Rechtspraak Rechtbank Breda 2006-04-14
ECLI:NL:RBBRE:2006:AY6219
Strafrecht
RECHTBANK BREDA Parketnummer: 636169/05 1 Partijen. Onderzoek van de zaak. In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen: [naam bedrijf], gevestigd [adres], heeft de economische politierechter van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen. De economische politierechter heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Hij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. B.J.P. van Gils. 2 De tenlastelegging. De verdachte staat terecht, terzake dat zij op of omstreeks 22 oktober 2004 te Dongen, in elk geval in Nederland, als werkgever (een) vreemdeling(en), te weten - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en/of - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en/of - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en/of - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en/of - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en/of - [naam werknemer] van Poolse nationaliteit en/of - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en/of - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en/of - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit, arbeid heeft laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. 3 De geldigheid van de dagvaarding. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 4 De bevoegdheid van de economische politierechter. Krachtens de wettelijke bepalingen is de economische politierechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. 5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in zijn vordering worden ontvangen. 6 Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 7 De bewezenverklaring. Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de economische politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 22 oktober 2004 te Dongen, als werkgever vreemdeling(en), te weten - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en - [naam werknemer] van Poolse nationaliteit en - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit en - [naam werknemer], van Poolse nationaliteit, arbeid heeft laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de economische politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. 8 Het bewijs. De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. 8.1 De bewijsmiddelen. 1. het ambtsedig proces-verbaal d.d. 25 maart 2005, nr. MOSM/W081/658 van de Arbeidsinspectie Rotterdam, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten [naam verbalisant] en [naam verb[naam verbalisant]] Dit proces-verbaal houdt, op de pagina's 2 tot en met 5, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van de verbalisanten: Op 22 oktober 2004 bevonden wij ons te Dongen, alwaar Coca-Cola Enterprises Nederland BV is gevestigd. Buiten op een terrein en in de nabijheid van de fabriekshal waar een flessenafvullijn geïnstalleerd werd, sprak ik, verbalisant [naam verbalisant], een persoon aan, welke zich legitimeerde met een Pools paspoort. Een tweede persoon legitimeerde zich eveneens met een Pools paspoort. In de fabriekshal troffen wij nog 7 Poolse medewerkers aan, op diverse plekken bij de flessenafvullijn, alwaar zij diverse montagewerkzaamheden verrichtten. Alle 9 personen waren gekleed in een beige overall met opschrift/logo [ingehuurd bedrijf] en een gele veiligheidshelm en een oranje veiligheidsvestje. Desgevraagd verklaarden alle hier na te noemen 9 personen de Poolse nationaliteit te bezitten. Deze vreemdelingen bleken genaamd: [naam werknemer], [naam werknemer], [naam werknemer], [naam werknemer], [naam werknemer], [naam werknemer] [naam werknemer], [naam werknemer] en [naam werknemer]. Door de Centrale Organisatie Werk en Inkomen te Zoetermeer werd geen tewerkstellings-vergunning afgegeven voor de betrokken 9 Poolse vreemdelingen. 2. het ambtsedig proces-verbaal d.d. 25 maart 2005, opgenomen op pagina 6 e.v. van het proces-verbaal genoemd onder 1, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten [naam verbalisant] en [naam verb[naam verbalisant]] Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van de verbalisanten: Op 8 november 2004 hoorden wij [getuige], die – zakelijk weergegeven – verklaarde: Ik vertegenwoordig de firma [naam bedrijf] te Neutraubling uit Duitsland. De firma [naam bedrijf] heeft een productielijn, ten behoeve van het vullen, etiketteren en verpakken van flessen Coca-Cola, verkocht aan Coca-Cola. Voor de mechanische opbouw van deze productielijn heeft [naam bedrijf] de firma [ingehuurd bedrijf] te Duitsland gecontracteerd. [naam bedrijf] was op de hoogte dat [ingehuurd bedrijf] Polen als onderaannemer had ingeschakeld. Wij hebben voor deze negen Poolse personen geen tewerkstellingsvergunningen aangevraagd. 8.2 De bewijsoverwegingen. Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat 9 Poolse vreemdelingen, zonder tewerk-stellings-vergunning, arbeid hebben verricht bij Coca-Cola te Dongen, te weten de montage van een nieuwe productielijn. Verdachte heeft als leverancier van deze productielijn voor de installatie daarvan als onderaannemer het Duitse bedrijf [ingehuurd bedrijf] (hierna: [ingehuurd bedrijf] Duitsland), ingehuurd, welk bedrijf op haar beurt het Poolse bedrijf [ingehuurd bedrijf] [naam ingehuurd bedrijf] (hierna: [ingehuurd bedrijf] Polen) heeft ingehuurd voor de mechanische montage. De Poolse vreemdelingen waren in dienst van [ingehuurd bedrijf] Polen, maar verrichtten feitelijk werkzaamheden ten behoeve van verdachte. Gezien het ruime werkgevers-begrip in artikel 1, onder b, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), kan verdachte worden aangemerkt als werkgever van deze Polen in de zin van de Wav. 9 De strafbaarheid van het bewezene. Het bewezenverklaarde levert op overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, begaan door een rechtspersoon, negen maal gepleegd. Overtreding van dit voorschrift is in de Wet op de economische delicten strafbaar gesteld. De verdediging heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat het bewezenverklaarde evenwel niet strafbaar is, omdat sprake is van grensoverschrijdende levering van diensten door een Poolse onderneming met eigen Poolse werknemers en het stellen van de eis van een tewerkstellings-vergunning is strijd is met - kort gezegd - Europees recht. De economische politierechter overweegt hierover het volgende. Uit de zich in het dossier bevindende stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte, als leverancier van de productielijn, [ingehuurd bedrijf] Duitsland als onder-aannemer heeft gecontracteerd voor (een deel van) de installatie van die productielijn. RECHTDOENDE beslist de economische politierechter als volgt. Hij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven. Hij verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Hij verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte terzake van alle rechtsvervolging. Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, economische politierechter, in tegenwoordigheid van de griffier Hoppenbrouwers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 april 2006.