Rechtspraak Rechtbank Arnhem 2010-04-08
ECLI:NL:RBARN:2010:BM1488
Bestuursrecht
RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 09/4144 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 8 april 2010. inzake [Eiser], eiser, wonende te [woonplaats], tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 29 september 2009, uitgereikt door het UWV, kantoor Rotterdam. Bij besluit van 23 juni 2009 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 6 maart 2009, eiser medegedeeld dat hij ten onrechte in de periode van 19 december 2007 tot en met 18 december 2008 een voorschot ingevolge de Tijdelijke Regeling Inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI) heeft ontvangen en dat dientengevolge een bedrag van € 6085,21 van eiser zal worden teruggevorderd. Op 29 juli 2009 heeft verweerder terzake een invorderingsbesluit genomen. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 8 maart 2010. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. de Graaf, werkzaam bij het UWV, kantoor Arnhem. De rechtbank verklaart het beroep gegrond vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt. Aldus gegeven door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2010. Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 8 april 2010. Eiser, geboren op [geboortedatum], ontvangt sedert 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk tot 19 december 2007 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Naar aanleiding van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft verweerder eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 19 december 2007 vastgesteld op 35 tot 45% en de uitkering per die datum verlaagd. Eiser heeft vervolgens een tegemoetkoming ingevolge de TRI aangevraagd. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft verweerder eiser deze tegemoetkoming met ingang van 19 december 2007 toegekend en aangegeven dat deze uitkering (in beginsel) tot 18 december 2008 loopt. In dat besluit is aangegeven dat de definitieve hoogte zo spoedig mogelijk na 18 december 2008 wordt vastgesteld. Eiser is er op gewezen dat op de tegemoetkoming een eventuele toename van het inkomen in mindering wordt gebracht en dat indien de definitieve vaststelling afwijkt van het toegekende bedrag, een nabetaling of een terugvordering zal volgen. Voorts is eiser er op gewezen dat de uitkering verstrekt wordt bij wijze van voorschot. De tegemoetkoming van eiser is met ingang van 19 december 2008 geëindigd. Bij besluit van 6 maart 2009 heeft verweerder de tegemoetkoming definitief vastgesteld op het bedrag van de reeds verleende voorschotten. Bij besluit van 23 juni 2009 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 6 maart 2009, eiser medegedeeld dat, nu hij op 1 juli 2004 ouder was dan 50 jaar en niet tot de doelgroep van de TRI behoorde, ten onrechte in de periode van 19 december 2007 tot en met 18 december 2008 een voorschot ingevolge de TRI heeft ontvangen en dat dientengevolge een bedrag van € 6085,21 van eiser zal worden teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 23 juni 2009 gehandhaafd. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank dient het bestreden besluit te beoordelen aan de hand van de ten tijde in geding geldende regelgeving. In artikel 2, tweede lid, van de TRI is bepaald dat de herbeoordeelde recht heeft op een tegemoetkoming voor de duur van twaalf maanden indien hij op de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering. In artikel 3, eerste lid, van de TRI is bepaald dat de herbeoordeelde een tegemoetkoming ontvangt ter hoogte van het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op de dag voor de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op heeft vanaf die datum. Hierop wordt in mindering gebracht de toename van het inkomen uit of in verband met arbeid vanaf de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ten opzichte van het inkomen uit of in verband met arbeid voor die datum. In artikel 4, eerste lid, van de TRI is bepaald dat de tegemoetkoming door het UWV bij wege van een naar redelijkheid vast te stellen voorschot betaalbaar wordt gesteld. Artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a, van de TRI bepaalt dat, indien bij de vaststelling blijkt dat het door het UWV op grond van het eerste lid betaalde voorschot te hoog is, de teveel betaalde tegemoetkoming van de herbeoordeelde wordt teruggevorderd. De rechtbank stelt voorop - onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 december 2008 (LJN BG9009) - dat de TRI een regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betreft die onder meer is gebaseerd op de Kaderwet SZW-subsidies. De TRI is daarom, anders dan sociale verzekeringswetten als de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet en anders dan de Wet werk en bijstand, aan te merken als een subsidieregeling waarop de bepalingen van hoofdstuk 4 van de Awb van toepassing zijn. Hierdoor is de systematiek van de TRI wat betreft onder meer de duur van het recht, de definitieve vaststelling daarvan en de wijze waarop inkomsten worden verrekend, anders dan die van de hiervoor genoemde bedoelde wetten. De TRI beoogt volgens de toelichting het creëren van de mogelijkheid om aan arbeidsongeschikten die betrokken zijn bij de herbeoordelingsoperatie van arbeidsongeschikten welke vanaf 1 oktober 2004 is gestart, gedurende maximaal twaalf maanden een tijdelijke tegemoetkoming te verstrekken. Het recht gaat in op de dag waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals die was vóór de herbeoordeling daadwerkelijk wordt verlaagd of beëindigd, welk moment twee maanden na de herbeoordeling is gelegen. Aldus wordt bereikt dat alle daarvoor in aanmerking komende arbeidsongeschikten die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage krijgen, gedurende een geruime periode geen inkomensachteruitgang ondervinden. Gelet op de verwijzing naar de subsidieregeling in hoofdstuk 4 van de Awb dient het besluit van 15 januari 2008 te worden aangemerkt als het besluit waarbij de subsidie is verleend en het besluit van 6 maart 2009 als het besluit waarbij de subsidie is vastgesteld. Bij besluit van 23 juni 2009 is het besluit van 6 maart 2009 ingetrokken en een nieuw vaststellingsbesluit genomen. De rechtbank houdt het ervoor dat verweerder bij deze hernieuwde vaststelling het subsidiebedrag op nihil heeft gesteld. Niet in geding is dat eiser geen recht had op een tegemoetkoming ingevolge de TRI omdat hij niet als herbeoordeelde in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van de TRI kan worden aangemerkt. Eiser heeft evenwel aangevoerd dat zowel de herziening en terugvordering van de tegemoetkoming als de invordering niet terecht zijn, nu hij meermalen mondeling heeft gevraagd of hij terecht een tegemoetkoming ontving, hetgeen volgens eiser door of namens verweerder is bevestigd, laatstelijk in het besluit van 6 maart 2009. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat met toepassing van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230 (hierna: Beleidsregels) de eerdere vaststelling van de tegemoetkoming ingevolge de TRI bij besluit van 6 maart 2009 herzien kon worden. Kort samengevat stelt verweerder dat gelet op de regelgeving het voor eiser duidelijk had moeten zijn dat hij niet tot de doelgroep behoorde en dat hij derhalve geen recht had op een tegemoetkoming. De rechtbank stelt vast dat in artikel 2, zesde lid, van de TRI onder meer artikel 36a van de WAO van overeenkomstige toepassing is verklaard en de Beleidsregels mede een uitwerking van het bepaalde in dat artikel inhouden. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de door verweerder geschetste omstandigheden niet volgt dat het eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij geen recht had op een tegemoetkoming ingevolge de TRI. De TRI is geen gemakkelijke regelgeving en op grond van deze regelgeving had het voor eiser niet meteen duidelijk kunnen zijn dat hij niet tot de doelgroep behoorde omdat hij geen herbeoordeelde in de zin van de TRI was. Voorts acht de rechtbank van belang dat -hetgeen niet door verweerder is weersproken- de aanvraag om een tegemoetkoming ingevolge de TRI op voorspraak van de arbeidsdeskundige A.M. Potter van Loon is gedaan en ook door deze is ingevuld. Geoordeeld moet dan ook worden dat de herziening van het eerdere vaststellingsbesluit van 6 maart 2009 in strijd is met de Beleidsregels. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.