Rechtspraak Rechtbank Breda 2005-09-23
ECLI:NL:RBBRE:2005:AU9742
Civiel recht
50117/ KG ZA 05-474 RECHTBANK BREDA Sector civiel recht Team handelsrecht Voorzieningenrechter 23 september 2005 VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van: [eiseres], wonende te [woonplaats], feitelijk verblijvende in de Penitentiaire Inrichting voor vrouwen te Breda, e i s e r e s bij dagvaarding van 2 september 2005, procureur: mr. E.C.M. Wagemakers, advocaat : mr. F. Koster, t e g e n : DE STAAT DER NEDERLANDEN (Dienst Justitiële Inrichtingen, Ministerie van Justitie), zetelende te Den Haag, g e d a a g d e , procureur: mr. E.C.M. Wagemakers, advocaat : mr. A.Th.M. Ten Broeke. 1. Het verloop van het geding. Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken: - de dagvaarding; - de pleitnota van mr. Koster en de door eiseres in het geding gebrachte producties; - de pleitnota van mr. Ten Broeke en de door gedaagde in het geding gebrachte producties. Partijen hebben voorts hun standpunten ter terechtzitting mondeling toegelicht. Eiseres, verder te noemen [eiseres], vordert als voorlopige voorziening bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren: a. gedaagde, verder te noemen de Staat, te bevelen om [eiseres] terstond en in ieder geval binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis in kort geding te plaatsen in een tbs-kliniek; b. te bepalen dat indien [eiseres] niet binnen de door de voorzieningenrechter bepaalde termijn in een tbs-kliniek wordt geplaatst, zij onmiddellijk na het verstrijken van deze termijn in vrijheid wordt gesteld en zowel in geval a als b te bepalen dat indien en zolang de Staat niet voldoet aan het vonnis en daarmee de onrechtmatigheid voortduurt, de Staat een dwangsom verbeurt ten bedrag van € 250,- per dag, nadat twee dagen na betekening van het vonnis zijn verstreken; c. de Staat, bij wijze van voorschot, te veroordelen om aan [eiseres] een tegemoetkoming uit te keren van € 350,- per maand vanaf de dag dat het verblijf van [eiseres] als tbs-passant in een PI zes maanden heeft geduurd tot de dag waarop de plaatsing in een tbs-inrichting daadwerkelijk is verwezenlijkt, met dien verstande dat dit bedrag telkens na het verstrijken van een periode van drie maanden van voortgezet verblijf wordt verhoogd met een bedrag van € 125,- per maand; d. de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding. De Staat heeft daartegen verweer gevoerd. 3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor. 3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten: - [eiseres] is op 4 september 2002 in verzekering gesteld vanwege haar betrokkenheid bij brandstichting in een woning. - Bij vonnis d.d. 21 mei 2003 van de rechtbank te Roermond is [eiseres] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden en terbeschikkingstelling (hierna tbs) met dwangverpleging. Dit vonnis is bevestigd bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 4 november 2003. Het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is bij arrest d.d. 1 februari 2005 door de hoge raad verworpen. - [eiseres] bevindt zich thans als tbs-passant in de penitentiaire inrichting Breda in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek. - Bij brief d.d. 23 augustus 2005 heeft [eiseres] de Staat gesommeerd haar binnen 7 dagen in een tbs-kliniek te plaatsen, dan wel haar onmiddellijk in vrijheid te stellen indien de plaatsing in een tbs-kliniek niet binnen die termijn gerealiseerd is. - De Staat (Dienst Justitiële Inrichtingen) heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven en heeft [eiseres] bij brief d.d. 25 augustus 2005 meegedeeld dat de gemiddelde wachttijd voor opname 15 maanden bedraagt en dat in het geval van [eiseres] de wachttijd is ingegaan op 1 februari 2005. 3.2 [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vorderingen aangevoerd dat de Staat in strijd met het recht handelt door haar niet in een tbs-kliniek te plaatsen. Aan [eiseres] is 274 dagen gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging opgelegd, terwijl zij zich per 24 augustus 2005 al 1084 dagen, derhalve 810 dagen onnodig, in detentie bevindt. Dit is volgens [eiseres] in strijd met artikel 5 EVRM, zoals ook is bepaald in de uitspraken van het EHRM van 11 mei 2004 inzake Brand (nr. 49902/99) en Morsink (nr. 48865/99), welke uitspraken inmiddels door de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugd-bescherming zijn overgenomen. Een passantentijd van meer dan 6 maanden is onrechtmatig, aldus [eiseres]. Ten slotte heeft [eiseres] aangevoerd dat er in haar geval sprake is van een evidente medische noodzaak tot behandelen gelet op haar lichamelijke en geestelijke gezondheid. 3.3 De Staat heeft het verweer gevoerd dat plaatsing van [eiseres] weliswaar zo spoedig mogelijk dient te geschieden doch dat door capaciteitsproblemen een lange wachtlijst bestaat. In dat kader heeft de Staat aangevoerd dat haar beleid met betrekking tot de wachtlijst volgens recente jurisprudentie de redelijkheidstoets kan doorstaan en dat plaatsing van [eiseres] – uitgaande van de gemiddelde wachttijd van 15 maanden – nog tot het voorjaar van 2006 op zich zal laten wachten. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op grond van zwaarwegende belangen aanspraak kan maken op voorrang, ten koste van de passanten die boven haar op de wachtlijst staan, aldus de Staat. 3.4 In dit kort geding ligt in essentie de vraag voor of De Staat gehouden is [eiseres] onmiddellijk, dan wel op de kortst mogelijke termijn, te plaatsen in een tbs-kliniek dan wel – bij gebreke daarvan – haar in vrijheid te stellen. 3.5 Op grond van het bepaalde in artikel 38d, eerste lid Sr vangt de duur van de tbs aan op de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. Dit houdt in dat [eiseres] vanaf 1 februari 2005 – thans ruim 7 maanden – als tbs-passant kan worden aangemerkt. 3.6 Artikel 12 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden bepaalt dat plaatsing van een ter beschikking gestelde geschiedt voordat de termijn van tbs 6 maanden heeft gelopen. Deze termijn kan op grond van het bepaalde in artikel 12 lid 2 van voormelde wet worden verlengd. Op grond van de uitspraken van het EHRM van 11 mei 2004 inzake Brand (nr. 49902/99) en Morsink (nr. 48865/99) en de uitspraken van de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming kan worden aangenomen dat een termijn van zes maanden of meer voor tbs-passanten in beginsel onrechtmatig is in het licht van artikel 5 lid 1 EVRM. Het feit dat ten aanzien van [eiseres] die termijn inmiddels is overschreden, kan echter niet zonder meer tot de conclusie leiden dat [eiseres] per direct in vrijheid zou moeten worden gesteld. Van onrechtmatige detentie is pas sprake indien in redelijkheid niet meer kan worden geoordeeld dat het uitblijven van plaatsing in een tbs-kliniek nog door de omstandigheden wordt gewettigd. Eerst dan kan worden gezegd dat, hoewel voor het voortgezette verblijf van een tbs-passant in het huis van bewaring een wettelijke grondslag aanwezig is, het nog langer doen voortduren van dat verblijf in strijd is met hetgeen in het licht van artikel 5 EVRM toelaatbaar is en overigens ook naar regels van ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat plaatsing in een tbs-kliniek door de strafrechter is opgelegd met als doel de maatschappij tegen recidive te beschermen. Dit betekent dat invrijheidstelling in beginsel maatschappelijk niet verantwoord moet worden geacht en in strijd komt met de (onherroepelijke) rechterlijke beslissing waarbij de maatregel tot plaatsing in een tbs-kliniek is opgelegd. Daar staat echter tegenover het belang van [eiseres] om op de kortst mogelijke termijn geplaatst te worden in een tbs-kliniek. Want hoewel er naar Nederlands recht een titel aanwezig is voor het verblijf als passant mag niet uit het oog worden verloren dat dat verblijf in het teken staat van de plaatsing in een kliniek ter behandeling en dat [eiseres], gelet ook op de jurisprudentie van het EHRM, op die behandeling ook aanspraak kan maken. Dat betekent dat enige wachttijd, gelet op de frictie tussen vraag naar en aanbod van plaatsen, aanvaardbaar is maar dat, zeker nu tijdens die wachttijd geen of nauwelijks selectie, laat staan intensieve selectie of behandeling plaatsvindt, die wachttijd naar voorlopig oordeel in aansluiting op de uitspraken van het EHRM, niet langer moet duren dan zes maanden. Verwacht mag worden immers dat de langere wachttijd ook zal kunnen resulteren in een feitelijke verlenging van de behandelduur. De voorzieningenrechter: beveelt de Staat om [eiseres] binnen een termijn van 9 maanden na 1 februari 2005 te plaatsen in een tbs-kliniek; bepaalt dat indien [eiseres] niet binnen voormelde termijn in een tbs-kliniek is geplaatst, zij onmiddellijk na het verstrijken van voormelde termijn in vrijheid dient te worden gesteld; veroordeelt de Staat in de kosten van het geding deze voor zover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op € 1.145,60, waaronder begrepen een bedrag van € 816,= aan procureurssalaris, bepaalt, nu die wederpartij een toevoeging tot kosteloze rechtsbijstand heeft aangevraagd en in het geval deze zal worden verleend, dat die kostenbetaling dient te geschieden door voldoening A. aan de griffier van deze rechtbank, door middel van overschrijving op bankrekeningnummer 192325779, Rabobank Nederland N.V. ten name van DS 535 Breda - wegens het in debet gestelde deel griffierecht € 183,= - wegens exploitkosten € 85,60 - wegens procureurssalaris € 816,= - met welke bedragen de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 243 Rv; B. aan [eiseres] het voor rekening van die partij gekomen deel van het griffierecht ad € 61,=; bepaalt, dat in het geval de toevoeging mocht worden geweigerd betaling van die kosten dient plaats te vinden rechtstreeks aan de wederpartij; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; weigert het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Steenbeek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 23 september 2005, in tegenwoordigheid van mr. J.A.I. Verheijen-van Gool, waarnemend griffier. 3.13 Van de Staat mag worden verwacht dat zij een veroordelend vonnis naleeft, zodat de gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen. 3.14 De vergoeding die [eiseres] sub 3 van inleidende dagvaarding heeft gevorderd zal eveneens worden afgewezen nu gesteld noch gebleken is dat [eiseres] bij deze vordering een spoedeisend belang heeft. Bovendien staat voor [eiseres] de mogelijkheid open deze vordering in te stellen bij de Raad voor Strafrechtstoepassing. 4. De kosten. De Staat dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.