Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2013-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2013:18227
Rechtbank DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 13/7767 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2013 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats] ([land 1]), eiser (gemachtigde: mr. S. Mooij), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr.drs. P. Visbach). Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2013 heeft verweerder het verzoek van eiser om naturalisatie afgewezen. Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 24 september 2013 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de op deze zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2013. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen [naam], oom van de echtgenote van eiser. Overwegingen 1. Verweerder heeft aan de (handhaving van de) afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan het vereiste dat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland geen bedenkingen bestaan als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat eiser niet beschikt over een verblijfsvergunning die zijn verblijf voor onbepaalde tijd in het Koninkrijk toestaat en hij niet voor een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard in aanmerking zou komen indien hij daarom zou verzoeken nu referente geen zelfstandig inkomen heeft. 2 Eiser heeft in beroep - samengevat - aangevoerd dat verweerder ten onrechte vasthoudt aan de stelling dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde zoals genoemd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN. Eiser is van mening dat in geval van naturalisatie vanuit het buitenland, de bepaling van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, ruimer geïnterpreteerd dient te worden dan de Handleiding voor de toepassing van de RWN en de Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland, op dit moment doen. Het is voor eiser immers niet vereist dat hij toelating en vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, nu hij verblijfsrecht heeft in het buitenland en vanuit daar de aanvraag doet. Verweerder kan niet voorbij gaan aan het verblijfsrecht dat eiser heeft in [land 1]. Eiser is immers met zijn Nederlandse echtgenote en minderjarig kind woonachtig in [land 1] alwaar hij het gezinsinkomen verdient. Allen hebben in [land 1] rechtmatig verblijf. Verweerder dient het verblijfsrecht van eiser en zijn gezin in [land 1] te betrekken bij de vraag of er bedenkingen bestaan tegen verblijf in Nederland voor onbepaalde tijd. Door verweerders onflexibele interpretatie van deze beoordeling is het in de praktijk schier onmogelijk voor een echtgenoot van een Nederlander om vanuit het buitenland te naturaliseren. Dat een dergelijke restrictieve interpretatie van de fictieve toets niet is toegestaan is onder andere bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in zijn uitspraak van 15 november 1979 (RV 1979/53). Daarbij gaat het om de wijze van wetsinterpretatie. Ook uit het verdrag van New York van 20 februari 1957, de memorie van antwoord bij het wetsontwerp 16947 (p. 23-24), en het citaat van Prof.mr. G.R. de Groot in het Handboek Nieuw Nationaliteitsrecht (Kluwer 2003, p. 269), blijkt dat een te enge interpretatie van de fictieve toets niet toelaatbaar is en verweerder rekening dient te houden met de specifieke omstandigheden van eiser. De omstandigheid dat eiser niet exact voldoet aan de vereisten voor een Nederlandse verblijfsvergunning in het kader van gezinsmigratie dan wel kennismigratie mag niet leiden tot afwijzing van eisers naturalisatieverzoek. De mogelijkheid tot naturalisatie vanuit het buitenland wordt anders door de restrictieve toepassing van de fictieve toets van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN een dode letter. 3 Ingevolge artikel 8, Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, van het Vb 2000. Ingevolge het beleid zoals neergelegd in paragraaf B7/2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 dient de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, de referent, zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan. De beleidsregels opgenomen in paragraaf B1/4.3 van de Vc 2000 zijn van toepassing op de beoordeling van de middelen van bestaan van de referent. Zoals de AbRS eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juli 2007, LJN: BB1415) kunnen uitsluitend de middelen van bestaan van degene bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven een rol spelen bij de vaststelling of aan het middelenvereiste wordt voldaan. Nu niet in geschil is dat de echtgenote van eiser niet duurzaam en zelfstandig beschikte over voldoende inkomsten heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter. De situatie van eiser is niet dermate bijzonder dat -indien eiser zou verzoeken om een verblijfsvergunning- op grond hiervan zou moeten worden afgeweken van artikel 3.22, eerste lid, van het Vb 2000. Weliswaar beschikt eiser over ruim voldoende inkomen om zijn gezin te onderhouden, maar dit maakt niet dat verweerder niet de voorwaarde zou mogen stellen dat referente zelfstandig dient te beschikken over voldoende inkomen. Het betoog van eiser dat verweerder de fictieve toets van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN soepeler zou moeten interpreteren omdat anders de mogelijkheid vanuit het buitenland te naturaliseren onmogelijk wordt, kan de rechtbank niet volgen. Immers er zijn gevallen denkbaar waarin de Nederlandse referent wel aan het middelenvereiste voldoet waardoor voldaan wordt aan de voorwaarden voor gezinshereniging of gezinsvorming met een Nederlander. In het bijzonder als de referent in het buitenlande zelfstandig beschikt over voldoende inkomsten. De omstandigheid dat eiser niet aan de voorwaarden voor deze vergunningverlening voldoet, maakt de mogelijkheid vanuit het buitenland te naturaliseren niet tot een dode letter. Daarbij heeft verweerder kunnen verwijzen naar de wetsgeschiedenis van artikel 8 van de RWN (Memorie van Toelichting van de Tweede Kamer, vergaderjaar 1981, 16 947, nr. 3). Daarin wordt bepaald dat in een wet welke de naturalisatievoorwaarden regelt, een bepaling welke ertoe strekt te waarborgen dat het beleid ten aanzien van de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving en het beleid inzake naturalisatie met elkaar in overeenstemming zijn. Naturalisatie brengt het recht van vestiging in Nederland mede. Eerste voorwaarde voor de verlening van het Nederlanderschap behoort dan ook te zijn, dat geen bezwaar bestaat tegen het verblijf van de verzoeker voor onbepaalde tijd in Nederland. De door eiser aangehaalde uitspraak van de AbRS van 15 november 1979, het verdrag van New York van 20 februari 1957, de memorie van antwoord bij het wetsontwerp 16947 (p. 23-24), en het citaat van Prof.mr. G.R. de Groot in het Handboek Nieuw Nationaliteitsrecht kunnen hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af doen. De rechtbank merkt daarbij overigens op dat verweerder ten aanzien van het verdrag van New York op goede gronden heeft gewezen op de omstandigheid dat Nederland dit verdrag op 16 januari 1992 heeft opgezegd. 4.2 Verweerder heeft voorts ambtshalve getoetst aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als kennismigrant. Ingevolge artikel 3.30a van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, worden verleend onder een beperking verband houdend met arbeid als kennismigrant aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet ar