Rechtspraak 1999-06-23
ECLI:NL:RBARN:1999:AA3787
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM Reg.nr. Awb 99/1047 UITSPRAAK van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geschil tussen: Kohun Beheer B.V. te Zaltbommel, verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel, verweerder. I. FEITEN EN PROCESVERLOOP Bij besluit van 19 november 1999 heeft verweerder aan verzoekster een wijzigingsvergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 verleend voor het verbouwen van de panden Gamerschestraat 1 en 3 te Zaltbommel. Tegen dit besluit heeft de Vereniging Kring "Vrienden van Zaltbommel" te Zaltbommel (hierna: de Vereniging) bij schrijven van 16 december 1998 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij besluit van 23 maart 1999 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft de Vereniging bij schrijven van 7 mei 1999 beroep bij de arrondissementsrechtbank ingesteld. Verzoekster heeft tegen dit besluit eveneens beroep ingesteld, doch dit beroep is op 16 juni 1999 weer ingetrokken. Bij schrijven van 8 juni 1999 heeft verzoekster de president der rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen, houdende opheffing van de schorsende werking van het beroep. Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 juni 1999, waar namens verzoekster B. van Kooten, directeur, is verschenen met bijstand van mr. H. Hampe, advocaat te Amsterdam, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.R. Weijdema, ambtenaar der gemeente, en J.Th.H.M. Penninx, wethouder. Voor de Vereniging is mr. J.H. Hermsen, advocaat te Apeldoorn, opgetreden. II. MOTIVERING Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Aan de orde is het verzoek van verzoekster ter opheffing van de schorsende werking van het beroep dat door de Vereniging is ingesteld tegen verweerders besluit van 23 maart 1999. Bij dit besluit is het bezwaarschrift van de Vereniging tegen de op 17 november 1998 verleende wijzigingsvergunning als bedoeld in de Monumentenwet 1988 voor het verbouwen van de panden op de percelen Gamerschestraat 1 en 3 te Zaltbommel slechts gegrond verklaard voor wat betreft het ontbreken van een deugdelijke motivering en voor het overige ongegrond. De aan de wijzigingsvergunning verbonden voorwaarden zijn bij het besluit op bezwaar gehandhaafd. Deze voorwaarden luiden: "- De oude natuurstenen plavuizen dienen op het binnen-plaatsje van het pand Gamerschestraat 3 te worden teruggebracht. Zonodig dienen deze aangevuld te worden met nieuwe plavuizen; - De pui van het pand Gamerschestraat 1 dient nader uitgewerkt te worden met inachtneming van het welstandsadvies d.d. 1 november 1998 en de nota "Welstandsbeleid Zaltbommel-Binnenstad". Voorts verdient vermelding dat de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften heeft geadviseerd het bezwaar ook op inhoudelijke gronden gegrond te verklaren. De president zal eerst ingaan op twee formele aspecten. Door verzoekster is in twijfel getrokken of de Vereniging wel tijdig beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Die twijfel wordt door de president niet gedeeld. Het bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt bij brief van 30 maart 1999 en daartegen is door de Vereniging beroep ingesteld bij schrijven van 7 mei 1999, ingekomen bij de rechtbank op 10 mei 1999. Gelet op die data is de beroepstermijn van zes weken niet overschreden. Door de Vereniging is betoogd dat uit artikel 16, lid 7, van de Monumentenwet 1988 volgt dat de bezwaarschriftprocedure is uit