Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2014-11-06
ECLI:NL:RBDHA:2014:13664
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,923 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/15167
[v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 november 2014 in de zaak tussen
[eiser], geboren op [geboortedatum], van Sierra Leoonse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. E. van Kempen)
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Garabitian)
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser van 22 november 2012 om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 20 januari 2014 ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld, waarna verweerder op 4 juni 2014 zijn besluit van 20 januari 2014 heeft ingetrokken. Bij uitspraak van 13 juni 2014 (AWB 14/1573) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard.
Bij besluit van 13 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en aan eiser op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend van 13 juni 2014 tot en met 12 december 2014. Eiser heeft daartegen op 26 juni 2014 onderhavig beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. W. Eikelboom, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig I. Jolloh, tolk in de taal Krio. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1.1
Naar aanleiding van eisers verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 heeft Bureau Medische Advisering (BMA) op 2 mei 2013 een advies uitgebracht, aangevuld op 30 oktober 2013. Blijkens dat BMA-advies is eiser bekend met diverse longaandoeningen. Uit het BMA-advies blijkt voorts dat eiser hiervoor onder behandeling staat en dat die behandeling van blijvende aard is. BMA concludeert dat het uitblijven van medische behandeling leidt tot een medische noodsituatie op korte termijn. BMA acht eiser in staat te reizen met gangbare vervoersmiddelen. Volgens BMA is de voor eiser noodzakelijke behandeling beschikbaar in Sierra Leone.
1.2
Verweerder heeft desondanks toepassing gegeven aan artikel 64 van de Vw 2000 omdat BMA sinds december 2013 geen contact meer heeft met artsen in Sierra Leone, zo heeft hij in beroep toegelicht. Medio maart 2014, toen bleek dat dit geen kortdurende omstandigheid betrof, heeft verweerder besloten in lopende zaken waarin een medische noodsituatie aan de orde is, de verzoeken in te willigen voor een periode van zes maanden.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met de ingangsdatum en de duur van het aan hem verleende uitstel van vertrek.
2.1
Op grond van artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.
2.2
Bij Besluit van 18 maart 2014, nummer WBV 2014/8, heeft verweerder zijn schriftelijke beleid in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 omtrent de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 gewijzigd. Dit beleid is gepubliceerd op 31 maart 2014 en in werking getreden op 1 april 2014 (Stcrt 2014, 8487). Sindsdien luidt paragraaf A3/7.1.3 (‘inwilliging’), van de Vc 2000, voor zover hier relevant, als volgt:
“De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk alle volgende mededelingen aan de vreemdeling:
dat uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw;
de duur van de opschorting van het vertrek. Deze periode vangt aan op de datum van de beschikking waarbij de IND artikel 64 Vw toepast en is gelijk aan de periode die in het medisch advies van BMA is genoemd, waarvoor de vreemdeling naar verwachting onder behandeling zal staan, met een maximum van een jaar.”
2.3
Artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 bepaalt dat de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf heeft indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000.
2.4
Artikel 3.46, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 bepaalt, voor zover hier relevant, dat de aanvraag als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 niet wordt afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a en c, en evenmin op het feit dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien de vreemdeling ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, van de Vw 2000 heeft gehad.
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Artikel 3.46, vierde lid, van het Vb 2000 koppelt aan het ten minste een jaar hebben bestaan van uitzettingsbeletselen als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 immers het niet tegenwerpen van een aantal vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling. Eiser kan daarom met het door hem ingestelde beroep in een gunstigere positie geraken. Hij heeft daarom procesbelang. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:781.
4.1
Eiser heeft aangevoerd dat hem uitstel van vertrek had moeten worden verleend primair met ingang van de datum waarop hij het verzoek heeft ingediend (22 november 2012), subsidiair met ingang van de datum waarop hij bezwaar heeft gemaakt (23 mei 2013). Eiser heeft hierbij opgemerkt dat verweerder het bezwaar uiteindelijk gegrond heeft verklaard en dus ervan uitgaat dat het afwijzende primaire besluit onrechtmatig was.
4.2
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vaste gedragslijn ten tijde van de aanvraag en het primaire besluit reeds was dat als ingangsdatum de datum van de inwilligende beschikking werd gehanteerd. Verweerder heeft erop gewezen dat de Afdeling in haar uitspraak van 6 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:453) heeft geoordeeld dat deze vaste gedragslijn niet onredelijk is. Omdat deze gedragslijn inmiddels als beleid in de Vc 2000 is opgenomen, behoeft niet langer een op het concrete geval toegespitste motivering te worden gegeven, aldus verweerder.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit voornoemde Afdelingsuitspraak van 6 februari 2014 volgt dat verweerders beleid om het verzoek niet eerder in te willigen dan met ingang van de datum van het inwilligende besluit niet onredelijk is. Nu verweerder dit beleid met ingang van 1 april 2014 schriftelijk heeft vastgelegd in paragraaf A3/7.1.3 van de Vc 2000, zonder dat dat beleid inhoudelijk is gewijzigd, was verweerder niet gehouden om zijn besluit van een op het concrete geval toegespitste motivering te voorzien. De omstandigheid dat nu geen nadere motiveringsplicht meer geldt, betekent niet, zoals eiser heeft aangevoerd, dat daarmee het beleid is gewijzigd. Het gevoerde beleid staat immers los van de motivering, zoals ook volgt uit voornoemde Afdelingsuitspraak van 6 februari 2014. De beroepsgrond faalt.
5. Eiser heeft verder aangevoerd dat het besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het besluit geen blijk geeft van een afweging van alle betrokken belangen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 64 van de Vw 2000 in het algemeen geen ruimte biedt voor een belangenafweging. Voor zover eiser heeft willen betogen dat verweerder gelet op voornoemde Afdelingsuitspraak van 6 februari 2014 zijn besluit nader had moeten motiveren en daarin een belangenafweging had moeten maken, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder 4.3 heeft geoordeeld. Nu er geen sprake meer is van een (nadere) motiveringsplicht, bestaat evenmin ruimte voor een belangenafweging. De beroepsgrond faalt.
6.1
Eiser heeft verder aangevoerd dat hem uitstel van vertrek had moeten worden verleend voor de duur van een jaar.
6.2
Verweerder heeft zich op het standpunt gestel dat eiser slechts uitstel van vertrek is verleend omdat niet meer kan worden nagegaan of in Sierra Leone voldoende behandelmogelijkheden voor eiser aanwezig zijn. Zekerheidshalve is ervoor gekozen eiser uitstel van vertrek te verlenen voor de duur van zes maanden, met de gedachte dat in de loop van de periode weer contact zou kunnen worden gelegd met de informatiebronnen in Sierra Leone, aldus verweerder.
6.3
De rechtbank overweegt als volgt. In het onder 2.2. weergegeven beleid van verweerder staat dat uitstel van vertrek wordt verleend voor een periode gelijk aan de periode waarvoor de vreemdeling naar verwachting onder behandeling zal staan, met een maximum van een jaar. Omdat in het BMA-advies staat dat eiser naar verwachting blijvend onder behandeling zal staan, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 4:84 van de Awb gehouden om conform zijn beleid uitstel van vertrek voor de duur van een jaar te verlenen. Dit is evenwel niet gebeurd.
Dictum
De rechtbank,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat eiser met ingang van 13 juni 2014 tot 12 juni 2015 uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- (zegge: honderdvijfenzestig euro) aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 974,-- (zegge: negenhonderdenvierenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. G. Leenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2014.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.