Rechtspraak 1999-03-30
ECLI:NL:RBASS:1999:AA3659
UITSPRAAK Arrondissementsrechtbank Assen Vijfde meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Kenmerk: 98 / 322 WAO P01 G04 U I T S P R A A K In het geding tussen A en Co accountants, gevestigd te B, eiseres, en het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), GAK Nederland B.V., kantoor Groningen, verweerder. Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen Z te Y. I. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld bij de rechtbank te Groningen tegen het besluit van verweerder van 25 maart 1998. In de kennisgeving van het besluit is vermeld dat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank te Groningen. De rechtbank te Groningen heeft het beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank te Assen, omdat eiseres gevestigd is in Emmen. De enkelvoudige kamer van de rechtbank te Assen heeft het beroep in behandeling genomen. Z is door de enkelvoudige kamer van de rechtbank aangemerkt als belanghebbende bij de beslissing op het verzoek. Hij heeft desgevraagd medegedeeld als partij aan het geding deel te willen nemen. De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft hem vervolgens als partij aangemerkt. Verweerder heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingediend. Deze zijn in afschrift aan partijen toegezonden. Eiseres heeft geantwoord op vragen van de enkelvoudige kamer, betrekking hebbend op het belang bij het beroep. De enkelvoudige kamer heeft de verdere behandeling van het beroep verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen zijn uitgenodigd om op de te houden zitting te verschijnen. Als getuigen voor de zitting zijn opgeroepen mevrouw M. Willemsen, bedrijfsarts van de Arbo Management Groep, en de heer M. Oele, verzekeringsarts van Gak Nederland BV. Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer op 22 december 1998. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door A, accountant en belastingadviseur, die is bijgestaan door mr. E. Sportel, advocaat te Emmen. Voor verweerder is verschenen mr. J. Hettinga, juridisch medewerker van GAK Nederland BV. Z is in persoon verschenen. De getuigen Oele en Willemsen zijn gehoord. Partijen hebben hun standpunt uiteengezet. II. Motivering IIa. achtergrond Artikel 39a WAO In artikel 39a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is een regeling neergelegd ten behoeve van personen met een chronische aandoening, welke eventueel tot gevolg kan hebben dat sprake is van een wisselend vermogen om arbeid te verrichten als gevolg van wisselingen in de gezondheidstoestand. Deze personen hebben weliswaar een chronische aandoening, doch kunnen met die aandoening op zichzelf arbeid verrichten. Omdat bij de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid het soort aandoening op zichzelf geen rol speelt, achtte de wetgever het van belang een regeling in het leven te roepen, welke er toe strekt de kansen van deze personen op het verkrijgen van arbeid te vergroten. Naar het oordeel van de wetgever was er namelijk sprake van dat werkgevers minder geneigd waren dergelijke personen in dienst te nemen of te houden, omdat zij van mening waren dat er sprake is van een verhoogd risico op uitval van die personen. Om de nadelige gevolgen voor de werkgever van een uitval wegens ziekte minder bezwaarlijk te maken, houdt artikel 39a WAO een regeling in die de loondoorbetalingsplicht van de werkgever feitelijk beperkt. Artikel 39a, eerste lid, WAO luidt als volgt: "Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd". Werkgever en beroep tegen toekenning van wao-uitkering Met ingang van 1 januari 1998 is de WAO ingrijpend gewijzigd als gevolg van de inwerkingtreding van het stelsel van gedifferentieerde premies (Wet Pem Hij had geen leidinggevende functie meer en had volgens de verzekeringsgeneeskundige "problemen in de werksfeer". Terzake van deze arbeidsongeschiktheid heeft de heer Z over de maximumperiode uitkering ingevolge de Ziektewet gekregen. Daarna is hem met ingang van 20 november 1995 een wao-uitkering toegekend. Hij werkte toen 20 uur per week. De inkomsten uit arbeid werden verrekend met de wao-uitkering. De tewerkstelling geschiedde op basis van een door de arbeidsdeskundige O. Labordus uitgewerkt reïntegratieplan. De verzekeringsarts heeft inlichtingen ingewonnen bij de behandelend psychiater. Deze bevinden zich onder de gedingstukken. De verstrekte inlichtingen hebben geleid tot voortzetting van de uitkering. In het voorjaar van 1996 heeft eiseres aan de verzekeringsarts doen weten dat Z de in het reïntegratieplan gestelde doelen in de verste verten niet benaderde en dat niet alleen Z problemen had maar ook het kantoor van eiseres, omdat dit maar een beperkte personeelsomvang heeft. Sedertdien is er geen wezenlijke verbetering in de verhouding tussen eiseres en Z opgetreden. Z is een toenemend aantal uren gaan werken en het arbeidsongeschiktheidspercentage is een aantal malen gewijzigd, laatstelijk is het gesteld op 15-25 met ingang van 1 maart 1997. Daarna is bij besluit van 22 april 1997 de wao-uitkering ingetrokken met ingang van 1 juni 1997, omdat er volgens verweerder sprake was van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit besluit is echter bij een later genomen besluit ingetrokken met de bedoeling de wao-uitkering voort te zetten naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15-25. Er is geen beroep ingesteld tegen deze besluiten door Z. Eiseres heeft evenmin beroep ingesteld. Volgens het toen geldende artikel 2a WAO was dit ook niet mogelijk. Op 20 mei 1997 is Z opgenomen in het ziekenhuis met een hartinfarct. Hij is ziekgemeld bij eiseres en het GAK Nederland BV. Eiseres heeft in verband met de financiële lasten, die uit de nieuwe ziekmelding voortvloeien een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 39a WAO. De arbo-arts mevrouw M. Willemsen heeft zich hier achter gesteld. Verweerder heeft in verband hiermee advies gevraagd aan de verzekeringsarts M. Oele. Deze heeft geconcludeerd: "er is wel sprake van doorloop, maar geen sprake van de wet Amber". Hij heeft daartoe een vergelijking gemaakt van de toestand van de heer Zijlstra op 20 mei 1997 ten opzichte van de toestand op de dag van toekenning van de wao-uitkering. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 20 oktober 1997 beslist: - dat de arbeidsongeschiktheid van Z met ingang van 20 mei 1997 is toegenomen van 15-25% arbeidsongeschikt naar 80-100%; - dat deze toename niet voortvloeit uit dezelfde oorzaak als waarvoor de heer Z uitkering ontvangt; - dat daarmee niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 39a WAO en dat er dus een wachttijd van 52 weken geldt voordat de wao-uitkering kan worden verhoogd. Z heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft verzocht de uitkering met ingang van 20 mei 1997 te verhogen op grondslag van een arbeidsongeschiktheidsper centage van 80-100%. Dit bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 25 maart 1998. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Z heeft berust in het besluit. De weigering om artikel 39a WAO toe te passen is blijkens de kennisgeving van dit besluit als volgt gemotiveerd: "Aan u is met ingang van 20 november 1995 een arbeidson geschiktheidsuitkering toegekend..........Op basis van de medische gegevens en hetgeen u als bezwaar naar voren heeft gebracht wordt door onze bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat de toename van arbeidsongeschiktheid op 20 mei 1997 niet uit dezelfde ziekte-oorzaak voortkomt als waarvoor u sedert 20 november 1995 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Uw verzoek om herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage moet dan ook worden afgewezen". Verweerder heeft twee verschillende kennisgevingen van het besluit verstuurd: een naar eiseres en een naar Z. Beide kennisge Subsidiair is door verweerder aangevoerd dat onder het in artikel 39a WAO opgenomen begrip "uitkering wordt genoten" moet worden verstaan "uitkering is toegekend" en dat dus de toestand ten tijde van de uitval wegens het hartinfarct moet worden vergeleken met de toestand bij aanvang van de uitkering. IId overwegingen IId.1 privacy werknemer a. het verstrekken van medische gegeven aan de werkgever De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 88 c WAO voor het verstrekken van de door verweerder bij het besluit betrokken medische gegevens van A, aan eiseres. b. openbare behandeling De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een geval waarin een werknemer procedeerde over zijn recht op wao-uitkering, beslist dat het bepaalde in artikel 88h WAO zich niet verdraagt met artikel 6 EVRM, indien dit er toe leidt dat categorisch een openbare behandeling van een geschil omtrent het recht op wao- uitkering wordt uitgesloten (CRvB 25 februari 1998, RSV 1998/106). In de lijn van deze uitspraak, acht de rechtbank artikel 6 EVRM ook van toepassing op het door eiseres (de werkgever) aanhangig gemaakte geschil over de toekenning van wao-uitkering aan Z (werknemer). Enerzijds omdat Z als partij aan het geding deelneemt en -evenals eiseres- de rechtmatigheid van het besluit bestrijdt, anderzijds omdat het besluit als gevolg van het stelsel van premiedifferentieatie invloed heeft op de hoogte van de door eiseres te betalen wao- premie. Artikel 88h WAO strekt tot bescherming van de privacy van A. Nu de door artikel 88h WAO verboden openbare behandeling de privacy van Z niet aantast en er derhalve geen sprake is van een samenloop van artikel 6 EVRM met een andere bepaling van tenminste gelijke orde, leidt artikel 6 EVRM, als hogere norm dan artikel 88h WAO, tot de beslissing dat het verbod van artikel 88h WAO niet van toepas sing is. De rechtbank heeft het gehele onderzoek ter zitting dan ook met open deuren behandeld in aanwezigheid van de gemachtigden van eiseres en verweerder, die niet de hoedanigheid van arts bezitten. IId.2 belanghebbende; opvatting verweerder De rechtbank is van oordeel dat uit de jurisprudentie over het belanghebbendevereiste van artikel 8:1 juncto 1:2 Awb niet de voorwaarde kan worden afgeleid dat men slechts belanghebbende is bij het instellen van beroep, indien men met het beroep een belang nastreeft dat door de wetgever ten grondslag is gelegd aan een bepaalde wettelijke regeling, waarop het bestreden besluit is gegrond (specialiteitsbeginsel). De CRvB heeft in de uitspraak van 7 mei 1998, TAR 1998/119, als volgt overwogen: "... dat de vraag of de belangen waarin appellante beschermd wil worden deel uitmaken van de belangen die bij het aan de orde zijnde besluit moeten worden afgewogen, geen rol speelt bij de beoordeling van de vraag of appellante belanghebbende is". Het daartoe strekkende verweer wordt dan ook verworpen. Verweerders opvatting, inhoudend dat eiseres slechts wordt getroffen omdat Z een werknemer van eiseres is en dat bijgevolg niet zou worden voldaan aan het vereiste rechtstreekse causale verband tussen het besluit van verweerder en het daardoor getroffen zijn van eiseres, wordt eveneens verworpen, omdat deze stelling berust op een onjuiste weergave van de wijze waarop het bestreden besluit gevolgen voor eiseres heeft. De rechtbank is, anders dan verweerder, namelijk van oordeel dat Z en diens hoedanigheid van werknemer geheel buiten de (rechts)verhouding staat, waarvoor het bestreden besluit gevolgen heeft (naast de gevolgen in andere verhoudingen). Die (rechts)verhouding betreft de verhouding van eiseres met een particuliere verzekeraar. Eiseres heeft een contract gesloten met een particuliere verzekeraar, op grond waarvan eiseres een bepaalde dekking heeft tegen schade die door eiseres geleden wordt als gevolg van de verplichting om loon te betalen bij ziekte van een van de werknemers. Aangezien de dekking niet de eerste f 50.000,- aan schade betreft, heeft iedere verplichting v