Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2016-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2016:5686
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,379 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/8674
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 mei 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , geboren op [1986] , van Syrische nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 25 november 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat verzoeker op 8 oktober 2007 in het Verenigd Koninkrijk zijn vingerafdrukken heeft afgestaan. Op 19 januari 2016 heeft verweerder voor verzoeker een terugnameverzoek aan het Verenigd Koninkrijk gedaan. De Britse autoriteiten hebben op 2 februari 2016 het terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening geaccepteerd. In beginsel is het Verenigd Koninkrijk dus verantwoordelijk voor de behandeling van verzoekers asielverzoek.
2. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet, niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
3. Verzoeker heeft zich – voor zover thans relevant en kort samengevat – op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie hierover, zou moeten kunnen opkomen tegen de onjuiste toepassing van de Dublinverordening. Verzoeker verwijst in dit verband naar de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats ’s‑Hertogenbosch op 2 februari 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:1004, de zaak Ghezelbash) heeft gesteld en de conclusies van de Advocaat-Generaal Sharpston van 17 maart 2016 in de zaak Ghezelbash (C/63-15) en de zaak Karim tegen Zweden (C/155-15). Verzoeker onderschrijft het standpunt in deze conclusies en ziet daarin reden om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en het beroep aan te houden. Verzoeker voert verder aan dat het niet zo kan zijn dat met de acceptatie van het claimverzoek door de Britse autoriteiten daarmee de kous af zou zijn.
Over de periode buiten het Dublingebied heeft verzoeker aangevoerd dat hij betwist dat hij niet gedetailleerd zou hebben verklaard over zijn uitreis. Daarnaast is pas door verweerder in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat de door hem overgelegde stukken ‘slechts kopieën’ zouden zijn. Het is onbegrijpelijk dat verweerder niet om de originelen heeft gevraagd, als daartoe aanleiding zou bestaan. Het is niet mogelijk om zelf stukken in te sturen, maar dit kan pas als verweerder opdracht heeft gegeven om de stukken te onderzoeken. Verzoeker voert aan dat verweerder hangende beroep een nader oordeel moet geven over de originele stukken, zodat ook daarom aanleiding bestaat om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.
Ter zitting heeft verzoeker kopieën getoond van de vertalingen van de stukken 6, 7 en 8, zoals genoemd in de zienswijze. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat ook dit reden is om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en deze stukken in beroep mee te nemen bij de beoordeling.
4. Verweerder heeft zich ter zitting – kort samengevat – op het standpunt gesteld geen reden te zien om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Primair houdt verweerder vast aan het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat het arrest Shamso Abdullahi van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) van 10 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:813) leidend is en dat verzoeker niet kan opkomen tegen de toepassing van een criterium ter vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat indien de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met een verzoek tot overname, omdat de bepalingen van hoofdstuk III van Verordening 343/2003 een asielzoeker geen rechten verlenen die hij kan inroepen in een dergelijke procedure. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de door verzoeker overgelegde stukken niet blijkt van een periode van drie maanden die hij buiten het Dublingebied heeft verbleven, zodat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van verzoekers asielverzoek alsnog bij het Verenigd Koninkrijk blijft liggen.
5. De conclusie van Sharpston van 17 maart in de zaak Ghezelbash luidt als volgt:
“Gezien het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging de door de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s‑Hertogenbosch, gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet in die zin worden uitgelegd dat een asielzoeker in omstandigheden als die van het hoofdgeding krachtens artikel 27, lid 1, met een beroep of bezwaar kan opkomen tegen een overdrachtsbesluit en de nationale rechter kan verzoeken na te gaan of de criteria van hoofdstuk III in zijn geval juist zijn toegepast. De doeltreffendheid van de bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechterlijke toetsing vereist dat wordt beoordeeld of de gronden waarop het overdrachtsbesluit is gebaseerd rechtmatig zijn en of het besluit op een voldoende solide feitelijke grondslag berust. De wijze waarop wordt onderzocht of de criteria van hoofdstuk III in een concreet geval objectief en eerlijk zijn toegepast, wordt geregeld door de nationale procedurevoorschriften. Mits het doeltreffendheidsbeginsel in acht wordt genomen, regelen die voorschriften ook de diepgang en de uitkomst van de bezwaar of beroepsprocedure.”
6. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat het arrest van het HvJ in de zaak Ghezelbash op 17 juni 2016 wordt verwacht. Zoals ook ter zitting besproken valt niet uit te sluiten dat het HvJ in dat arrest de conclusie van Sharpston van 17 maart 2016 zal volgen. Pas op het moment dat het arrest is gewezen, is duidelijk welk toetsingskader op de zaak van verzoeker van toepassing is en of de rechter dientengevolge kan toekomen aan de beoordeling van de door verzoeker overgelegde en getoonde stukken ter onderbouwing van zijn stelling dat hij (drie maanden) buiten het Dublingebied heeft verbleven. Nu niet valt uit te sluiten dat dit arrest doorslaggevende gevolgen kan hebben voor de zaak van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker om deze uitspraak af te wachten groter is dan het belang van verweerder om thans op het beroep te beslissen.
7. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Het besluit van verweerder van 25 april 2016 wordt geschorst totdat is beslist op het beroep. Dat betekent dat verzoeker moet worden behandeld als ware hij nog in de aanvraagfase. Dit betekent op zijn beurt (a) dat de opvang dient te worden gecontinueerd en (b) dat verzoeker niet kan worden uitgezet.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van verweerder van 25 april 2016 totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 992,- te betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2016.
griffier rechter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.