Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2014-08-18
ECLI:NL:RBDHA:2014:10819
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,531 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 14/17717 en AWB 14/17719
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser], geboren op [1972], van Iraakse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. Y. Tamer),
en
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in een Aanmeldcentrum afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam], tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.
Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2.
Eiser heeft op 15 mei 2008 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 16 januari 2009 afgewezen. De rechtbank ‘s-Gravenhage, zittingsplaats Zutphen, heeft bij uitspraak van 17 februari 2010 het beroep van eiser hiertegen ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 16 januari 2009 is daarmee in rechte onaantastbaar geworden. Op 6 september 2010 heeft eiser nogmaals een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 14 september 2010 afgewezen. De rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Assen, heeft bij uitspraak van 7 oktober 2010 het beroep van eiser hiertegen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Hiermee is ook het besluit van 14 september 2010 in rechte onaantastbaar geworden. Op 24 juli 2014 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het bestreden besluit.
3.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit moet worden beschouwd als een besluit van gelijke strekking als de eerdere afwijzende besluiten.
4.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) vloeit voor zo'n geval een specifiek beoordelingskader voort. Als na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst alsof het een eerste afwijzing is. Alleen als in de bestuurlijke fase of bij toepassing van artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd of hieruit volgt dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, toetsen.
5.
Daarom beoordeelt de voorzieningenrechter eerst of aan de huidige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Hieronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder moeten ook worden begrepen bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is toch geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Dit is alleen anders als zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen die op de individuele zaak betrekking hebben, als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland (ECLI:NL:XX:1998:AG8817).
6.
Aan zijn opvolgende aanvraag heeft eiser de verslechterde veiligheidssituatie in Irak in het algemeen en in zijn woonplaats Bagdad in het bijzonder ten grondslag gelegd. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft eiser verwezen naar een aantal documenten waarin de slechte veiligheidssituatie in Irak en de opmars van de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIS), thans ook aangeduid als de Islamitische Staat (IS), wordt beschreven, te weten:
een brief van de Minister van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 16 juni 2014;
een persbericht van Agence France-Presse inzake Irak van 30 juni 2014;
het bericht ‘UN Casualty Figures for June 2014’ van 1 juli 2014;
het bericht ‘UN Casualty Figures for July 2014’ van 1 augustus 2014; en
het rapport ‘The New “Great Game” in the Middle East: Looking Beyond the “Islamic State” and Iraq’ van het Center for Strategic & International Studies (CSIS) van 9 juli 2014.
Tevens heeft eiser verwezen naar een brief van verweerder van 7 augustus 2014 waarin deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, is verzocht om de behandeling van de asielzaak van een Iraakse burger uit Bagdad aan te houden in afwachting van het nieuwe algemeen ambtsbericht dat op korte termijn wordt verwacht. Eiser heeft gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (Definitierichtlijn).
Daarnaast heeft eiser vier documenten overgelegd waarmee hij zijn asielrelaas zoals hij dat in de eerste procedure naar voren heeft gebracht, nader wenst te onderbouwen. Ter zitting heeft eiser dit punt echter ingetrokken, zodat de vier genoemde documenten geen bespreking behoeven.
7.
Uit vaste rechtspraak van de ABRvS, zie onder meer de uitspraak van 25 juni 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ1596) volgt dat in verband met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden sprake is, als de vreemdeling aantoont dat de algemene veiligheidssituatie in relevante zin voor zijn aanspraken op die bepaling is gewijzigd ten opzichte van het eerdere afwijzende besluit.
8.
De voorzieningenrechter is, op basis van hetgeen eiser met verwijzing naar de genoemde documenten heeft aangevoerd, van oordeel – gelet op hetgeen hieronder in punt 10 wordt overwogen – dat sprake is van een relevante wijziging van de algemene veiligheidssituatie in Bagdad, zodat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, kan toetsen.
9.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de veiligheidssituatie ernstig is maar dat niet kan worden gesproken van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid in het land van herkomst een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat Bagdad geen gebied is dat onder controle staat van ISIS. De brief van verweerder van 7 augustus 2014 waar eiser naar heeft verwezen is inmiddels achterhaald door een verandering in de situatie in Bagdad. Ten tijde van verzending van die brief waren er schermutselingen tussen ISIS en het Iraakse leger in de buitenwijken van Bagdad. Dat is op het moment van de zitting op 14 augustus 2014 niet meer het geval. Verweerder ontvangt dagelijks via Bureau Land en Taal informatie over de situatie aldaar en houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Hij is daardoor exact op de hoogte van de gebeurtenissen in en rond Bagdad.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,-;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.J. Veenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. de Gier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2014.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.