Rechtspraak 1999-02-25
ECLI:NL:RBBRE:1999:AA3433
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA Zevende kamer 97 / 2472 WET WOE Uitgesproken d.d.: 25 februari 1999 UITSPRAAK in het geding tussen: Stichting Beroepsonderwijs Midden-Brabant (CBM), gevestigd te Tilburg, eiseres, mr. G.J.M. Cartigny te Rotterdam, gemachtigde, en de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen, te Zoetermeer, verweerder, mr. Y.K de Boer, gemachtigde. 1. Procesverloop: Eiseres heeft op 9 oktober 1997 beroep ingesteld, aangevuld bij brief van 28 oktober 1997, tegen verweerders besluit van 29 augustus 1997 (hierna: het bestreden besluit), waarbij de bezwaren van eiseres gedeeltelijk gegrond zijn verklaard en voor het overige het primaire besluit van 21 juni 1996 tot intrekking van eerder afgegeven begunstigende besluiten is gehandhaafd. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank ingezonden en bij brief van 18 december 1997 een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft bij brief van 8 juli 1998 een stuk in het geding gebracht. Het beroep is behandeld ter zitting van 23 juli 1998. Eiseres is verschenen bij gemachtigde mr. G.J.M. Cartigny. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. Y.K. de Boer. 2. Beoordeling: In de periode februari 1995 tot en met juni 1995 zijn door het bestuur van eiseres in het kader van de zogenoemde instroomtoets wachtgelden, schriftelijk aan verweerder meldingen gedaan van ontslag wegens ongeschiktheid van 25 bij eiseres werkzame personen. Verweerder heeft in reactie daarop in de periode februari 1995 tot en met juli 1995 aan eiseres per ontslagmelding onder aanduiding van het onderwerp "instroomtoets" meegedeeld dat de melding geen aanleiding geeft tot het instellen van een nader onderzoek (hierna: de instroombeschikking). Bij brief van 28 september 1995 heeft verweerder, onder verwijzing naar de zijns inziens ongebruikelijke opeenstapeling van 25 ontslagen wegens ongeschiktheid in een relatief korte tijdspanne, eiseres verzocht om nadere informatie over die ontslagen. Hierop heeft eiseres bij brief van 12 oktober 1995 aan verweerder ter zake een nadere uitleg gegeven. Naar aanleiding van die uitleg heeft verweerder vervolgens bij brief van 26 oktober 1995 eiseres verzocht een overzicht te verstrekken van de perioden van ongeschiktheid van de ontslagen personen, de met die personen gehouden functioneringsen beoordelingsgesprekken en de getroffen maatregelen om de ongeschiktheid te verminderen. Eiseres heeft hierop schriftelijk op 3 november 1995, onder verwijzing naar een aantal bijlagen, een uiteenzetting gegeven van (de ontwikkelingen in) haar personeelsbeleid. Voorts is in die brief gemeld dat als onderdeel van eiseres' personeelsbeleid de dossiers van haar personeel na afronding van de interne ontslagprocedure zijn vernietigd. In een gesprek tussen partijen op 10 november 1995 ten kantore van verweerder is door eiseres van de ontslagen personen per persoon een beknopt persoonsdossier overhandigd. Verweerder heeft bij brief van 29 februari 1996 het voornemen geuit de instroombeschikkingen in te trekken. Eiseres is daarbij in de gelegenheid gesteld nogmaals haar zienswijze naar voren te brengen. Voorts is in die brief in overweging gegeven verklaringen van (ex-) collega's en leidinggevenden over te leggen, waaruit het problematisch functioneren van de ontslagen personen blijkt. Bij brief van 5 maart 1996 heeft eiseres aangeboden met een aantal leidinggevenden ten kantore van verweerder antwoord te geven op eerder door verweerder gestelde vragen. Tevens is verweerder schriftelijk op 23 april 1996 medegedeeld dat vanaf september 1995, in afwijking van eiseres' beleid ter zake, persoonsdossiers niet meer worden vernietigd na het afronden van de interne ontslagprocedure. Eiseres heeft tenslotte eind maart 1996 ten kantore van verweerder een nader onderhoud gehad. In het primaire besluit van 21 juni 1996 zijn door verweerder 23 instroombeschikkingen ingetrokken. Daartoe is gesteld dat eiseres niet met informatie heeft aangetoond dat daadwerkelijk sprake is (7 juli 1992, Staatsblad 402, hierna: het formatiebesluit) kan de minister onder door hem te stellen voorwaarden, in verband met de bijzondere omstandigheden die de school betreffen, aan het bevoegd gezag van een school een aanvullende vergoeding in de personeelskosten toekennen. Blijkens de toelichting hierop vindt dit artikel ook toepassing bij kosten van ontslag wegens ongeschiktheid (niet medisch). De door de minister te stellen voorwaarden zijn neergelegd in de uitvoeringspublicatie instroomtoets b.v.e.-sector en WOV-instellingen met ingang van 1 januari 1995 (hierna: de uitvoeringspublicatie). Hierin is vermeld dat een ontslagmelding wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie geschiedt op een formulier conform de bijlage bij die uitvoeringspublicatie, waarbij een afschrift van de akte van ontslag is gevoegd. Namens de minister wordt door de hoofddirectie CFI getoetst of die melding een onvermijdbaar ontslag betreft. Bij wet van 9 maart 1995 "budgettering wachtgelden en instelling participatiefonds" (hierna: de wet van 9 maart 1995) is met ingang van 1 augustus 1995 artikel 98b aan de WVO toegevoegd. Dit artikel bepaalt in het eerste en tweede lid dat het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij het participatiefonds en dat de school jaarlijks aan dat fonds een bijdrage voldoet in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen. Tevens is bij voornoemde wet van 9 maart 1995 artikel 96p van de WVO vervallen en is artikel 96o van de WVO van overeenkomstige toepassing verklaard voor het m.b.o. In lid 3 van laatstgenoemd artikel is bepaald, dat op de vergoeding (bedoeld in artikel 96m van de WVO) in mindering worden gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen ten behoeve van gewezen personeel, tenzij het participatiefonds, zoals bedoeld in artikel 98b van de WVO, heeft ingestemd met het ten laste van dat fonds brengen van de kosten van werkloosheidsuitkeringen. Naar aanleiding van de wet van 9 maart 1995 heeft de uitvoeringspublicatie met ingang van 1 augustus 1995 eveneens wijzigingen ondergaan (hierna: de gewijzigde uitvoeringspublicatie). Onder meer is daarin geregeld dat de ontslagmelding, vergezeld van een verklaring met betrekking tot de zogenoemde inspanningsverplichting, wordt getoetst door het participatiefonds en dat, bij instemming met het ontslag, de kosten ervan voor rekening van het participatiefonds komen. Eiseres heeft allereerst gesteld dat met de inwerkingtreding op 1 augustus 1995 van de wet van 9 maart 1995 de bevoegdheid tot het nemen van instroombeschikkingen en daarmee ook de bevoegdheid tot intrekking ervan is overgegaan van de minister op het participatiefonds. Nu de intrekking dateert van na de inwerkingtreding van die wet, was mitsdien de minister daartoe niet bevoegd, aldus eiseres. De instroombeschikkingen ter zake van de ontslagmeldingen zijn namens de minister genomen op grond van artikel 96p van de WVO, in samenhang met artikel 7 van het formatiebesluit en de uitvoeringspublicatie. De kosten van die ontslagen komen blijkens die regelgeving ten laste van het Rijk. Bij wet van 9 maart 1995 is vervolgens met ingang van 1 augustus 1995 de bevoegdheid tot het nemen van instroombeschikkingen overgegaan op het participatiefonds en komen de kosten van geaccordeerde ontslagmeldingen voor rekening van dat fonds. In de wet van 9 maart 1995 en de op grond daarvan gewijzigde WVO en uitvoeringspublicatie is niet voorzien in de bevoegdheid tot intrekking van instroombeschikkingen die v¢¢r 1 augustus 1995 door de minister zijn genomen. Nu regel is dat de door de minister genomen instroombeschikkingen anders dan de instroombeschikkingen genomen door het participatiefonds ten laste komen van het Rijk, brengt een redelijke wetsuitleg naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de minister, die op grond van voornoemde regelgeving bevoegd was tot het nemen van de instroombeschikkingen, tevens bevoegd blijft, op grond van de "actus contrarius" tot het intrekken van die beschikkingen. Do Met name kunnen daarvoor de artikelen 97 en 115 van de WVO geen grondslag bieden, nu die artikelen zien op het bijhouden en verstrekken van informatie ten behoeve van de controle van de boekhouding van een school, respectievelijk het verstrekken van informatie aan de inspectie van het voortgezet onderwijs. Ook artikel 103 van de WVO biedt de door verweerder gestelde wettelijke grondslag niet, nu dat artikel eiseres slechts in algemene zin verplicht tot het informeren van verweerder over zaken die de bekostiging van haar school aangaan. Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank de verplichting tot het bewaren en overleggen van persoonsdossiers uit de uitvoeringspublicatie worden afgeleid. Hierin is, behoudens de mededeling dat de ontslagmelding geschiedt op een formulier onder bijvoeging van een afschrift van de ontslagakte, geen voorschrift opgenomen over het bewaren en desgevraagd overleggen van specifieke informatie aan verweerder. Uit de stukken blijkt dat verweerder eerst bij brief van 26 oktober 1995 eiseres heeft verzocht de persoonsdossiers over te leggen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder daaraan voorafgaand op enigerlei wijze aan eiseres bekend heeft gemaakt dat ten behoeve van het toetsen van de ontslagmeldingen de persoonsdossiers bewaard en zonodig overgelegd dienden te worden. De rechtbank wijst er daarbij op dat bij verweerder, zoals in verweer gesteld en ter zitting bevestigd, in juli 1995 naar aanleiding van het aantal ontslagmeldingen van eiseres twijfels rezen over die ontslagen. Desalniettemin heeft verweerder in juli 1995 nog een aanzienlijk aantal instroombeschikkingen genomen zonder eiseres daarbij in te lichten over de gerezen twijfel en zonder haar te verzoeken de persoonsdossiers te bewaren. De rechtbank is uit de stukken en het verhandelde ter zitting voorts niet gebleken, dat het eiseres voor bovengenoemde brief van 26 oktober 1995 redelijkerwijs duidelijk had behoren te zijn dat ten behoeve van de toetsing van ontslagmeldingen de persoonsdossiers van ontslagen personeelsleden bewaard en zonodig overgelegd dienden te worden. De uitvoeringspublicatie regelt daarover niets, terwijl het daarin neergelegde beleid inzake de wijze van ontslagmelding en de marginale toetsing ervan evenmin een indicatie vormt voor de noodzaak of wenselijkheid van het bewaren van persoonsdossiers. Ook de instroombeschikkingen zelf leverden een dergelijke indicatie niet op, nu daarin is geschreven dat de melding geen aanleiding vormt tot het instellen van een nader onderzoek. Tenslotte acht de rechtbank van belang, dat ook op basis van de concrete afwikkeling van de ontslagen eiseres niet behoefde te vermoeden dat hierover problemen zouden ontstaan, waardoor het bewaren van de persoonsdossiers op zijn plaats zou zijn. Ter zitting zijn door verweerder in algemene zin twijfels geuit omtrent de door eiseres gestelde reden de persoonsdossiers te vernietigen, te weten dat jaarlijks in de zomervakantie-periode de persoonsdossiers worden vernietigd van personeelsleden die na de vakantie niet meer op school zullen terugkeren en waarvan het ontslag definitief is. Afgezien van de omstandigheid dat die twijfel door verweerder niet is onderbouwd en mitsdien niet kan dienen als nadere toelichting c.q. aanvulling op zijn bestreden besluit, merkt de rechtbank op, dat eiseres genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat die vernietiging voortvloeide uit een bestendig, op privacybelangen gestoeld, beleid ter zake. Gelet hierop zijn, zoals onbetwist door eiseres gesteld, reeds voor het moment waarop verweerder voor het eerst naar eiseres zijn twijfels over de ontslagen heeft geuit, te weten bij brief van 28 september 1995, de dossiers van de 11 betrokken personeelsleden vernietigd. Eiseres heeft voorts onbetwist gesteld dat zij na voornoemde brief van 26 oktober 1995 waarin om persoonsdossiers is verzocht, geen persoonsdossiers meer heeft opgeschoond. Tenslotte acht de rechtbank van belang dat geen persoonsdossiers zijn vernietigd voordat