Rechtspraak 1999-11-30
ECLI:NL:RBARN:1999:AA3993
Kamer II WHW toelating studiejaar Arrondissementsrechtbank te Arnhem Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht Reg.nr.: 99/218 UITSPRAAK in het geding tussen: A te B, eiser, en het College van Beroep voor de Examens van de Gerrit Rietveld Academie en de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, gevestigd te Amsterdam, verweerder, alsmede de examencommissie van de faculteit Film en Televisie van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten (hierna: de examencommissie), partij ex artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 28 december 1998. 2. Feiten en procesverloop Bij besluit van 8 juli 1998 heeft de examencommissie eiser medegedeeld, dat over het studiejaar 1997-1998 geen enkel studiepunt is toegekend en dat deelname aan het derde jaar van de opleiding niet mogelijk is. Door eiser is op 9 juli 1998 tegen dat besluit beroep bij verweerder ingesteld. Bij besluit van 27 augustus 1998 heeft de examencommissie eiser medegedeeld, dat hij niet mag deelnemen aan de herkansingen van het tweede jaar productie. Tegen dit besluit heeft eiser op 10 september 1998 beroep bij verweerder ingesteld. Op 14 september 1998 en 3 november 1998 hebben in het kader van de behandeling van deze beroepen hoorzittingen in de zin van artikel 7:16 van de Awb plaatsgevonden, waarbij eiser in persoon is verschenen. Bij het hierboven aangeduide besluit van 28 december 1998 heeft verweerder de beroepen ongegrond verklaard. Namens eiser heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, op 1 februari 1999 tegen dit besluit beroep bij de rechtbank ingesteld. Verweerder heeft op 16 maart 1999 een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 november 1999, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. H. Brouwer, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn voorzitter, mr. T. Hoogenboom. De examencommissie is vertegenwoordigd door H.N. Muller. 3. Overwegingen Te dezen zal de rechtbank eerst beoordelen of zij bevoegd is van het beroep kennis te nemen. In artikel 8:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Artikel 1:1, eerste lid, van de Awb verstaat onder bestuursorgaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. Vast staat dat verweerder niet is aan te merken als orgaan van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon nu de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten een zogenaamde bijzondere instelling is in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Resteert derhalve de vraag of verweerder kan worden aangemerkt als een ander college bekleed met enig openbaar gezag als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, sub b, van de Awb. Op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 3 oktober 1996, AB 1996, 474) is in de onderhavige situatie de vraag aan de orde of te dezen sprake is van de uitoefening van een incidentele bestuursbevoegdheid, dat wil zeggen of aan verweerder een of meer overheidstaken zijn opgedragen en hem de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend. In dit kader is van belang dat de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten op basis van artikel 1.8 van de WHW een bekostigde instelling voor hoger onderwijs is. Op basis van artikel 1.9, tweede lid, tweede volzin, van de WHW zijn degenen die een getuigschrift bezitten verbonden aan een met goed gevolg afgelegd examen van een initiële opleiding verzorgd door een bekostigde instelling, gerechtigd de daarvoor in aanmerking komende titel te voeren als genoemd in de WHW. In artikel 1.9, derde lid, van de WHW is bepaald dat voorwaarde onder meer voor het b Ingevolge artikel 7.3 van de op artikel 7.13 van de WHW gebaseerde Onderwijs- en examenregeling Nederlandse Film en Televisie Academie (hierna: de regeling) bieden tentamens die worden afgenomen gedurende hetzelfde studiejaar één herkansingsmogelijkheid en in volgende studiejaren van de hoofdfase vindt nog eenmaal nog één herkansingsmogelijkheid plaats. Voor praktische oefeningen geldt dat zij in beginsel niet kunnen worden herkanst in het studiejaar waar de praktische oefening deel van het jaarprogramma uitmaakt. Ingevolge artikel 7.8 van de regeling geeft het behalen van ten minste 33 studiepunten in het onderwijsprogramma van het tweede c.q. van het derde studiejaar, de student de gelegenheid aan alle studie-onderdelen van het derde c.q. het vierde studiejaar deel te nemen, behoudens de jaarlijkse praktische oefening(en): derde en vierde jaars project(en). Deelname aan het (de) derde jaars project(en) is eerst mogelijk, indien het (de) tweede jaars project(en) met goed gevolg is (zijn) afgesloten. Aan de orde is primair de vraag of eiser op goede gronden de deelname aan het derde jaar van de opleiding is ontzegd. Niet in geschil is dat eiser de voor toelating tot het derde studiejaar vereiste hoeveelheid studiepunten niet heeft behaald. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld, dat eiser ingevolge het hiervoor weergegeven artikel 7.8 niet in aanmerking komt voor deelname aan het derde jaar van de opleiding. De door eiser eerst naar aanleiding van de besluiten van 8 juli en 27 augustus 1998 aangevoerde medische redenen kunnen hierin geen verandering brengen. Het niet deelnemen aan een tentamen of een praktische oefening kan gelet op artikel 6.4 van de regeling niet leiden tot toekenning van studiepunten. Dit kan ingevolge genoemd artikel 6.4 enkel tot gevolg hebben, dat de examencommissie -indien sprake is van een geldige reden- een nieuwe datum voor herkansing vaststelt. Vervolgens is aan de orde de vraag of de deelname aan de herkansingen van het tweede jaar productie terecht is geweigerd. De rechtbank stelt voorop dat de examencommissie in zijn brief van 8 juli 1998 eiser in de gelegenheid heeft gesteld om bewijsstukken voor een geldige reden voor de stelselmatige afwezigheid in te leveren. Eiser heeft hieraan voldaan. De examencommissie gaat in zijn besluit van 27 augustus 1998 daar niet op in, maar stelt dat eiser geen enkele keer de examencommissie inzag in de redenen van structurele afwezigheid heeft verstrekt. Eerst in het verweerschrift van de examencommissie in de procedure bij verweerder gaat de examencommissie in op de overgelegde medische verklaringen. Blijkens de door eiser overgelegde verklaring van psychiater B.Verwey van 8 december 1997, is door psychiater W. Malkus naar aanleiding van gesprekken met eiser in september 1996 en juni 1997 ten aanzien van eiser geconcludeerd, dat sprake was van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met psychopathische en narcistische trekken. De heer Verwey heeft eiser gekenmerkt als een chaotische (rand)psychotische man en hem voor een casemanagement verwezen naar Volwassenenzorg van de Gelderse Roos te Arnhem. Ook de verklaringen van huisarts J. Diemel van medio september 1997 geven blijk van de psychische problemen van eiser in die periode. Voorts blijkt uit de verklaring van psychiater i.o. A.H. Matthijsen van 18 mei 1998, dat eiser om medische redenen al geruime tijd niet in staat is om zijn opleiding te volgen en dat het onduidelijk is hoe lang hij niet in staat is zijn opleiding voort te zetten. De rechtbank deelt het standpunt van de examencommissie dat uit die verklaringen niet blijkt dat eiser niet in staat is geweest inzake zijn afwezigheid tijdig overleg te voeren met de examencommissie of de decaan van de opleiding. Het gegeven dat eiser in de betrokken periode in staat is geweest via een uitzendbureau werkzaamheden te verrichten en tijd te besteden aan het voeren van een andere procedure bij verweerder overtuigt de r