Rechtspraak 1999-10-19
ECLI:NL:RBARN:1999:AA2465
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM In de zaak van: de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen: Betaald Voetbal Stichting Vitesse-Arnhem, gevestigd te 6841 HN Arnhem, Batavierenweg 25 Raadsman: mr. B.J.M. van Meer, advocaat te Arnhem Parketnummer : 05.045660-99 Zittingsdatum : 5 oktober 1999 (tegenspraak) Uitspraak : 19 oktober 1999 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegde hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van de dagvaarding is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd (niet bijgevoegd) Voorzover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 2. Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is de verdachte vertegenwoordigd door dhr. K.J.J. Aalbers, voorzitter van het bestuur van verdachte. Verdachte is bijgestaan door mr. B.J.M. van Meer, advocaat Arnhem. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte terzake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot driemaal een geldboete van tweeduizend gulden (Hfl. 2.000,=) waarvan duizend gulden (Hfl. 1.000,=) voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren. De vertegenwoordiger van de verdachte en de raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3. De beslissing inzake het bewijs Door de verdediging is aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte als werkgeefster de in de tenlastelegging genoemde personen arbeid heeft laten verrichten. Naar het oordeel van verdachte zou in casu geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst maar van een stageovereenkomst of opleidingsovereenkomst. Vooropgesteld zij dat de Economische politierechter niet de succesvolle ontwikkeling van het Nederlandse voetbal in de weg wil staan. Maar - zoals bij andere activiteiten ook het geval is - een en ander dient te geschieden binnen de door de wettelijke regels getrokken grenzen. Het begrip "arbeid" wordt niet gedefinieerd in art. 1 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het begrip moet worden uitgelegd in het licht van de strekking van de Wav welke onder meer ziet op de restrictieve toelating van arbeidsmigranten op de arbeidsmarkt. Uit de wetsgeschiedenis van de Wav blijkt wel dat met het begrip "arbeid" in de Wav - anders dan de raadsman stelt - niet uitsluitend bedoeld wordt: "arbeid" op basis van een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW. In de visie van de wetgever kan ook bijvoorbeeld in geval van aanneming van werk sprake zijn van een werkgever die een ander arbeid laat verrichten. "Diegene die de vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten is vergunningplichtig in het kader van het wetsvoorstel", aldus de Memorie van Toelichting (p. 13). Klaarblijkelijk op basis van de strekking van de Wav worden in art. 8, eerste lid en tweede lid van de uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen behorende bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen (Regeling van 17 augustus 1995, Stcrt. 1995, 168, zoals enkele malen gewijzigd) voor bepaalde categorieën nadere regels gegeven. Met name is in dit verband van belang art. 8, eerste lid onder 13. Dit luidt als volgt: 13. Werknemers in de sportsector Ook ten aanzien van werknemers in de sportsector geldt het restrictieve toelatingsbeleid. Alleen voor het incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben, is in het KB ter uitvoering van de Wav een uitzondering gemaakt. Dit houdt in dat voor tewerkstelling op een geregelde basis in de sportsector steeds een tewerkstellingsvergunning is vereist. Bij werknemers in de sportsector geldt, in zekere mate, dat het gaat om individuen met unieke persoonlijke eigenschappen. Ook bij teamsporten zal dit meestal het geval zijn. Toch kunnen, net als elders op de arbeidsmarkt, vanwege het restrictieve toelatingsbeleid slechts bij uitzondering sporters tot d Alleen in exceptionele gevallen zal dan vacaturevervulling binnen het prioriteitgenietend aanbod uit Nederland en de bij de EER aangesloten landen niet mogelijk zijn. Het gaat er om te bepalen wanneer een dergelijk exceptioneel geval zich voordoet. Dit zal normaliter uitsluitend het geval kunnen zijn in de hoogste competitieafdeling van de betreffende tak van sport. Een uitzondering op deze regel vormt het betaald voetbal. In aanmerking nemende dat alle 36 clubs in het betaald voetbal aan dezelfde voorwaarden dienen te voldoen om in aanmerking te komen voor een deelnamelicentie, ligt het in de rede om in het kader van de uitvoering van de Wav, naast de Eredivisie, in principe ook de Eerste Divisie voor tewerkstellingsvergunningen in aanmerking te doen komen. Behalve het niveau waarop de sport wordt beoefend, zal echter ook de aan te stellen individuele speler aan hoge kwalitatieve eisen moeten voldoen. In lagere klassen zal slechts bij hoge uitzondering vergunningverlening aan de orde kunnen zijn, omdat bij marktconforme arbeidsvoorwaarden de betreffende vacature binnen het prioriteitgenietend aanbod geacht mag worden te kunnen worden vervuld, enerzijds via de doorstroming uit de amateursport, cq jeugdopleidingen, anderzijds door aanwerving van spelers behorend tot het prioriteitgenietend aanbod uit de hoogste competitieklasse in Nederland of elders binnen de Europese Economische Ruimte. Daarnaast geldt dat van elke werkgever verwacht mag worden, dat er een zekere planmatige invulling van de personeelsbehoefte voor de komende periode plaatsvindt. Bij sporten waarbij per seizoen veel wisselingen plaatsvinden en de beschikbaarheid van arbeidsaanbod een nauwe relatie heeft met de geboden arbeidsvoorwaarden, zal dit des te sterker gelden, alsook indien de onderscheiden sportbonden beperkingen opleggen aan de tijdstippen waarop spelers in dienst mogen worden genomen of aan het aantal vreemdelingen in een sportploeg. Deze laatste beperking heeft overigens geen enkele relatie met het restrictieve toelatingsbeleid op grond van de Wav. Het gaat daarbij immers om strikt interne regels, die niet aan enig wettelijk voorschrift mogen worden tegengeworpen. Indien een sportwerkgever pas op het laatste moment, dus nadat vrijwel alle potentiële werknemers zich contractueel voor het komende seizoen hebben vastgelegd, dan wel bezigheden buiten de sportsector hebben gezocht, zijn personeelsbehoefte invult, dan is een eventuele onmogelijkheid om een vacature te vervullen door middel van prioriteitgenietend aanbod mede te wijten aan de slechte personeelsplanning van de werkgever en zal doorgaans geen tewerkstellingsvergunning kunnen worden afgegeven. In dit verband zij er voor de goede orde op gewezen dat van verwijtbare slechte personeelsplanning in het algemeen geen sprake zal zijn indien een speler tijdens het seizoen een contract aangaat met een nieuwe werkgever en in het verlengde daarvan zijn lopende contract beëindigt, waardoor op de positie van de vertrekkende speler een vacature zou kunnen ontstaan die niet vervuld kan worden door prioriteitgenietend aanbod uit Nederland en de bij de EER aangesloten landen. Bovenstaande overwegingen vinden hun neerslag in de volgende geoperationaliseerde regels die ieder afzonderlijk gehanteerd moeten worden bij de beoordeling van aanvragen van tewerkstellings-vergunningen in de sportsector: Een tewerkstellingsvergunning voor beroepssporters wordt in de regel geweigerd: -indien, met uitzondering van het betaald voetbal, het een arbeidsplaats in een lagere dan de hoogste afdeling van de betreffende sportbond betreft, onder de aantekening dat prioriteitgenietend aanbod in de zin van artikel 8 lid 1 onder a van de Wav geacht moet worden aanwezig te zijn. Zoals hiervoor is aangegeven is er met betrekking tot het betaald voetbal geen aanleiding om in dit verband onderscheid te maken tussen de Ere divisie en de Eerste divisie. - indien de beloning, onder verdiscontering van de waarde van gebruikelijke transferso niet meer dan 10 uur per week beslaat en indien bij de aanvraag tevens een verklaring van de onderwijsinstelling is gevoegd inhoudende: - dat de betreffende persoon een student is die aan de betreffende onderwijsinstelling staat ingeschreven en - dat de arbeid waarvoor een vergunning wordt aangevraagd naar verwachting de studievoortgang niet zal belemmeren. Voor alle andere arbeid geldt de normale procedure inclusief het bepaalde in artikel 8 lid 1 Wav. Niet valt in te zien dat en waarom in de uitvoeringsregels aan de begrippen "werkgever" en "arbeid laten verrichten" een uitwerking wordt gegeven welke in strijd is met de strekking van de Wav. De contracten tussen verdachte en de in de tenlastelegging genoemde personen, die onder de bewijsmiddelen zijn opgenomen, bevatten naar het oordeel van de Economische politierechter alle elementen om aan te nemen dat verdachte als werkgeefster de in de tenlastelegging vermelde personen arbeid heeft laten verrichten, nu het daarbij klaarblijkelijk gaat om arbeidsovereenkomsten. Zo draagt het contract het opschrift: "contract voor minderjarige beroepsspelers. Het "spelerscontract" dat deel uitmaakt van de contractuele relatie tussen verdachte en de in de tenlastelegging genoemde personen bevat regelingen omtrent onder meer "indiensttreding", "het dienstverband", "het basissalaris", "het brutosalaris" - waarop uitdrukkelijk loonbelasting wordt ingehouden -, "de vakantietoeslag", doorbetaling bij arbeidsongeschiktheid "op de voet van art. 7A:1638c BW e.v.", "het pensioenreglement". In het "eerste aanhangsel behorende bij spelers/arbeidscontract" wordt uitdrukkelijk gesproken van "werkgever" en "werknemer" en van "collectieve arbeidsovereenkomst". De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de contracten ongelukkig geredigeerd zijn en dat de contracten in feite stageovereenkomsten of opleidingsovereenkomsten zouden zijn. De economische politierechter acht echter niet aannemelijk geworden dat het om "pure" stageovereenkomsten of opleidings-overeenkomsten gaat. In de contracten ontbreekt elke verwijzing naar stage of opleiding. Voor zover er sprake is van een opleidingscomponent, sluit dit voorts niet uit dat er tevens arbeid wordt verricht in de zin van de Wav. Dat kan mede worden afgeleid uit het hierboven aangehaalde art. 8, tweede lid onder punt 24 van de Uitvoeringsregels betreffende stagiaires, waar gesproken wordt van het verrichten door vreemdelingen van "arbeid (...) die noodzakelijk is ter voltooiing van hun opleiding". Een andere reden voor de onaannemelijkheid van de stelling dat de contracten in feite stageovereenkomsten of opleidingsovereenkomsten zouden zijn betreft het bedrag dat de speler toekomt als hetgeen in het contract "salaris" wordt genoemd. Ook al krijgt de speler dat bedrag eerst nadat hij achttien jaar is geworden feitelijk ter beschikking, dat neemt niet weg dat hij het wel - zij het later - ontvangt. De strekking van de betaling van dat bedrag is een andere dan die van betaling van het bedrag dat een amateurspeler ontvangt als vergoeding van diverse posten, zoals door de raadsman ter terechtzitting toegelicht. Verder duidt de bepaling over de einddatum van het contract (art. 4 van het contract) niet op - alleen - een stage of opleidingsovereenkomst, nu deze niet verband houdt met het einde van de opleiding maar met de wens te voorkomen dat de investeringen in de speler (al te) snel teniet worden gedaan doordat de speler in plaats van te spelen voor verdachte overstapt naar een andere club. Uit het voorgaande vloeit naar het oordeel van de Economische politierechter tevens voort dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde persoon van wie vaststaat dat deze geen wedstrijden heeft gespeeld eveneens arbeid heeft laten verrichten in de zin van de Wav. Niet gesteld noch gebleken is dat de betrokkene - die kennelijk geblesseerd was - niet op grond van het tussen verdachte en hem bestaande contract bijvoorbeeld behoefde deel te nemen aan trainingen