplan is opgenomen. De omstandigheid dat de Gemeente in dit geval eerst nadat en omdat Vosplan c.s. een aanvraag heeft ingediend, is overgegaan tot de vaststelling van een uitwerkingsplan, alsook de gezamenlijke aanpak waarvoor zij heeft gekozen met als resultaat de één op één-verwerking van de aanvraag in het vaststellingsbesluit, maken dat op de Gem Vast staat dat de Gemeente – indien het uitwerkingsplan op 12 december 2008 in werking was getreden – op grond van artikel 46 lid 1 sub b Woningwet (oud) een beslistermijn voor de bouwvergunning had gehad van twaalf weken. Na ommekomst van deze termijn zou de bouwvergunning – bij het uitblijven van een besluit daarover - van rechtswege zijn verleend. Ingeval sprake was geweest van een correct uitwerkingsplan had de Gemeente gedurende deze twaalf weken termijn kunnen wachten met afgifte van de bouwvergunning zonder dat dit tot aansprakelijkheid zou leiden. De Gemeente heeft gemotiveerd betoogd dat zij van de twaalf weken termijn gebruik zou hebben gemaakt, hetgeen betekent dat de bouwvergunning niet voor 7 maart 2009 zou zijn verleend. Dat de Gemeente in situaties als hier aan de orde steeds direct na de afwijzende uitspraak op een schorsingsverzoek tegen een uitwerkingsplan tot afgifte van de bouwvergunning overgaat, zoals Vosplan c.s. stelt, is gemotiveerd betwist, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Gesteld noch gebleken is dat partijen een dergelijke afspraak hadden gemaakt. Ook het standpunt van Vosplan c.s. dat de Gemeente snel zou hebben gehandeld met het oog op de z.g. Tegelen-jurisprudentie heeft de Gemeente gemotiveerd weersproken. Vosplan c.s. heeft tegenover het gemotiveerde verweer van de Gemeente geen feiten gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de Gemeente de bouwvergunning eerder dan op 7 maart 2009 zou hebben verleend. 4.19. Uit het voorgaande volgt dat de schade die verband houdt met vertraging tussen 12 december 2008 en twaalf weken erna (tot 7 maart 2009) niet in causaal verband staat met onrechtmatig handelen van de Gemeente. 4.20. Aan het betoog van de Gemeente dat de bouwvergunningverlening nog later dan op 7 maart 2009 zou hebben plaatsgevonden, te weten na het onherroepelijk worden van het uitwerkingsplan, gaat de rechtbank voorbij, omdat de Gemeente dit niet heeft onderbouwd. Dat geldt ook voor het betoog van de Gemeente dat de vergunningverlening verdere vertraging zou hebben opgelopen, omdat het bouwplan nog zou moeten worden aangepast zoals feitelijk gebeurd is in 2010 (zie 2.12). Met dit betoog miskent de Gemeente bovendien dat - in het hypothetische geval dat de voorzitter van de Afdeling het uitwerkingsplan niet zou hebben geschorst - er geen directe aanleiding zou zijn geweest de omwonenden tegemoet te komen door het aanpassen van de bouwplannen met het daarin opnemen van een brede bufferstrook. 4.21. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank voor de verdere beoordeling van de causaliteit uit van de hypothetische situatie dat op 7 maart 2009 bouwvergunning zou zijn verleend. 4.22. Uit de eigen stellingen van Vosplan c.s. vloeit voort dat Vosplan c.s. niet eerder dan na afgifte van de bouwvergunning aanvang zou hebben gemaakt met de verkoop van de bedrijfsunits. In de hypothetische situatie betekent dat dus dat zij pas vanaf 7 maart 2009 was gestart met de verkoop. 4.23. Vosplan c.s. stelt dat zij direct na afgifte van de bouwvergunning bedrijfsunits had kunnen verkopen onder voorwaarde van het onherroepelijk worden van een bouwvergunning en dat het in de branche gebruikelijk is een dergelijke voorwaarde te stellen. De Gemeente heeft dit gemotiveerd betwist. Niet alleen zijn volgens de Gemeente aan die handelswijze risico’s gebonden, maar ook was, gezien het ruime aanbod aan bedrijfsunits op de markt, niet aannemelijk dat een koper een dergelijk voorbehoud zou hebben geaccepteerd. Volgens de Gemeente is het in alle redelijkheid onwaarschijnlijk dat Vosplan c.s. tot verkoop van units zou zijn overgegaan op basis van een niet onherroepelijke bouwvergunning en dat kopers massaal de daarbij gestelde voorwaarde zouden hebben geaccepteerd. 4.24. Bij het bepalen van het causaal verband is verder van belang dat Vosplan c.s. heeft verklaard dat zij pas met de realisatie zou zijn begonnen nadat de bezwaartermijn tegen afgifte van de bouwvergunning zou zijn verlopen. De start van de realisatie