Rechtspraak Rechtbank Arnhem 2012-12-18
ECLI:NL:RBARN:2012:BY6911
Bestuursrecht
RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 12/2100 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 18 december 2012. inzake [Erven], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], eisers, vertegenwoordigd door mr. W.A. Tonckens, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 30 maart 2012. 2.1. Bij besluit van 22 december 2011 heeft verweerder de aanvraag van mevrouw [naam] om hulp in de huishouding ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen. 2.2. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd. 2.3. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. 2.4. Het beroep is, gevoegd met het beroep van [naam] (AWB 12/1965) behandeld ter zitting van de rechtbank van 14 september 2012. Eisers hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. W.A. Tonckens voornoemd. Tevens is namens eisers verschenen, de heer [naam], werkzaam bij [wooncomplex]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T. van Maaren en mr. J.E. van de Kolk, werkzaam bij verweerders gemeente. 2.5. Bij beschikking van 14 september 2012 heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en de zaak voor behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer. 2.6. Nadat partijen daarvoor toestemming hadden gegeven heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en zal zonder nadere zitting in beide zaken afzonderlijk uitspraak doen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, en mr. F.J. de Vries en mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Murray, griffier. De griffier, De voorzitter, Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012. Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 18 december 2012. 3.1. Mevrouw [naam] is in november 2011 van [plaats] naar [plaats] verhuisd waar zij is gaan wonen in wooncomplex “[wooncomplex]” te [plaats]. In dit wooncomplex ontving mevrouw [naam] alle hulp en zorg die zij nodig had, zij het dat voor huishoudelijke hulp een aanvraag moest worden gedaan op grond van de Wmo. Vast staat dat mevrouw [naam], die hoogbejaard was, zelf niet in staat was het huishoudelijk werk te doen. Mevrouw [naam] heeft op 26 oktober 2011 een aanvraag ingediend voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo. 3.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, primair, ten grondslag gelegd dat huishoudelijke hulp, gelet op de bij mevrouw [naam] aanwezig financiële middelen in de vorm van inkomen en vermogen, algemeen gebruikelijk is. Verweerder stelt zich, subsidiair, op het standpunt dat het bedrag dat mevrouw [naam] aan woonkosten besteedt niet in verhouding staat met het bedrag dat aan huishoudelijke hulp nodig is. Mevrouw [naam] heeft, aldus verweerder, de bewuste keuze gemaakt om in een wooncomplex te gaan wonen waarvan de kosten hoog zijn. Daarom moet zij in staat worden geacht de kosten van huishoudelijke hulp zelf te betalen. 3.3. Eisers hebben het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Op hun stellingen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan. 3.4. Ter zitting van de rechtbank is vastgesteld dat mevrouw [naam] op 12 september 2012 is overleden. De erven hebben laten weten de procedure te willen voortzetten. Procesbelang 3.5. De rechtbank ziet zich als gevolg van het overlijden van mevrouw [naam] voor de vraag geplaatst of de erven voldoende procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraken van 31 augustus 2006, LJN: AY8271 en 9 juni 2009, LJN: BJ0878, vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift - of in dit geval de erven - met het maken van bezwaar of het indienen van beroep nastreven, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de erven feitelijk betekenis kan hebben. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt. Mevrouw [naam] heeft verweerder verzocht de huishoudelijke hulp te verlenen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) welk resultaat met de procedure zou kunnen worden bereikt. Daarnaast is voldoende aannemelijk is geworden dat mevrouw [naam] naar aanleiding van de afwijzende beslissing van verweerder zelf huishoudelijke hulp heeft ingeschakeld en ook heeft gefinancierd. Toekenning van een pgb achteraf zou dus een compensatie kunnen vormen voor de in verband hiermee geleden schade. Regelgeving 3.6. Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid , onder g, onderdeel 4°, 5 ° en 6 °, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: a. een huishouden te voeren; b. zich te verplaatsen in en om de woning; c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Blijkens de parlementaire geschiedenis is in de toevoeging van deze laatste zinsnede het draagkrachtprincipe verankerd (TK 2005-2006, 30 131, nr. 98, p 58-59). 3.7. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. 3.8. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Nijmegen uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Nijmegen 2009 (hierna: de Verordening). 3.9. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder n, van de Verordening wordt onder algemeen gebruikelijk verstaan: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend. 3.10. Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de Verordening wordt geen voorziening toegekend indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Op grond van onderdeel c, van artikel 4 wordt geen voorziening toegekend indien de aanvrager zelf in staat is om de beperkingen op te heffen. Ten aanzien van het primaire standpunt van verweerder 3.11. In de toelichting op artikel 1, aanhef en onder n, van de Verordening is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. (…………..). Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om voorzieningen: - die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn; - die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn; - die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel.” De rechtbank acht deze uitleg van het begrip algemeen gebruikelijk op zich genomen niet in strijd met de wet. 3.12. De rechtbank kan verweerders standpunt dat huishoudelijke hulp, gelet op het inkomen en vermogen van mevrouw [naam] algemeen gebruikelijk is niet volgen. Immers, door een voorziening op basis van inkomen en vermogen algemeen gebruikelijk te achten heeft verweerder, impliciet, een inkomens- en vermogenstoets aangelegd bij de beoordeling van het recht op een Wmo voorziening. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 18 januari 2012 (LJN: BV1309) overweegt de rechtbank dat hiervoor, anders dan door middel van het opleggen van een eigen bijdrage bedoeld in artikel 15 van de Wmo, en het op artikel 19 van de Wmo gebaseerde eigen aandeel, geen ruimte is. Dit betekent dat het primaire standpunt van verweerder geen stand kan houden. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van verweerder 3.13. De rechtbank begrijpt, mede gelet op hetgeen door verweerder in zijn verweerschrift wordt betoogd, het subsidiaire standpunt van verweerder aldus dat mevrouw [naam], voldoende zelfredzaam geacht wordt om de beperking op te heffen door op eigen kosten huishoudelijke hulp in te schakelen. De rechtbank kan verweerder volgen in dit standpunt. Anders dan door eisers wordt betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank het begrip “zelfredzaam” als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, van de Verordening, niet uitsluitend van toepassing in gevallen als genoemd in de toelichting op deze bepaling. Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Wmo is de reikwijdte van het begrip zelfredzaamheid individueel bepaald en afhankelijk van individuele behoeften (TK 2005-2006, 30131, nr. 29, blz. 10).