Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2013-04-26
ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1694
Bestuursrecht
VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 13/2571 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2013 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker], wonende te [plaats] (Spanje), (gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk), ten aanzien van het besluit van 28 maart 2013 van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder, waarbij is besloten op grond van artikel 7 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) verzoekers inschrijving in het BIG-register voor verzoekers beroep als arts onder BIG nummer [nummer] per 28 maart 2013 door te halen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 2 april 2013 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening is op 22 april 2013 ter zitting behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M. Molema en mr. D.P. de Waal. I Overwegingen 1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 1.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. 2 Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op 7 oktober 2010 door het General Medical Counsel (hierna: GMC) aan verzoeker een maatregel is opgelegd waardoor het verzoeker niet langer is toegestaan om als arts werkzaam te zijn in het Verenigd Koninkrijk. De GMC is tot deze maatregel overgegaan omdat verzoeker in het Verenigd Koninkrijk in de periode van augustus 2004 tot augustus 2006 bij patiënten een stamceltherapie heeft toegepast die daar niet was toegestaan. Ook is de GMC van oordeel dat verzoeker met het toepassen van de stamceltherapie, voor zover van belang, het belang van zijn patiënten heeft geschaad, verzoeker misbruik heeft gemaakt van zijn positie als arts, kwetsbare patiënten heeft uitgebuit, patiënten misleidende informatie heeft gegeven en onterecht hoop heeft gegeven op herstel. Gelet op artikel 7 van de Wet BIG dient de inschrijving van verzoeker in het BIG register te worden doorgehaald. 3 Verzoeker kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Verzoeker is het inhoudelijk en procedureel niet eens met de uitspraak van de GMC. Verzoeker heeft echter om hem moverende redenen geen rechtsmiddelen tegen deze uitspraak aangewend, onder andere omdat hij zijn vak als arts wel in Nederland kon blijven uitoefenen. Aangezien in het Verenigd Koninkrijk andere maatstaven doorslaggevend zijn geweest acht verzoeker het noodzakelijk dat verweerder een eigen afweging maakt. De door voorzoeker in Nederland verrichte handelingen ten aanzien van Engelse patiënten zouden naar Nederlands recht nimmer tot een soortgelijke sanctie hebben geleid, stamceltherapie was immers in die tijd in Nederland toegestaan. De volksgezondheid is nimmer in het geding geweest, verzoeker heeft ongeveer 450 patiënten met stamceltherapie behandeld, geen van hen heeft hier enig nadeel van ondervonden. De inschrijvingen van Nederlandse collega’s van verzoeker die eveneens stamceltherapie hebben aanboden worden ook niet doorgehaald. Verweerder dient gebruik te maken van de beoordelingsvrijheid die artikel 7 van de Wet BIG biedt om een eigen afweging te maken. De uitspraak van de GMC zou niet automatisch dienen te leiden tot doorhaling in het BIG register in Nederland. Ten slotte stelt verzoeker dat de gevolgen van het besluit tot een onbillijke situatie leidt; verzoeker kan immers niet meer werkzaam zijn als arts en daarmee geen inkomsten meer generen, daarbij leidt het besluit voor verzoeker tot onherstelbare imago schade. 4 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 5 Ingevolge artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG wordt de inschrijving doorgehaald indien zulks voortvloeit uit een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend geheel heeft verloren. 6 Uit de memorie van toelichting behorende bij de wijziging van de Wet BIG (Tweede Kamer, 2009-2010), 32 261, nr. 3, p. 8-10) blijkt dat met de wijziging per 1 juli 2012 het mogelijk is om aan in het buitenland opgelegde beperkingen in de beroepsuitoefening, gebaseerd op een buitenlandse rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, gevolg te geven ongeacht of het een beroepsbeoefenaar met een Nederlands diploma of één met een buitenlands diploma betreft. Daarmee is een gelijkschakeling bewerkstelligd tussen: een titelgerechtigde met een Nederlands diploma, die ingevolge een buitenlandse rechterlijke uitspraak is beperkt in de beroepsuitoefening en vervolgens (weer) in Nederland wil komen werken, en een beroepsbeoefenaar met een buitenlands diploma, die eenzelfde maatregel door een buitenlandse rechter opgelegd heeft gekregen, en die in Nederland geregistreerd is of wil worden. Er is voor gekozen met deze wijziging zo veel mogelijk aan te sluiten bij het destijds bestaande systeem van artikel 42, eerste lid, van de Wet BIG. Dit houdt in dat er hier te lande geen herbeoordeling plaatsvindt van het incident dat tot de beperking in de beroepsuitoefening heeft geleid. Hierdoor is het niet bij voorbaat uitgesloten dat iemand in het buitenland zijn recht op beroepsuitoefening op grond van een in het buitenland genomen beslissing verliest om een reden die in Nederland niet tot een zodanig oordeel zou hebben geleid. Dit is destijds bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ook onderkend. De redenen om bij het destijds bestaande systeem van artikel 42 aan te sluiten zijn de volgende. Voorop staat dat een beroepsbeoefenaar, ongeacht of deze over een Nederlands getuigschrift beschikt of niet, zich te houden heeft aan de in het land waar hij werkzaam is geldende regels inzake de beroepsuitoefening en ook onderworpen is aan de daar geldende tucht-, straf- en bestuursrechtelijke normen. Een herbeoordeling van de (in het buitenland plaatsgevonden hebbende) omstandigheden van het concrete geval en de «vertaling» ervan naar de Nederlandse situatie is uitzonderlijk moeilijk. De vraag is of alle relevante omstandigheden nog voldoende te traceren zijn. De vraag is ook of men erin slaagt de situatie in het buitenland te vergelijken met die in Nederland. Tot slot betekent de mogelijkheid van een herbeoordeling een grote toestroom van aanvragen en – daarmee gepaard gaande – hoge uitvoeringslasten voor de behandelingen van de aanvragen. Niettemin zouden zich in een individueel geval zulke uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen, dat automatische overname van een in het buitenland opgelegde maatregel tot een zeer onbillijk resultaat leidt. In het ingevoegde artikel 7a is daarom een hardheidsclausule geïntroduceerd voor die gevallen waarin de automatische overname van de buitenlandse bevoegdheidsbeperking gelet op het belang dat artikel 6, onderdeel e, en artikel 7, onderdeel e, beoogt te beschermen tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. Dit kan het geval zijn indien de buitenlandse bevoegdheidsbeperking is opgelegd om een reden die in het geheel niet met de beroepsuitoefening verband houdt. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.