Rechtspraak Rechtbank Breda 2012-12-14
ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ2845
Bestuursrecht
RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummers: AWB 12/4877, 12/4878 en 12/4880 Uitspraakdatum: 14 december 2012 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, de inspecteur. De bestreden uitspraken op bezwaar De uitspraken van de inspecteur van 14 september 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting, alsmede de tegelijkertijd bij beschikkingen opgelegde boetes (aanslagnummers [nummer]Y.1.900002, [nummer]Y.1.90003 en [nummer]Y.1.900004). Zitting Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Met betrekking tot 12/4877 De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boete betreft; - vermindert de boete tot een bedrag van € 5; - verklaart het beroep voor het overige ongegrond; - gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 310 aan deze vergoedt. Met betrekking tot 12/4878 De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boete betreft; - vermindert de boete tot een bedrag van € 17; - verklaart het beroep voor het overige ongegrond. Met betrekking tot 12/4880 De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boete betreft; - vermindert de boete tot een bedrag van € 18; - verklaart het beroep voor het overige ongegrond. 2. Gronden 2.1. Belanghebbende exploiteert een autohandel en maakt gebruik van de bij en krachtens artikel 1, tweede lid, en hoofdstuk V van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna de Wet MRB) getroffen regeling (hierna de handelaarsregeling). 2.2. Op 7, 18 en 19 januari 2012 is geconstateerd dat met een motorrijtuig van het merk Hyundai Galopper met kenteken [kenteken] (hierna: het motorrijtuig), waarvoor geen motorrijtuigenbelasting was voldaan, gebruik is gemaakt van de openbare weg op de A16 bij Galder/Hazeldonk, zonder dat dit motorrijtuig was voorzien van een handelaarskenteken. Het motorrijtuig behoorde vanaf 3 januari 2012 tot de bedrijfsvoorraad van belanghebbende. Op grond van het voorgaande heeft de inspecteur de volgende naheffingsaanslagen opgelegd en boetes vastgesteld: Aanslagnummer Dagtekening Tijdvak Belastingbedrag Boete [nummer]Y.1.900002 27 augustus 2012 8-1-2011 tot en met 7-1-2012 € 412 € 412 [nummer]Y.1.900003 6 augustus 2012 19-1-2011 tot en met 18-1-2012 € 412 € 412 [nummer]Y.1.900004 6 augustus 2012 20-1-2011 tot en met 19-1-2012 € 412 € 412 2.3. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. In de uitspraken op bezwaar zijn de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd. 2.4. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht de boetes te vernietigen. Voorts doet belanghebbende, naar de rechtbank haar begrijpt, een beroep op het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Wet MRB. Gelet hierop is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen en de boetes terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. 2.5. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet MRB, in samenhang met artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994, zijn met betrekking tot het gebruik van motorrijtuigen die behoren tot de bedrijfsvoorraad de krachtens artikel 37, derde en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorwaarden voor het gebruik van die motorrijtuigen en de aldaar bedoelde kentekens van toepassing. Nadere regels ter uitvoering van onder meer het bepaalde in artikel 37 van de Wegenverkeerswet 1994 zijn gesteld in het Kentekenreglement. In artikel 44, derde lid, van het Kentekenreglement is bepaald dat een handelaarskenteken moet worden gebruikt voor voertuigen die behoren tot de bedrijfsvoorraad van degene aan wie het kenteken is opgegeven. 2.6. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Wet MRB kan de motorrijtuigenbelasting worden nageheven indien met betrekking tot een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad niet is voldaan aan de krachtens artikel 1, tweede lid gestelde voorwaarden. De na te heffen belasting wordt ingevolge het tweede lid van artikel 69 Wet MRB berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarop is geconstateerd dat op die dag niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 1, tweede lid. Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Wet MRB wordt de naheffingsaanslag opgelegd aan de bestuurder indien belanghebbende erin slaagt aannemelijk te maken dat van het motorrijtuig tegen zijn wil gebruik is gemaakt en hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 2.7. Belanghebbende heeft gesteld dat het motorrijtuig zonder toestemming is gebruikt door een chauffeur die regelmatig trucks komt ophalen bij belanghebbende. Deze chauffeur was volgens belanghebbende in de veronderstelling dat het motorrijtuig privé eigendom was van de heer [dga], enig aandeelhouder van belanghebbende. Door belanghebbende zijn de schriftelijke verklaringen en afschriften van de identiteitsbewijzen gevoegd van twee personen die verklaren chauffeur te zijn en die het voorgaande bevestigen. 2.8. Doordat er met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg zonder dat het motorrijtuig was voorzien van een handelaarskenteken, is gehandeld in strijd met artikel 44, derde lid, van het Kentekenreglement. De omstandigheden waaronder deze situatie zich heeft voorgedaan, maken dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende gehouden haar bedrijfsvoering zo in te richten dat zij aan de voorwaarden van de handelaarsregeling voldoet. Het niet voldoen aan de voorwaarden dient voor risico van belanghebbende te komen. De rechtbank acht belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat zij alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden verwacht om het gebruik van de auto door vorenbedoelde personen te voorkomen. 2.9. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2001, nr. 36 575, BNB 2002/69 heeft de wetgever er bewust voor gekozen, om bij onjuist gebruik van de handelaarsregeling in alle gevallen het bedrag van de naheffing te berekenen over een tijdvak van twaalf maanden. Er vindt dan ook geen aftrek plaats van reeds over die twaalf maanden geheven belasting of bij een kortere duur van het houderschap, de tenaamstelling van het handelaarskenteken of de periode waarin de auto tot de bedrijfsvoorraad behoorde. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2006, nr. 41 660, BNB 2006/169 brengt artikel 69, tweede lid, Wet MRB mee dat binnen een periode van twaalf maanden, bij meerdere overtredingen van de handelaarsregeling, telkens belasting wordt nageheven die is berekend over een tijdvak van twaalf maanden, waarbij meerdere perioden waarover belasting is nageheven elkaar kunnen overlappen. 2.10. Gelet op hetgeen in 2.8 en 2.9 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslagen terecht en tot een juist bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd. 2.11. De boetes zijn in overeenstemming met hetgeen is bepaald in artikel 67c van de AWR en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB). Voor het opleggen van de boetes is niet vereist dat sprake is van schuld of opzet bij belanghebbende. Voldoende is de enkele constatering dat belanghebbende heeft verzuimd de voorwaarden na te leven die zijn verbonden aan het handelaarskenteken. Dat is slechts anders als sprake is van afwezigheid van alle schuld bij belanghebbende. Daarvan is volgens de rechtbank in dit geval geen sprake. Zo de verzuimen al te wijten zijn aan miscommunicatie met de in 2.7 bedoelde personen, dan nog komt een dergelijke omstandigheid voor risico van belanghebbende nu zij zich in de directe invloedssfeer van belanghebbende hebben voltrokken. De verzuimen worden dan ook aan belanghebbende toegerekend. 2.12. De opgelegde boetes moeten in verhouding staan tot de ernst van de gepleegde overtredingen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Belanghebbende heeft in korte tijd meerdere keren hetzelfde voorschrift overtreden.