Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-01-15
ECLI:NL:RBAMS:2026:909
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/149344-25 Datum uitspraak: 29 januari 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Ros, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.M. Steller, naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat het slachtoffer, [slachtoffer] , in het kader van haar spreekrecht naar voren heeft gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is - samengevat - tenlastegelegd dat door zijn schuld op 17 maart 2025 te [adres 7] een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en/of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, door onder invloed van alcohol een personenauto te besturen en niet te stoppen voor een rood uitstralend verkeerslicht waardoor hij op de kruising tegen die [slachtoffer] is aangereden, dan wel (subsidiair) het zich dusdanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt. Daarnaast is aan verdachte tenlastegelegd dat hij een personenauto heeft bestuurd onder invloed van alcohol (675 µg/L). De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en de onder 2 ten laste gelegde overtreding van artikel 8 WVW wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van het primaire feit 1 stelt de officier van justitie dat verdachte de in de tenlastelegging weergegeven feitelijke gedragingen heeft begaan en dat voor wat betreft de mate van schuld de combinatie van die gedragingen, mede gelet op artikel 5a, eerste lid, van de WVW, kan worden gekwalificeerd als roekeloos rijgedrag. Bij het slachtoffer is als gevolg van het ongeval sprake van tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van normale bezigheden. Nu verdachte bovendien onder invloed was van alcohol, kan ook het onder 2 ten laste gelegde worden bewezen. 4.2. Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft geen verweer gevoerd en heeft zich wat betreft de mate van schuld gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3. Oordeel van de rechtbank 4.3.1. Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 17 maart 2025 rijdt verdachte in een personenauto, een Volvo V50, over de [provincialeweg 1] , komende uit de richting van [adres 5] en rijdende in de richting van [adres 6] . Hij rijdt af op een stoplicht bij de kruising van de [adres 1] en de [adres 2] . Hij negeert het rode verkeerslicht en rijdt de kruising op zonder zijn snelheid te minderen. Uit een verklaring van een getuige blijkt dat het voor hem geldende verkeerslicht ongeveer 10 seconden rood licht uitstraalde. Intussen rijdt het latere slachtoffer, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), met haar personenauto over de [provincialeweg 2] , komende uit de richting van [adres 3] en rijdende in de richt De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verdachte reed onder invloed van drie keer zoveel alcohol als is toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat dit samenstel van gedragingen van verdachte een ernstige mate van gevaarzettend gedrag oplevert. c) Opzettelijk Het opzet van verdachte – inclusief voorwaardelijk opzet – moet gericht zijn geweest op zowel het schenden van de verkeersregels als het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van voorwaardelijk opzet voor wat betreft het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Verdachte heeft bewust de keuze gemaakt om in zijn auto te stappen, terwijl hij fors onder invloed van alcohol was. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op de dag van het ongeval vanaf ongeveer 16.00 uur een kwart liter wodka en een paar flesjes bier had gedronken en vervolgens in de auto is gestapt om de – hem bekende – route naar huis te rijden. Hij verkeerde daarmee in een toestand dat hij onvoldoende in staat was een voertuig te besturen. Dit terwijl hij meermaals is veroordeeld voor het rijden onder invloed, zijn rijbewijs als gevolg daarvan meerdere malen ingevorderd is geweest en hij in ieder geval één keer een alcohol verkeerscursus opgelegd heeft gekregen en heeft gevolgd. Door toch in zijn auto te stappen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de verkeersregels in ernstige mate zou schenden en dat op de koop toe genomen. Daarmee is het opzet op de schending van de verkeersregels (in ernstige mate) gegeven. d) Gevaar te duchten Naar algemene ervaringsregels acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het hiervoor beschreven verkeersgedrag van verdachte. Dat dit daadwerkelijk het geval was, blijkt uit het feit dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. De aanrijding is een enorme klap geweest, zo blijkt uit de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen. Conclusie Het voorgaande betekent dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van roekeloosheid, de zwaarste vorm van schuld. De rechtbank acht daarom het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen. 4.3.3. Beoordeling van feit 2 (rijden onder invloed van alcohol) De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3.1. is vastgesteld, ook dit feit kan worden bewezen. 5 Bewezenverklaring Op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 4.3.1., waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, acht de rechtbank bewezen dat verdachte: 1. primair op 17 maart 2025 te [adres 7] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de [provincialeweg 1] , zich zodanig, te weten roekeloos, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de [provincialeweg 1] , komende uit de richting van [adres 5] , en gaande in de richting van [adres 6] , - terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde, verdachte is niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor zijn verkeer geldend en al (ongeveer) 10 seconden, rood uitstralend verkeerslicht, verdachte is vervolgens, het kruisingsvlak van de [provincialeweg 1] met de [provincialeweg 2] overgestoken, verdachte heeft zich bij het oversteken van de kruisin Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 13 november 2025, waaruit blijkt dat hij veelvuldig – waaronder drie keer in de afgelopen vijf jaren – is veroordeeld voor het rijden onder invloed van verdovende middelen en het rijden met een ingevorderd rijbewijs. Gelet op de veroordeling van 26 maart 2025 is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 30 december 2025, opgemaakt door mevrouw [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Inforsa. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven - dat het middelengebruik van verdachte een delict gerelateerde criminogene factor is. Het rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs is sinds 1990 een delictpatroon van verdachte. Hij heeft meerdere keren de cursus Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA Cursus) gevolgd bij het CBR en zijn rijbewijs is meerdere malen ingevorderd geweest. Dit heeft niet tot duurzame gedragsverandering geleid. Verder heeft verdachte geen werk omdat hij arbeidsongeschikt is en is er sprake van schuldenproblematiek. De resterende leefgebieden zijn stabiel. Verdachte heeft de wens te stoppen met middelengebruik, heeft een hulpvraag en was tot 13 januari 2026 klinisch opgenomen geweest in Zuid-Afrika. Dit heeft hij vrijwillig via zijn huisarts en zorgverzekering geregeld. Verdachte staat open voor een reclasseringskader in verband met de wens voor duurzame abstinentie en heeft behoefte aan structuur en richting in zijn leven. Gelet op het hoge risico op recidive, de hulpvraag van verdachte en specifieke aanknopingspunten om mee aan de slag te gaan ziet de reclassering meerwaarde in de inzet van een reclasseringskader. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met mogelijke kortdurende opname), aflossing schulden, meewerken aan middelencontrole en een rijontzegging. 7.3.3. Straffen Bij het bepalen van de (hoogte van) de straf neemt de rechtbank als uitgangspunt het oriëntatiepunt dat rechtbanken hebben vastgesteld in het geval van het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van zeer hoge mate van schuld, tijdelijke ziekte en het gebruik van alcohol (> 570 µg/L), te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat hij roekeloos heeft gereden, dat sprake is van veelvuldige recidive en dat verdachte zich na het verkeersongeval niet heeft bekommerd om het slachtoffer. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij na het verkeersongeval heeft ingezien dat hij een ernstig middelenprobleem heeft en hiervoor vrijwillig onder behandeling is gegaan en het feit dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer vragen vanuit het oogpunt van vergelding, normbevestiging en generale preventie om de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank hecht echter ook veel waarde aan de speciale preventie: er dient te worden voorkomen dat verdachte nog een keer (soortgelijke) strafbare feiten begaat. In dit kader is van het belang dat hij zijn uitkering en woning niet verliest, omdat deze instabiliteit en gebrek aan structuur van negatieve invloed zal zijn op een duurzaam herstel. Alles afwegende acht de rechtbank gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Daarbij zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden (met uitzondering van de rijontzegging). Daarnaast ontzegt de rechtbank verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen vo