Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2013-12-17
ECLI:NL:RBDHA:2013:19072
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,719 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 12/15456 (beroep)
V-nr: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:
[eiser]
geboren op [geboortedag] 1977 dan wel [geboortedag] 1982, van Armeense nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. E. Metzger, advocaat te Amstelveen
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister van Justitie,
verweerder,
gemachtigde: mr. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 20 mei 2010 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op 22 juni 2011 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het hiertegen ingestelde beroep van eiser gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen (AWB 10/23627). Op 1 mei 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 22 juni 2011 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.
Op 15 augustus 2012 heeft de rechtbank het beroep (nogmaals) behandeld ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek toen gesloten. Op 12 november 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig E. Hovhannisyan, tolk in de Armeense taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Feiten
Eiser heeft eerder op 17 februari 2010 tezamen met zijn echtgenote aanvragen gedaan tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke aanvragen op
24 februari 2010 zijn afgewezen. Het daartegen gerichte beroep is bij uitspraak van
19 maart 2010 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard (AWB 10/7231).
Eiser heeft het volgende relaas aan zijn eerste aanvraag ten grondslag gelegd. Eisers echtgenote is in 2005 gescheiden van haar voormalige echtgenoot en nadat zij in augustus 2009 een relatie met eiser was gestart ondervinden zij beide problemen van de zijde van de ex-echtgenoot en van de broers van eisers echtgenote. Op 24 augustus 2009 is eisers echtgenote door diverse mannen (waaronder één van haar broers) geslagen waarna een ziekenhuisopname van vier weken noodzakelijk was. Zij heeft in dezelfde periode ongeveer twee maanden vastgezeten in een saunacomplex waarbij zij door haar broers is geslagen en haar ex-echtgenoot haar heeft geprobeerd te verkrachten. Begin november 2009 is eisers moeder ernstig mishandeld door een broer van zijn echtgenote, waarna zij is overleden. Nadat in december 2009 eisers woning is doorzocht, waarbij een dreigbrief is achtergelaten, hebben eiser en zijn echtgenote Armenië verlaten.
Bij de herhaalde aanvraag heeft eiser te kennen gegeven over aanvullende bewijsstukken te beschikken. Voorts heeft hij verklaard dat hij tijdens de eerste procedure niet de juiste personalia van zichzelf en zijn echtgenote heeft opgegeven en dat zij daarin niet hun daadwerkelijke asielmotieven naar voren hebben gebracht uit angst die hen was ingeprent door de reisagenten. Die hadden hen verteld dat de Armeense autoriteiten achter hun verblijfplaats zouden komen en daardoor zouden ook de reisagenten in gevaar komen, zo zeiden ze.
Eiser heeft aan de herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd te zijn gevlucht vanwege zijn lidmaatschap van de [partij 1] en de oppositionele activiteiten die hij verrichtte. Eiser was werkzaam als [functie1], gespecialiseerd in [functie2]. Hij schreef artikelen waarin hij kritiek uitte op het financieel-economische beleid van zijn regering. Eiser moest persoonlijk bij de premier komen die hem bedreigde. Bij deze gelegenheid werd zijn tas, met inbegrip van zijn computer en paspoort in beslag genomen. Kort daarop hoorde eiser van de rector van de universiteit dat hij werd ontslagen. Een dag na het ontslag kwamen er drie mannen bij eiser thuis langs die het huis doorzochten, eiser en zijn echtgenote met een pistool bedreigden, het huis overhoop haalden en het paspoort van eisers echtgenote meenamen. Eiser heeft daarna geprobeerd rechtshulp in te schakelen. De advocaat die hij benaderde, van een gerenommeerd kantoor, zei dat juridische actie tegen de regering zinloos zou zijn. Drie dagen later kwamen familieleden van de president eiser bedreigen en mishandelen om hem te dwingen hen te compenseren voor geld dat zij waren misgelopen omdat een financieel plan door eisers toedoen niet door het parlement zou zijn aangenomen. De volgende dag ontdekte eiser dat zijn huis weer was doorzocht en dat zijn echtgenote zodanig was mishandeld dat zij een miskraam kreeg. Op aanraden van en met behulp van een vriend heeft eiser daarna besloten het land te ontvluchten.
Ter onderbouwing van dit herziene relaas heeft eiser bij zijn herhaalde aanvraag onder meer een bibliotheekkaart, een lidmaatschapskaart van de [partij 1], een militair boekje en drie universitaire diploma’s overgelegd.
Overwegingen
1.
De rechtbank overweegt allereerst dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer bij uitspraak van 23 maart 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT3336), een terugverwezen zaak moet worden beoordeeld en beslist binnen de grenzen van het geding, zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van de oordelen van de Afdeling aangaande de aangevoerde beroepsgronden en de te verrichten ambtshalve toetsing. De rechtbank zal zich daartoe dan ook dienen te beperken.
2.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb.
3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 16 oktober 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BC0249), vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen beroep niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Voor de beoordeling van een besluit op een herhaalde aanvraag zal de voorzieningenrechter dus, los van de stellingen van partijen, direct moeten treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) ten grondslag zijn gelegd dan wel dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet.
4.
In haar uitspraak van 1 mei 2012, waarbij onderhavige zaak naar de rechtbank is terugverwezen, heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank in haar eerdere uitspraak van 22 juni 2011 terecht heeft geoordeeld dat in hetgeen door eiser is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gelegen en dat zich evenmin een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht voordoet. Daarmee staat ook vast dat verweerder met toepassing van artikel 4:6 van de Awb de aanvraag onder verwijzing naar het vorige besluit heeft mogen afwijzen.
5.
Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat, ook indien de vreemdeling stelt dat bij gedwongen terugkeer naar het land van herkomst het risico bestaat op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling of bestraffing, uit haar vaste rechtspraak volgt dat moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld in overweging 45 van het arrest Bahaddar, kan noodzaak bestaan om deze regels niet tegen te werpen. In dat geval kan de rechter het besluit van gelijke strekking, ondanks het ontbreken van nieuw gebleken feiten en omstandigheden en een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht, toetsen, voor zover deze uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen. Dat betekent niet, zo overweegt de Afdeling, dat bij de beoordeling of evenbedoelde omstandigheden zich voordoen ter toetsing staat of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het beroep van de vreemdeling op artikel 3 van het EVRM faalt. Aan die toetsing van het standpunt van verweerder komt de rechter pas toe, nadat hij tot het oordeel is gekomen dat de uitzonderlijke omstandigheden die de vreemdeling in het kader van artikel 3 van het EVRM heeft aangevoerd, in het licht van de beoordeling in de eerdere procedure en artikel 13 van het EVRM, zodanig zwaarwegend zijn, dat de wijze waarop hij het besluit van gelijke strekking naar nationaal recht dient te beoordelen, er aan in de weg staat dat een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing in de beoordeling van het beroep wordt betrokken.
6.
De Afdeling overweegt vervolgens dat de rechtbank, door in haar uitspraak van
22 juni 2011 het beroep gegrond te verklaren het besluit van 1 juli 2010 te vernietigen met de overweging dat verweerder zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de authenticiteit van de overgelegde documenten, niet heeft onderkend dat zij, gelet op het hiervoor opgenomen beoordelingskader, zelfstandig diende te beoordelen of zich uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest Bahaddar voordoen en het daarom aan de rechtbank was om te beoordelen of eiser met het door hem overgelegde rapport van
18 april 2011 van Robert Chenciner, verbonden aan St. Antony's College in Oxford, de authenticiteit van vorenbedoelde documenten heeft aangetoond. Daarbij heeft de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 14 januari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP1922) overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of een document een uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in overweging 45 van het arrest Bahaddar inhoudt, van belang is dat dat document authentiek is.
7.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn herhaalde asielaanvraag een aantal documenten overgelegd, te weten:
1.
bibliotheekkaart van de nationale bibliotheek van Armenië
2.
lidmaatschapskaart van de People’s Party of Armenia (PPA)
3.
militair boekje
4.
bachelorsdiploma in Farm Machinery and Equipment
5.
diploma van de Yerevan Financial-Banking and Stockholding university
6.
PhD-diploma van het Economics Research Institute
7.
ontslagbrief van de Banking and Finance University of Yerevan
8.
medisch rapport ziekenhuis Ararat van 17 december 2009
9.
Journal – Finances and economy of Armenia van september/oktober 2009
10.
studieboek voor studenten Budget of Republic of Armenia Yerevan 2007
Deze documenten zijn op verzoek van eiser onderzocht door Robert Chenciner, verbonden aan St. Anthony’s College in Oxford. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 april 2011. Zoals ook door de rechtbank in haar uitspraak van 22 juni 2011 is overwogen, is niet in geschil dat in voornoemd rapport enkel uitspraken zijn gedaan omtrent de plausibiliteit van de echtheid van de onderzochte documenten, dat wil zeggen dat de authenticiteit niet kan worden vastgesteld.
8.
Het Bureau Documenten heeft na de heropening van het onderzoek door de rechtbank in november 2012 de bibliotheekkaart, de lidmaatschapskaart van de PPA, het militaire boekje en de drie diploma’s eveneens op echtheid onderzocht. Uit de verklaring van onderzoek van 3 januari 2013 volgt dat het militaire boekje met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid echt is en het bachelorsdiploma in Farm Machinery and Equipment en het diploma van de Yerevan Financial-Banking and Stockholding University waarschijnlijk echt zijn. Over de overige onderzochte documenten heeft Bureau Documenten geen uitspraak kunnen doen wegens het ontbreken van voldoende betrouwbaar referentiemateriaal.
Dictum
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.M. Goncalves Sobral, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
17 december 2013.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Conc.: WGS
Coll.: EM
D: B
VK
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. de rechtbank geen aanleiding.