Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2015-06-18
ECLI:NL:RBDHA:2015:6980
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bodemzaak
2,512 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 14/9555
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2015 in de zaak tussen
[eisers] te [plaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland),
en
het college van burgemeester en wethouders van [plaats 1] , verweerder
(gemachtigde: mr. M.W. van Amerongen).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [plaats 2] , (vergunninghouder),
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het in- en uitwendig veranderen en wijzigen van de bestemming van de als winkel in gebruik zijnde woning met winkel [adres 1] te [plaats 1] naar winkel en woning.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het bouwplan waarvoor vergunninghouder op 26 augustus 2013 een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend voorziet in het in- en uitwendig veranderen en het wijzigen van de bestemming op het perceel [plaats 1] van de als winkel in gebruik zijnde woning met winkel, naar winkel en woning. Vergunninghouder beoogt met het bouwplan dat het bestaande leegstaande deel aan de achterzijde van het winkelpand bouwkundig wordt gesplitst van het winkeldeel aan de voorzijde zodat een zelfstandige woning op de begane grond en deels op de eerste en tweede verdieping van het bestaande winkelpand wordt gecreëerd. Eisers wonen in de [adres 2] . Hun perceel grenst aan het perceel [plaats 1] .
2. Verweerder heeft de procedure als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. Het ontwerpbesluit alsmede de aanvraag en de bijbehorende bescheiden hebben vanaf 23 januari 2014 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Bij brief van 27 februari 2014, ingekomen bij verweerder op dezelfde datum, hebben eisers een zienswijze ingediend. Vergunninghouder heeft bij brief van
21 maart 2014 op die zienswijze gereageerd.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Ook heeft verweerder daarbij toestemmingen verleend voor de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” en “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er op grond van ingewonnen adviezen geen bezwaar bestaat tegen het verlenen van de gevraagde vergunning.
4. Eisers voeren - samengevat - aan dat verweerder ten onrechte een omgevingsvergunning aan vergunninghouder heeft verleend.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Vanwege het feit dat hun woning grenst aan het perceel [plaats 1] te [plaats 1] zijn eisers belanghebbenden in de onderhavige procedure.
6. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ten tijde van belang geldende bestemmingsplan ‘Binnenhof e.o.’ (1991) aangezien het realiseren van een zelfstandige woning op de begane grond buiten de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsstrook valt. Voorts is niet in geschil dat het bouwplan ook in strijd is met het inmiddels in werking getreden bestemmingsplan ‘Binnenhof’ (2013), omdat het wonen op de begane grond op grond van die planregels ook niet is toegestaan. Om het bouwplan toch mogelijk te maken, heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend.
7. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met, voor zover thans van belang, een beheersverordening.
Artikel 2.10, tweede lid, bepaalt dat in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Op grond van artikel 2.27, eerste lid, wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten.
Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wro van toepassing is.
Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
8.1
Naar het oordeel van de rechtbank dient zij ambtshalve te beoordelen of in het geval een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo wordt verleend, daaraan voorafgaand een verklaring van geen bedenkingen is afgegeven door de betrokken gemeenteraad. Immers, indien een dergelijke verklaring of een rechtsgeldig aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor ontbreekt dan is het bestuursorgaan niet bevoegd om een omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
8.2
Bij raadsbesluit van 20 januari 2011 van de gemeente [plaats 1] (het aanwijzingsbesluit) is bepaald in welke gevallen een algemene verklaring van geen bedenkingen is vereist als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor. Voor zover hier van belang luidt dat besluit als volgt:
Besluit:
I. Een verklaring van geen bedenking te vereisen voor die ruimtelijke relevante ontwikkelingen van enige omvang waarover niet eerder door de gemeenteraad een inhoudelijk standpunt is ingenomen, danwel politiek gevoelige ontwikkelingen;
II. Voor alle andere categorieën van gevallen geen verklaring van geen bedenking te vereisen;
8.3
Dit besluit is bij tussenuitspraak van 27 mei 2015 (zaaknummer: ECLI:NL:RVS:2015:1655) door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) wegens strijd met de rechtszekerheid onverbindend verklaard. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat de in onderdeel I van het aanwijzingsbesluit vermelde criteria "ruimtelijke relevante ontwikkelingen van enige omvang" en "politiek gevoelige ontwikkelingen", die zijn opgenomen ter omschrijving van de in dit onderdeel aangewezen categorie van gevallen, dermate ruim en algemeen zijn dat gelet op de reikwijdte daarvan het college in wezen de vrije hand is gelaten om de gemeenteraad al dan niet een verklaring van geen bedenkingen te vragen. Ook de onderlinge verhouding tussen deze criteria is onduidelijk, aldus de Afdeling.
8.4
Het voorgaande betekent dat voor het onderhavige bouwplan een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 6.5 van het Bor is vereist. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke verklaring ontbreekt. Nu voorafgaand aan het bestreden besluit door de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen is afgegeven, was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen.
Dictum
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze
tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.M. Lubbe, voorzitter, mr. H.P.M. Meskers en
mr. C.J. Waterbolk, leden, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Dictum
griffier voorzitter
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak kan nog geen hoger beroep worden ingesteld.