Rechtspraak 1998-12-21
ECLI:NL:RBASS:1998:AA3948
Arrondissementsrechtbank Assen Zevende meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Kenmerk: 98 / 201 t/m 206, 212 t/m 214 BOUWB P07 U I T S P R A A K In de gedingen tussen A, te B, eiser 1, C, te D, eiser 2, E, te B, eiser 3, F, te D, eiser 4, G, te H, eiser 5, I, te D, eiser 6, J te B, eiser 7, K, te L, eiser 8, M, te N, eiser 9, en het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Emmen, verweerder. I. Procesverloop Namens eisers 1 t/m 6 heeft mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, beroep ingesteld tegen verweerders besluiten d.d. 10 februari 1998. Tegen een besluit van dezelfde datum en dezelfde strekking heeft mr. A.A. Kozijn, juridisch medewerker van ARAG Rechtsbijstand, beroep ingesteld namens eiser 7. Mr. J.J. Stassen, advocaat te Tilburg, heeft namens eisers 8 en 9 tegen vergelijkbare besluiten van dezelfde datum beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. In reactie daarop heeft mr. Van Groningen de gronden van het beroep aangevuld. Door de behandelend voorzitter gestelde vragen zijn door verweerder beantwoord onder overlegging van nadere stukken. De stukken zijn in afschrift aan partijen gezonden. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de zevende meervoudige kamer van de rechtbank op 3 november 1998. Verschenen zijn eisers 1, 2, 3, 5, 7 en 9. Zij werden bijgestaan door eerdergenoemde gemachtigden. Voor verweerder zijn verschenen A. Kruizinga en J. van de Veen, beiden werkzaam bij de gemeente Emmen. II. Overwegingen 1. Feiten Eiser 7 heeft op 26 maart 1997 een aanvraag ingediend voor het oprichten van twee fokvarkensstallen. Eisers 1 t/m 6 en 8 hebben vergelijkbare aanvragen ingediend (voor een of meer stallen) op 27 maart 1997. Eiser 9 heeft dit op 1 april 1997 gedaan. Alle aanvragen betreffen percelen die zijn gelegen in de omgeving van de Bredesloot te Emmer-Compascuum, gemeente Emmen. In zijn vergadering van 27 maart 1997 heeft de raad van de gemeente Emmen verklaard dat een herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Emmen" wordt voorbereid voor (onder meer) de percelen, waarop onderhavige aanvragen betrekking hebben. Dit voorbereidingsbesluit is in werking getreden op 2 april 1997. Bij besluiten van 19 juni 1997 heeft verweerder, in reactie op alle eerdergenoemde aanvragen, geweigerd bouwvergunning te verlenen. Daartoe is onder meer overwogen dat verweerder geen aanleiding ziet gebruik te maken van de bevoegdheid, gelegen in het vigerende bestemmingsplan, om de bestemming "Agrarisch gebied (zonder bouwperceel)" zodanig te wijzigen dat nieuwe agrarische bouwpercelen worden aangewezen ten behoeve van de uitoefening van onder meer een niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid. Tegen deze besluiten is door en namens eisers bezwaar gemaakt. Mr. Van Groningen heeft aangevoerd -samengevat weergegeven- dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd het bestemmingsplan te wijzigen. Eiser 7 heeft er op gewezen dat verweerder bij schrijven van 28 januari 1997 heeft toegezegd mee te willen werken aan de realisering van zijn plannen. Om die reden acht hij het besluit van 19 juni 1997 in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Namens eisers 8 en 9 is aangevoerd dat het vigerende bestemmingsplan geen aanleiding geeft om tot weigering van de aanvragen over te gaan. Eisers zijn ter zake van hun bezwaar gehoord door de commissie rechtsbescherming (hierna: de commissie). De commissie heeft -samengevat weergegeven- in navolgende zin geadviseerd. Het verzoek om bouwvergunning dient te worden opgevat als een verzoek om medewerking te verlenen aan het creëren van een planologisch kader, waarbinnen de verzoeken gehonoreerd kunnen worden. Naar het oordeel van de commissie valt de reactie op dit verzoek niet onder de uitgezonderde besluiten van de zogeheten negatieve lijst. Voorts oordeelt de commissie dat de weigering om mee te werken aan de wijziging van het bestemmingsplan in strijd is met het vertr Kozijn nog aangegeven dat verweerder is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat ten tijde van de beslissing op bezwaar een voorbereidingsbesluit gold. Blijkens vaste jurisprudentie had verweerder moeten ingaan op de mogelijke toepassing van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 WRO. 3. Beoordeling Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan "Buitengebied der gemeente Emmen" (hierna: het bestemmingsplan). Het bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Emmen in zijn vergadering van 16 juli 1987. Gedeputeerde Staten van Drenthe hebben bij besluit van 11 maart 1988 het bestemmingsplan gedeeltelijk goedgekeurd. Bij Koninklijk Besluit d.d. 10 mei 1990 is voornoemd besluit van Gedeputeerde Staten gedeeltelijk vernietigd. Alsnog is aan onderdelen van het bestemmingsplan de goedkeuring onthouden. Voor het overige is het plan in werking getreden. Artikel 2.6 van de planvoorschriften luidt, voor zover dit is goedgekeurd en hier van belang: De op de kaart voor agrarisch gebied (zonder bouwperceel) aangewezen gronden zijn bestemd voor: grondgebonden agrarische bedrijvigheid met bijbehorende andere bouwwerken; .... Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het eerste lid bedoelde bestemming op basis van artikel 11 WRO te wijzigen, met dien verstande dat: A.1. de wijziging betrekking mag hebben op het aanwijzen van nieuwe bouwpercelen ten behoeve van agrarische bedrijven, als bedoeld in artikel 2.7 (grondgebonden en niet grondgebonden agrarische bedrijvigheid) van deze voorschriften; Artikel 8:5 Algemene wet bestuursrecht luidt: Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort. Deze bijlage (hierna: de negatieve lijst) bevat onder onderdeel C sub 2 onder meer: artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening met uitzondering van het besluit dat ingevolge het achtste lid van dat artikel geen goedkeuring behoeft. Artikel 11, eerste lid, van de wet op de Ruimtelijke Ordening luidt: Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat, ....., burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moeten uitwerken of binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. In het tweede lid van dit artikel is onder meer bepaald dat de besluiten, als bedoeld in het eerste lid, de goedkeuring behoeven van Gedeputeerde Staten. Het achtste lid van dit artikel luidt, voor zover hier van belang: In afwijking van het tweede lid, ..., behoeven de besluiten van burgemeester en wethouders .... geen goedkeuring van Gedeputeerde Staten, voor zover deze in hun besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan zulks hebben omschreven .... De rechtbank stelt vast dat alle onderhavige percelen ingevolge het bestemmingsplan de bestemming hebben "Agrarisch Gebied (zonder bouwperceel)". De rechtbank oordeelt dat de voorgenomen bebouwing in strijd is met deze bestemming. Mede gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht stelt de rechtbank vast dat dit punt niet langer in geschil is. De rechtbank stelt verder vast dat de bestreden beslissingen twee besluiten bevatten, namelijk de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen het niet gebruiken van de wijzigingsbevoegdheid en de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de weigering van de bouwvergunningen. Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ter toelichting op dit besluit terecht verwezen naar eerdergenoemde uitspraak d.d. 15 mei 1997 van de Afdeling bestuursrechtspraak. In deze uitspraak is onder meer overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 6:2 aanhef en onder a van de Awb, de vermelding van artikel 11 WRO op de negatieve lijst niet alleen een besluit tot wijziging van een bestemmingsplan betreft als ook de weigering daarvan. Dit is slechts anders waar het betreft besluiten die ingevolge het achtste lid (van artikel 11 WRO) geen goedk