Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2013-12-05
ECLI:NL:RBDHA:2013:17584
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
2,378 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 13/6193
V-nummer:[V-nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 december 2013 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
gemachtigde: mr. M. Timmer,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,
gemachtigde: mr. P. van Zijl.
Procesverloop
Eiser heeft op 5 maart 2013 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 januari 2013 (het bestreden besluit), dat is uitgereikt op 6 februari 2013.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 4 november 2013. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.
Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag]1980 en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Bij besluit van 13 juli 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 25 februari 2001 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Bij uitspraak van 6 januari 2005 (AWB 04/35377) heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder aan eiser artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft kunnen tegenwerpen. De rechtbank heeft het besluit van 13 juli 2004 echter vernietigd omdat het beroep van eiser op artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegrond is verklaard.
2.
Bij besluit van 8 november 2006 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser wederom afgewezen (onder verwijzing naar de in rechte vaststaande beoordeling inzake artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) en is eiser ongewenst verklaard. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Tegen het gedeelte dat betrekking had op de afwijzing van de asielaanvraag heeft eiser beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 6 april 2007 (AWB 06/55873 en AWB 06/55390) heeft (de voorzieningenrechter van) deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep dat betrekking heeft op de afwijzing van de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek dat betrekking heeft op het bezwaar tegen de ongewenstverklaring afgewezen.
Het bezwaar dat eiser tegen de ongewenstverklaring heeft ingediend is bij besluit van 8 augustus 2007 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 september 2008 (AWB 07/34509) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 augustus 2007 vernietigd. Bij besluit van 26 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 22 november 2010 (AWB 09/22386) door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het hoger beroep op 6 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard.
3.
Bij brief van 23 augustus 2011 heeft eiser verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring. Bij besluit van 4 oktober 2011 is dit verzoek afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 19 november 2012 heeft verweerder het voornemen uitgebracht om het bezwaar gegrond te verklaren en om eiser een inreisverbod op te leggen voor de duur van tien jaar. Eiser heeft op 26 december 2012 zijn zienswijze ingediend.
4.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het besluit van 26 mei 2009 aangemerkt als een terugkeerbesluit en onder verwijzing naar artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar omdat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is verklaard. De onmogelijkheid voor eiser om terug te keren naar zijn land van herkomst in verband met een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM is geen een reden om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod, aldus verweerder.
5.
Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar zijn eerdere standpunten, aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft gereageerd op de stelling dat het inreisverbod in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
Eiser heeft ter zitting nog aangevoerd dat hij ongedocumenteerd is, dat hij duurzaam niet kan vertrekken naar Nigeria of een ander derde land. Volgens eiser staat deze verwijderingsbelemmering in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Een staat is verplicht om een terugkeerbesluit ten uitvoer te leggen. Wanneer dat niet mogelijk is, kan geen inreisverbod worden uitgevaardigd en dient een verblijfsvergunning te worden verleend. Een tussensituatie - een zogenaamd ‘legal limbo’- zoals die waarin eiser verkeert, is niet acceptabel. Daartoe heeft eiser ter zitting verwezen naar een passage in een Engelstalig document van de Europese Commissie van 20 februari 2013, (kenmerk SWD (2013) 42, pagina 42, punt 6, 4e alinea:
“Regarding the situation of irregular or undocumented migrants, the approach
underlying the EU acquis places an obligation on Member States to either return an
irregular migrant to his/her country- of- origin or to grant him/her a legal residence
status. It is no longer acceptable that migrants are kept in a
'legal limbo',
a grey zone where they are often deprived of basic civil or socio-economic rights. Pending return, and for those who cannot be returned (mainly because readmission to the country-of origin is not possible), the Return Directive, which is increasingly being relied upon as a source of legal rights for irregular migrants, provides this group with access to certain basic minimum rights such as health care, access to education and family unity. It does not, however, include a right to housing or subsistence.”
6.
Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit juist is en dat niet in strijd met de rechtszekerheid is gehandeld door een inreisverbod op te leggen. In reactie op de overige gronden van beroep heeft verweerder gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:143). Hierin is volgens verweerder bepaald dat een verwijderingsbelemmering niet aan het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg staat. Van strijd met de Richtlijn nr. 2008/115/EG ( de Terugkeerrichtlijn) is derhalve geen sprake, aldus verweerder.
De rechtbank overweegt als volgt.
7.
In geschil is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tegen eiser, die in verband met een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, een inreisverbod voor de duur van tien jaar uit te vaardigen.
8.
In artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat het inreisverbod wordt gegeven voor ten hoogste vijf jaren, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van verweerder een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.
Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef onder c, van het Vb 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer de omstandigheid dat hem artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen.
Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 of 33, wordt afgewezen als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de desbetreffende vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan. Deze beschikking heeft van rechtswege tot gevolg dat die vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan hij kan worden uitgezet.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, voorzitter, en mrs. C. van Boven-Hartogh en B.F.Th. de Roos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2013.
Afschrift verzonden aan partijen op: 5 december 2013
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.