Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2013-08-20
ECLI:NL:RBDHA:2013:10634
Bestuursrecht
VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 13/5808 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2013 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] , te [plaats], verzoeker (gemachtigde: mr. N. de Vos), tegen Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster (gemachtigde: L.H. Krajenbrink), ten aanzien van het besluit van 11 juni 2013 van verweerster, waarbij verzoekers rijbewijs ongeldig is verklaard en hem een alcoholslotprogramma (hierna: ASP) is opgelegd. Bij brief van 15 juli 2013 heeft verzoeker een bezwaarschrift bij verweerster ingediend. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening is op 6 augustus 2013 ter zitting behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerster is haar gemachtigde ter zitting verschenen. Ter zitting is de gemachtigde van verweerster in de gelegenheid gesteld na te gaan of het voor verzoeker in deze omstandigheden mogelijk zou zijn een Duits rijbewijs te verkrijgen. Voorts zou worden nagegaan of het mogelijk is een regeling te treffen dat verzoeker vanaf de aanvang het alcoholslot eens in de 92 dagen (in plaats van de voorgeschreven 46 dagen) zou kunnen laten uitlezen. Verweerder heeft 16 augustus 2013 per faxbericht een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit, voor zover het de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker betreft, wordt geschorst tot drie weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar; veroordeelt verweerster in de proceskosten ten bedrage van € 944 welke kosten verweerster aan verzoeker dient te vergoeden; draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 160 aan verzoeker te vergoeden. De uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2013. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld, aldus die bepaling. Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994 besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een ASP. Ingevolge artikel 132b, eerste lid, van de Wvw 1994 legt het CBR in de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde gevallen, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels, bij het in dat artikellid bedoelde besluit betrokkene de verplichting op aan een ASP deel te nemen. Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, verklaart het CBR bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, het rijbewijs van betrokkene ongeldig en bepaalt daarbij dat de ongeldigverklaring betrekking heeft op alle categorieën, waarvoor dat rijbewijs geldig was, met uitzondering van de categorie AM. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) wordt een vermoeden, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, gebaseerd op feiten of omstandigheden, als vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage 1. Ingevolge het tweede lid dient betrokkene, indien een vermoeden, als bedoeld in het eerste lid, wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder B, onderdeel III Drogerende stoffen, onder Alcohol, bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig, waarvoor een rijbewijs is vereist. Ingevolge artikel 17, aanhef en onder a, van de Regeling besluit het CBR dat betrokkene zich aan een ASP dient te onderwerpen, indien bij hem een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger dan 570 µg/l, onderscheidenlijk 1,3‰, maar lager dan 785 µg/l, onderscheidenlijk 1,8‰. Verweerster heeft het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs en oplegging van een ASP genomen naar aanleiding van een mededeling van de politie Amsterdam-Amstelland van 27 mei 2013, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994. Op grond van het proces-verbaal heeft verweerster aannemelijk geacht dat verzoeker onder invloed van een alcoholgehalte van 640 µg/l een motorrijtuig heeft bestuurd. Verzoeker heeft aan zijn verzoek onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker zal op korte termijn vertrekken naar München, alwaar hij met ingang van 1 september 2013 Area General Manager en General Manager wordt. In het kader van deze functie zal hij diverse hotels moeten bezoeken en door heel Duitsland moeten reizen. Hij zal daartoe over een rijbewijs moeten beschikken. Verzoeker is geen zware drinker en niet eerder met politie of justitie in aanraking gekomen. Verzoeker is niet in staat het alcoholslot om de 46 dagen te laten uitlezen. Het besluit tot opleggen van een ASP is voor hem onevenredig nadelig, terwijl ook zou kunnen worden volstaan met het opleggen van een Educactieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA), zoals ook in het geval van scooterrijders wordt opgelegd. De maatregel heeft ten slotte een punitief karakter en het besluit kan de redelijkheidstoets niet doorstaan. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deelname aan een ASP reeds kan worden opgelegd en het rijbewijs ongeldig worden verklaard, indien aannemelijk is dat betrokkene onder invloed van een hoger ademalcoholgehalte dan vermeld in, in dit geval, artikel 17, aanhef en onder a, van de Regeling een motorrijtuig heeft bestuurd. Het opleggen van het ASP is gelet op het bij verzoeker geconstateerde ademalcoholgehalte van 640 µg/l op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994 in samenhang met artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling verplicht voorgeschreven. Dat verzoeker naar zijn zeggen geen ‘zware drinker’ is, doet niet af het feit dat hij – zoals door hem niet wordt ontkend - onder invloed van een hoger ademalcoholgehalte dan vermeld in, in dit geval, artikel 17, aanhef en onder a, van de Regeling een motorrijtuig heeft bestuurd. Verzoekers standpunt dat verweerster in zijn geval een EMA had kunnen opleggen, kan niet worden gevolgd, aangezien verzoeker niet als bestuurder van een scooter is aangehouden, maar als bestuurder van een auto. Het imperatieve karakter van de regeling laat verweerster geen ruimte voor een individuele belangenafweging. De wetgever heeft de individuele belangen van een betrokkene ondergeschikt geacht aan het algemene belang van de verkeersveiligheid. Ten aanzien van het standpunt van verzoeker dat hij door het opgelegde ASP niet in het bezit kan worden gesteld van een Duits rijbewijs, overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat voor verzoeker bij zijn vestiging in Duitsland de verplichting zou bestaan om zijn Nederlands rijbewijs te laten omzetten naar een Duits rijbewijs. Voorts heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat er andere beletselen zouden bestaan om voor de duur van zijn verblijf in Duitsland gebruik te maken van een Nederlands rijbewijs B, voorzien van de code 103. Voorts heeft verweerster betoogd dat zij zich geen oordeel kan vormen over de vraag of en onder welke voorwaarden de locale Duitse autoriteiten een verzoek van verzoeker om het rijbewijs om te wisselen al dan niet zullen honoreren. Voorts wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 18, aanhef en onder f, van de Regeling komt een betrokkene niet in aanmerking voor het ASP indien hij beschikt over een door het daartoe bevoegde gezag in Nederland afgegeven rijbewijs, maar op het moment van het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel b, van de wet niet in Nederland woonachtig is; Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien betrokkene op grond van artikel 18 niet in aanmerking komt voor een ASP, tenzij artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van toepassing is. Niet wordt bestreden dat verzoeker op het moment van het nemen van het besluit tot het opleggen van deelname aan het ASP woonachtig was in Nederland.