Rechtspraak Rechtbank Arnhem 2006-08-24
ECLI:NL:RBARN:2006:AY9180
Bestuursrecht
RECHTBANK ARNHEM RECTIFICATIE Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB 06/3953 (voorlopige voorziening) Uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [verzoekster], wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. D.H. Oolbekkink, advocaat te Haarlem, en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, verweerster, te Groningen 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerster van 14 juli 2006. Bij besluit van 6 juli 2006 heeft het Centraal Bureau Aanmelding en Plaatsing (verder: het CBAP) namens verweerster aan verzoekster medegedeeld dat haar aanmelding voor de opleiding Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam (verder: UvA) voor het studiejaar 2006-2007 is ingetrokken. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 7 juli 2006 bezwaar gemaakt. Bij het in rubriek 1 genoemde besluit heeft verweerster het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster bij brief van 31 juli 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van gelijke datum heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit en bepalende dat verzoekster alsnog wordt toegelaten tot de selectieprocedure voor de opleiding Geneeskunde aan de UvA voor het studiejaar 2006-2007. Verweerster heeft bij schrijven van 9 augustus 2006 een verweerschrift ingediend. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 22 augustus 2006. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar vader, [naam vader] en mr. D.H. Oolbekkink. Verweerster heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee. 4. Beslissing De voorzieningenrechter I wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; II schorst het besluit van verweerster van 14 juli 2006; III treft de voorziening dat verzoekster alsnog wordt toegelaten tot de selectieprocedure voor de opleiding Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam voor het studiejaar 2006-2007; IV veroordeelt verweerster in de kosten van deze procedure, tot op heden aan zijde van verzoekster begroot op € 644,00 aan kosten van rechtsbijstand en wijst de IBG aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden; V bepaalt dat verweerster aan verzoekster vergoedt het door haar gestorte griffierecht ad € 141,00. Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2006. De griffier, De voorzieningenrechter, Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Verzonden op: Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 7:57a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (verder: WHW), voor zover hier van belang, geschiedt de eerste inschrijving van een student voor de propedeutische fase van een opleiding, verbonden aan een universiteit, waarvoor een toelatingsbeperking van kracht is, slechts met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geschiedt de inschrijving niet dan na overlegging van een door de Informatie Beheer Groep afgegeven bewijs van toelating. Op voet van het bepaalde in artikel 7:57a, vierde lid, van de WHW worden bij ministeriële regeling voorschriften vastgesteld in verband met de afgifte en de geldigheidsduur van het bewijs van toelating. Ingevolge artikel 7:57e, eerste lid, van de WHW, voor zover hier van belang, kan een instellingsbestuur een door hem te bepalen percentage van de opleidingsplaatsen van een opleiding toewijzen aan door hem zelf geselecteerde gegadigden. De ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7:57a, vierde lid, van de WHW is de Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs van 13 september 1999 (verder: de Regeling) Ingevolge het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Regeling zendt de gegadigde die zich heeft aangemeld voor 23 juni aan de IB-Groep: a. een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst of b. een gewaarmerkt afschrift van zijn getuigschrift. Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Regeling verklaart de gegadigde, indien hij voor de in het eerste lid genoemde tijdstip niet over de desbetreffende bewijsstukken beschikt, voor het in dit lid genoemde tijdstip schriftelijk aan de IB-Groep om welke reden toezending van die bewijsstukken op een later tijdstip geschiedt. Ingevolge artikel 7, vierde lid, onder a, van de Regeling zendt de gegadigde, bedoeld in het eerste lid, na toepassing van het derde lid aan de IB-Groep voor 5 juli een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst behorend bij een in Nederland behaald diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs, tenzij de gegadigde deelneemt aan een staatsexamen of een verlaat examen. Op voet van het bepaalde in artikel 11 van de Regeling wordt, voor zover hier van belang, de aanmelding van een gegadigde als vervallen beschouwd, indien hij niet binnen de gestelde termijnen heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 7. Verzoekster wil in het studiejaar 2006-2007 de opleiding Geneeskunde aan de UvA volgen; dit is een zogenaamde fixusopleiding, een opleiding waarvoor krachtens de WHW een toelatingsbeperking geldt. Het bestuur van de UvA heeft voor de opleiding Geneeskunde gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid gegadigden op grond van artikel 7.57e van de WHW door middel van decentrale selectie in aanmerking te brengen voor de toekenning van een bewijs van toelating. Gebleken is dat verzoekster heeft deelgenomen aan voornoemde decentrale selectie. Bij brief van 19 juni 2006 is aan verzoekster door de Voorzitter Commissie Decentrale Selectie van het Academisch Medisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam medegedeeld dat zij behoort tot de 70 personen die zijn geselecteerd via de decentrale selectieprocedure. Verzoekster is op 15 juni 2006 geslaagd voor haar eindexamen Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs aan het Koningin Wilhelmina College te Culemborg. Op 28 juni 2006 is het diploma aan haar uitgereikt. Hierdoor kon verzoekster het op grond van artikel 7, eerste lid, van de Regeling, vereiste gewaarmerkte afschrift van haar diploma of cijferlijst niet voor 23 juni, zoals genoemd in dit lid, inzenden. Het CBAP heeft namens verweerster bij brief van 23 juni 2006 verzoekster verzocht uiterlijk 5 juli 2006 de benodigde kopie van de cijferlijst, diploma, of een ander bewijsstuk van de voltooide vooropleiding of de antwoordkaart “verlate inzending” in te sturen. Verzoekster heeft de gevraagde bescheiden op 29 juni 2006 opgestuurd in de door verweerster verstrekte retourenvelop. Zij heeft deze echter abusievelijk niet gefrankeerd. Op 6 juli 2006 ontving verzoekster deze envelop retour met daarop het stempel “RETOUR AFZENDER – stukken met port belast worden geweigerd”. Op de aangehechte retoursticker van TPG Post is als reden van onbestelbaarheid “geweigerd” aangekruist. Omdat verzoekster niet uiterlijk 5 juli 2006 het gevraagde bewijsstuk van een voltooide vooropleiding heeft ingediend, heeft het CBAP op 6 juli 2006 aan verzoekster bericht dat haar aanmelding voor de opleiding Geneeskunde aan de UvA voor het studiejaar 2006-2007 is ingetrokken (lees: is vervallen). Bij de thans bestreden beslissing op bezwaar is dit besluit gehandhaafd. Daarbij heeft verweerster zich op het standpunt gesteld eerst sprake is van een tijdige inzending indien het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken, het voldoende frankeren van het poststuk daaronder begrepen. Nu verzoekster de enveloppe met de benodigde bewijsstukken niet heeft gefrankeerd, is – zo stelt verweerster – geen sprake van een tijdige inzending. Verweerster heeft daarbij aangegeven begrip te hebben voor de belangen van verzoekster, doch stelt dat (artikel 11 van) de Regeling eenvoudigweg geen ruimte biedt voor een belangenafweging. Verzoekster kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op de door haar aangevoerde gronden zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat met verweerster moet worden geoordeeld dat volgens vaste jurisprudentie van het indienen van een poststuk eerst sprake is indien het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken (bijvoorbeeld CRvB 10 december 2002, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AF2958). Een van de daartoe noodzakelijke handelingen is het zorgdragen voor een voldoende frankering. Vast staat dat de benodigde bewijsstukken eerst op 7 juli 2006 – en derhalve te laat – voldoende gefrankeerd aan het CBAP zijn verzonden. Voorts moet worden vastgesteld dat artikel 11 van de Regeling een dwingende bepaling betreft en de Regeling op dit punt geen hardheidsclausule bevat. Toepassing sec van de Regeling brengt mee dat voor verweerster geen ruimte bestaat om in zeer bijzondere gevallen in afwijking van dat artikel te beslissen. Dit uitgangspunt wijkt in de eerste plaats af van de wijze van toetsing in het bestreden besluit: verweerster heeft daarin immers geoordeeld dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in haar situatie sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. De vraag rijst bovendien of het opnemen in de Regeling van een fatale termijn zich verhoudt met de in artikel 7:57a, vierde lid, van de WHW neergelegde bevoegdheid van de minister om nadere voorschriften vast te stellen in verband met de afgifte van het bewijs van toelating. Daarbij is niet zonder belang dat uit de Memorie van Toelichting behorende bij de wijziging van de WHW blijkt dat deze bevoegdheid (enkel) ziet op het vaststellen van nadere voorschriften van administratieve aard (Kamerstukken 1997-1998, 25947, nr 3). In artikel 7:57a, eerste lid, van de WHW is neergelegd dat voor fixusopleidingen een door de IBG uit te voeren centrale selectie plaatsvindt. Dit wordt uitgedrukt door de bevoegdheid van de IBG om bewijzen van toelating voor dergelijke opleidingen te verstrekken.