Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2015-09-04
ECLI:NL:RBDHA:2015:16429
Rechtbank den haag Pachtkamer Zittingsplaats Gouda KE(DH\Zaaknummer 2437272 \ CV EXPL 13-3071 C/MN VONNIS in de zaak: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij bij dagvaarding, gemachtigde mr. G.M.F. Snijder; tegen de besloten vennootschap Piluha B.V. , statutair gevestigd en kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn, gedaagde partij, gemachtigde mr. E.H.M. Harbers. 1 Procedure De pachtkamer heeft kennis genomen van de volgende stukken: het tussenvonnis van 5 september 2014; de akte zijdens [eiser] ; het proces-verbaal van het getuigenverhoor zijdens [eiser] ; de akte zijdens Piluha; het proces-verbaal van het getuigenverhoor zijdens Piluha; de conclusie na enquête zijdens [eiser] ; de conclusie na enquête zijdens Piluha; de in het geding gebrachte producties. 2 Nadere overwegingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie 2.1 In deze procedure is op 5 september 2014 een tussenvonnis gewezen. Bij dit vonnis is [eiser] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat: a. Piluha hem de cultuurgrond als genoemd in rechtsoverweging 2.2.2 van dit vonnis, hierna aan te duiden als: de A-gronden, met ingang van 1 september 2007 heeft verpacht tegen een pachtprijs ad € 450,= per ha per jaar; b. Piluha hem de grond die is genoemd in rechtsoverweging 2.2.3 van dit vonnis, hierna aan te duiden als: de B-gronden, waaronder begrepen de boomgaard die is gelegen nabij de door [naam 1] en haar gezin bewoonde woning, met ingang van 1 november 2010 heeft verpacht tegen een pachtprijs ad € 450,= per jaar. [eiser] heeft ter uitvoering van deze bewijsopdracht als getuigen doen horen zich zelf en [naam 2] . In contra-enquête heeft Piluha als getuigen doen horen [naam 1] , [naam 3] en [naam 4] . Vervolgens hebben partijen geconcludeerd na enquête. 2.2 [eiser] heeft als getuige het volgende verklaard. Hij heeft de A-gronden sinds 1 september 2007 in gebruik voor het kweken van gras, mais en het uitrijden van mest. [naam 4] heeft een gedeelte van deze gronden (de percelen [perceel 5] geheel en perceel [perceel 6] deels) gedurende de eerste twee jaar gebruikt voor het kweken van mais. De A-gronden zijn [eiser] ter beschikking gesteld door Piluha tegen een vergoeding ad € 450,= per ha per jaar. De afspraken daarover zijn gemaakt in 2007. Door [naam 1] en haar adviseur, de heer [naam 3] , is voorgesteld dat hij deze vergoeding zou betalen aan [naam 4] , op door hem te verzenden facturen, met de omschrijving ‘grasgewas’, omdat deze niet rechtstreeks aan Piluha betaald kon worden. In ruil daarvoor mocht [naam 4] , zoals al vóór het sluiten met de overeenkomst met Piluha met hem was besproken, voor hem het loonwerk doen. [eiser] is met de door [naam 1] voorgestelde betaalwijze akkoord gegaan. Het voorstel om de door [eiser] aan Piluha verschuldigde vergoeding via [naam 4] aan haar te betalen ligt vast in een concept-overeenkomst tussen hem en Piluha. In de door partijen ondertekende akte van 7 september 2007 is dit niet vastgelegd op advies van de accountant van [naam 1] , zoals blijkt uit productie 9 bij de dagvaarding. De B-grond heeft [eiser] in 2007 van Piluha tegen een vergoeding ad € 450,= per ha per jaar in gebruik gekregen op grond van een schriftelijke overeenkomst voor drie jaar. Na de overeengekomen contractduur is deze overeenkomst stilzwijgend voortgezet. In het vierde jaar en in de eerste helft van het vijfde jaar is de pachtprijs rechtstreeks aan Piluha betaald. Vervolgens ontving [eiser] van Piluha een briefje waaruit hem bleek dat zij wilde dat de gronden werden opgenomen in de constructie met [naam 4] . Onder de B-gronden is de boomgaard begrepen. Deze wordt door [eiser] gebruikt voor het laten lopen van koeien en schapen. Zij houden daar het gras kort. De vruchten van de boomgaard worden geplukt door [naam 1] . Dat berust niet op een afspraak; het is op die manier gelopen. Over het feit dat de boomgaard niet in de exploitatieovereenkomst, maar wel in de pachtovereenkomst is genoemd, is niet gesproken. Overigens heeft [eiser] De pachtovereenkomst met betrekking tot de B-gronden is alleen gesloten met het oog op de overdracht van het melkquotum en deze zag niet op de boomgaard. Het feit dat deze overeenkomst de boomgaard vermeldt, is te wijten aan een fout. Tijdens het overleg over de in 2007 gesloten exploitatieovereenkomst is uitdrukkelijk met [eiser] besproken dat na afloop van de pachtovereenkomst met betrekking tot de B-gronden de afspraken zouden gaan gelden die met betrekking tot de A-gronden zijn gemaakt. 2.6 [naam 4] heeft als getuige het volgende verklaard. Hij deed in het verleden voor Piluha loonwerk en nadien voor [eiser] . Met betrekking tot de A-gronden heeft hij met Piluha afgesproken dat hij het daarvan afkomstige gras kocht voor een prijs van € 450,= per jaar per ha en dat hij dit gras voor dezelfde prijs doorverkocht aan [eiser] . Deze afspraken zijn tot stand gekomen doordat [naam 1] dit met hem heeft besproken en hij hierover heeft gesproken met [eiser] . Gedrieën hebben zij hierover nooit gesproken. [eiser] en [naam 4] hebben van de A-gronden afkomstig mais van elkaar gekocht. 2.7 [eiser] heeft na enquête geconcludeerd dat hij het gevraagde bewijs heeft geleverd en Piluha heeft in haar antwoordconclusie na enquête geconcludeerd dat dit niet het geval is. Hetgeen zij daartoe hebben aangevoerd komt, voor zover nodig, hierna aan de orde. 2.8 De pachtkamer overweegt nader het volgende. 2.9 Hetgeen [naam 3] als getuige heeft verklaard komt er op neer dat hij een constructie heeft bedacht om de werking van het pachtrecht te ontlopen, omdat de aan [eiser] ter beschikking te stellen gronden waren verkocht en in economische eigendom waren geleverd aan Amvest. Om die reden is volgens hem voorgesteld en afgesproken dat het exploitatierecht met betrekking tot de A-gronden bij Piluha zou blijven berusten en dat [naam 4] het daarvan afkomstige gras van haar kocht voor € 450,= per ha en (zonder transactiewinst) tegen dezelfde prijs doorverkocht aan [eiser] . In hetgeen de andere getuigen hebben verklaard, is hiervoor steun te vinden, zodat dit als vaststaand is aan te nemen. 2.10 Het samenstel van de zojuist bedoelde afspraken leidt tot de conclusie dat partijen een regeling hebben getroffen over de betaling van de door [eiser] voor de A-gronden aan Piluha verschuldigde pachtprijs ad € 450,= per jaar per ha; hierbij is (ook) het volgende van belang: a. de terbeschikkingstelling van de A-gronden aan [eiser] heeft plaatsgevonden in het kader van de “Overeenkomst inzake overdracht (exploitatie)onderneming” uit 2007; volgens de verklaringen van [eiser] , [naam 2] en [naam 4] heeft [eiser] deze gronden in gebruik genomen; het feit dat de zojuist genoemde getuigen en ook [naam 1] verklaarden dat [naam 4] een gedeelte van deze gronden heeft gebruikt voor het verbouwen van mais, leidt niet tot de conclusie dat niet sprake is van de verpachting van de A-gronden aan [eiser] , omdat niet is gebleken dat Piluha de door [naam 4] gebruikte gedeelten van de A-gronden aan hem ter beschikking heeft gesteld; er is daarom vanuit te gaan dat [naam 4] die gedeelten met instemming van [eiser] gebruikte; voor zover juist is de stelling van Piluha, dat [naam 4] al het werk deed op de A-gronden, leidt dit evenmin tot de conclusie dat zij deze gronden niet aan [eiser] heeft verpacht; gelet op de door [eiser] bij de conclusie na enquête als productie 35 in het geding gebrachte facturen, is voldoende aannemelijk dat [naam 4] zijn werkzaamheden als loonwerker deed; b. voor zover juist is dat, zoals Piluha na enquête heeft aangevoerd, het bouwplan voor de A-gronden sinds 2007 ongewijzigd is gebleven, leidt dat, gelet op hetgeen zojuist (sub a) is overwogen, niet tot de conclusie dat Piluha het gebruik van de A-gronden ook na september 2007 is blijven bepalen; c. voor zover juist is dat de betalingsconstructie met betrekking tot de pachtprijs tot stand is gekomen doordat Piluha daarover een afspraak maakte met [naam 4] en hij daarover een afspraak maakte met [eiser] , zond