Rechtspraak 1999-05-20
ECLI:NL:RBBRE:1999:AA4015
98 / 939 WET WOE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA Zevende kamer Uitgesproken d.d.: 20 mei 1999 UITSPRAAK in het geding tussen: Monisima Primo Beheer B.V., te Zwanenburg, eiseres, mr. E.C. Berkouwer te Amsterdam, gemachtigde, en de raad van de gemeente Tilburg, te Tilburg, verweerder. 1. Procesverloop: Bij besluit van 3 november 1997 heeft verweerder een voorkeursrecht gevestigd op (onder meer) de grond van eiseres aan de Heuvelstraat te Tilburg, kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie […]. De bezwaren van eiseres hiertegen zijn door verweerder bij het bestreden besluit van 27 april 1998 ongegrond verklaard. Dat besluit is op 26 mei 1998 aan eisers gezonden. Eiseres heeft bij brief van 4 juni 1998 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep is aangevuld bij brief met kenmerk 147291.2498, ter griffie op 22 juni 1998 binnengekomen. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 5 augustus 1998 een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft voorts bij brief van 2 februari 1999 een aantal stukken aan de rechtbank gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van 9 april 1999. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A. Geleerd, bijgestaan door mr. E.C. Berkhouwer. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. M.J. Weerts en F.P.A.J. van Grinsven. 2. Beoordeling: Op 9 september 1997 hebben burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: b&w) ingevolge artikel 8a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) besloten de raad voor te stellen op basis van artikel 8 van de Wvg een aantal percelen in de omgeving van het Pieter Vreedeplein te Tilburg aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Daartoe behoort ook de grond van eiseres. Bij besluit van 3 november 1997 heeft verweerder conform het voorstel van b&w besloten. Hiertoe is door verweerder - samengevat - overwogen dat ter versterking van de regionale functie van de Tilburgse binnenstad het zogenoemde kernwinkelgebied in kwantitatief en kwalitatief opzicht dient te worden uitgebreid (hierna: het plan), zulks conform de Nota Binnenstad Tilburg van juli 1995 (hierna: de nota). De realisering van het plan dient door toepassing van de Wvg zoveel mogelijk te worden gegarandeerd, aldus verweerder. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres tegen voornoemd raadsbesluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit - samengevat - aangevoerd, en ter zitting aangevuld, dat de artikelen 2a juncto 8 van de Wvg zien op een op nationaal of provinciaal niveau gegeven verstedelijkingstaakstelling. Nu in casu sprake is van herontwikkeling van de binnenstad op gronden die niet vallen onder die verstede- lijkingstaakstelling was verweerder niet bevoegd (voornoemde artikelen van) de Wvg toe te passen, aldus eiseres. Voorts betwist eiseres dat de aan de grond toegedachte bestemming afwijkt van het huidige gebruik ervan. Tenslotte stelt eiseres zich op het standpunt dat de gevolgen van het bestreden besluit voor haar onevenredig nadelig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen belangen. De rechtbank overweegt op basis van de beroepsgronden het volgende. De artikelen 2a, 3 en 8 van de Wvg luiden, voor zover in casu relevant, als volgt. Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van de Wvg kan een besluit als bedoeld in artikel 8 van de Wvg worden genomen door de raad van een gemeente waaraan zelfstandig of samen met andere gemeenten blijkens nationaal of provinciaal ruimtelijk beleid uitbreidingscapaciteit is toegedacht of gegeven. In gevallen waarin een zodanige capaciteit niet is toegedacht of toegekend, wordt het besluit niet genomen dan nadat van gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar is verkregen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wvg komen gronden, begrepen in een structuurplan, die bij zodanig plan zijn aangewezen voor stads- en dorpsvernieuwing in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of in een De rechtbank overweegt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd het vervreemdingsrecht te beperken in die zin dat een eigenaar eerst tot vervreemding kan overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld de gronden te kopen. Voornoemde beperking van het vervreemdingsrecht kan op zichzelf dan ook niet doorslaggevend zijn in de beoordeling of sprake is van een onevenredige belangenafweging. Voorts doet dat effect zich eerst voor bij een door eiseres voorgenomen verkoop. Verder is bij de uiteindelijke waardebepaling bij aankoop door de gemeente ingevolge het voorkeursrecht het schadevergoedingsstelsel van de Onteigeningswet van overeenkomstige toepassing, zulks door de verwijzing dienaangaande in artikel 16, vierde lid, van de Wvg. In het licht van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onevenredige belangenafweging. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van feiten of omstandigheden die verweerder aanleiding hadden behoren te geven af te zien van gebruikmaking van de in artikel 8, eerste lid, van de Wvg toegekende aanwijzingsbevoegdheid. Eiseres heeft betoogd dat geen sprake is van afwijkend gebruik in de zin van artikel 8 van de Wvg. De rechtbank stelt in dat kader vast dat de vestiging van het voorkeursrecht voor wat betreft de onderliggende planologische visie is gebaseerd op voornoemde nota waarin de toekomstige Tilburgse binnenstad op ruimtelijk-functioneel niveau is ingedeeld in een winkel-, woon-, horeca-, cultureel- en kantorengebied. In de nota is per deelgebied aangegeven welke kenmerkende functie daaraan wordt toegedacht. Daarbij sluit de nota een menging van functies niet uit, een en ander voorzover die menging de aan dat deelgebied toegedachte kenmerkende functie niet in de weg staat. Voorts is in de nota aangegeven dat de herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein het belangrijkste project is voor de versterking van de winkelfunctie in het oostelijke gedeelte van de binnenstad. In dit oostelijke deel van de binnenstad zal het zwaartepunt van het winkelgebied zich op de lange termijn concentreren, waarbij aan het oostelijke deel van de Heuvelstraat een noord-zuidlopende hoofdwinkelas wordt toegevoegd. Daartoe zal een verbinding moeten worden gemaakt tussen de Magazijnstraat en de Emmapassage. Het is evenwel nog niet bekend waar die passage exact komt te liggen. Verweerder heeft voor wat betreft de toegedachte bestemming van het perceel van eiseres overwogen dat, gelet op hetgeen onder meer in de nota tot uitdrukking is gebracht ten aanzien van de versterking van het winkelgebied, zeker een bestemmingswijziging ten opzichte van het huidige gebruik van de grond zal optreden. Daarbij heeft verweerder, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de AbRS, gesteld dat bij een vergelijkbaar maar intensiever gebruik dan het bestaande gebruik, al van een afwijkend gebruik kan worden gesproken. Vooropgesteld zij dat artikel 8 van de Wvg op zichzelf kan worden toegepast in een eerste fase van ruimtelijke planvorming, waarin het in het algemeen slechts mogelijk is een globale bestemming aan te geven en waarbij nog niet precies hoeft vast te staan hoe die bestemming verder uitgewerkt zal worden. Wel zal in voldoende mate vastgesteld moeten kunnen worden dat sprake is van afwijkend gebruik in voormelde zin. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen. De onderhavige grond van eiseres ligt in een gebied met de bestemming "Centrumdoeleinden, detailhandelszone" en wordt gebruikt voor een winkel. Gelet op de nota worden aan het gebied waarin de grond van eiseres is gelegen bestemmingen ten behoeve van winkelen, wonen, kantoren, cultuur, horeca en parkeren toegedacht, door verweerder in zijn totaliteit ook wel aangeduid als hoofdkernwinkelgebied. Deze toegedachte bestemming vormt naar het oordeel van de rechtbank om de navolgende redenen een vergelijkbaar doch geen "intensiever" gebruik zoals de AbRS wel heeft aangenomen in de in voornoemde uitspraak beoordeelde