Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-08-04
ECLI:NL:RBAMS:2026:8385
Huurzaak in kort geding, vordering tot ontruiming wegens huurachterstand. Kantonrechter verleent terme de grâce aan huurders en overweegt dat de door huurders gestelde gebreken de opgeschorte huurtermijnen (drie maanden) niet rechtvaardigen. Reconventionele vorderingen (plan van aanpak en compensatievergoeding) worden afgewezen. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 12246755 \ KK EXPL 26-332 Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid I LIVE AMSTERDAM B.V. , gevestigd te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: verhuurder, gemachtigde: mr. V.C. van der Velde, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats 1] , 2. [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: huurders, gemachtigde: [gemachtigde]. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 juni 2026, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 16 juli 2026, - de mondelinge behandeling van 21 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van verhuurder inclusief eisvermindering, - de pleitnota van huurders. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Namens verhuurder is dhr. [naam] ([functie]) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Huurders waren ook aanwezig op de mondelinge behandeling, bijgestaan door hun gemachtigde. Beide partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een huurovereenkomst betreffende woonruimte aan de [adres] (hierna: de woning) gesloten, waarbij huurders de woning huren van verhuurder. 2.2. De huurovereenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan. 2.3. De huurprijs bedraagt momenteel € 2.938,78 per maand en dient bij vooruitbetaling te worden betaald. 2.4. Artikel 14.2 van de algemene huurvoorwaarden (AHV) die zijn overgelegd bepaalt: “ Huurder zal zich bij het voldoen van de betalingsverplichting niet beroepen op enige korting, opschorting of verrekening, tenzij de rechter hem daartoe heeft gemachtigd dan wel de bevoegdheid tot verrekening of opschorting (semi-) dwingendrechtelijk uit de wet voortvloeit. ” 3 Het geschil In conventie 3.1. Verhuurder vordert in conventie – samengevat – ontruiming van het gehuurde aan de [adres], betaling van de huurachterstand van, na eisvermindering, € 8.816,34 en betaling van een gebruiksvergoeding ter hoogte van € 2.925,00 per maand of een pro rata gedeelte daarvan tot de ontruiming. Daarnaast vordert verhuurder wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. 3.2. Verhuurder legt aan de vorderingen – samengevat – ten grondslag dat huurders een huurachterstand hebben. Volgens verhuurder zijn huurders sinds december 2025 tekortgeschoten in de tijdige en volledige betaling van de verschuldigde huurtermijnen. Hoewel huurders in mei 2026 een deelbetaling ter hoogte van drie maandelijkse huurtermijnen hebben verricht en de huurtermijnen over de maanden juni en juli 2026 wel hebben voldaan (zij het onder protest), resteerde ten tijde van de mondelinge behandeling nog een huurachterstand ter hoogte van drie maandelijkse huurtermijnen. Volgens verhuurder leveren deze omstandigheden een ernstige tekortkoming op die een ontruimingsvordering in kort geding kan rechtvaardigen en is voldoende aannemelijk dat dit in een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst zal leiden. 3.3. Huurders erkennen dat nog een bedrag van € 8.816,34 openstaat, maar voeren als verweer tegen de vorderingen in conventie aan dat zij gerechtigd zijn de huur tot dit bedrag op te schorten. Vanaf het begin van de huurovereenkomst zou volgens huurders sprake zijn geweest van gebreken aan de woning die niet, althans onvoldoende, door verhuurder zijn hersteld. Zo zou er sprake zijn (of zijn geweest) van – samengevat – problemen met de afwatering in de doucheruimte, problemen met de inductieplaat, tochtproblemen, muizen, een onvoldoende afgedichte toegangsdeur, scheef-hangende keukenkastdeurtjes, ontbrekende deurontsluiting en deurbel, energiekosten die niet passen bij het energielabel van de woning, scheuren en gaten in de buitengevel en scheuren in de aansluiting van de wanden en plafonds, aldus nog steeds huurders. Deze gebreken hebben volgens huurders tot een vermindering van woongenot geleid, waardoor zij menen gerechtigd te zijn de huur op te schorten totdat de gebreken zijn verholpen. Huurders concluderen dan ook tot niet-ontvankelijkheid van verhuurder, dan wel tot afwijzing van de vorderingen in conventie, met veroordeling van verhuurder in de kosten van deze procedure. In reconventie 3.4. Verwijzend naar de gestelde gebreken vorderen huurders in reconventie – samengevat – verhuurder te veroordelen tot het opstellen van een plan van aanpak en betaling van een compensatievergoeding van 40% van de huursom gedurende de gehele huurperiode. 3.5. Als verweer tegen de reconventionele vorderingen voert verhuurder – kortgezegd – aan dat zij klachten van huurders over het gehuurde steeds serieus heeft genomen, hersteld heeft c.q. heeft aangeboden deze te herstellen, voor zover de gebreken voor rekening van verhuurder zouden moeten komen. Volgens verhuurder is een volledige huuropschorting disproportioneel en niet gerechtvaardigd. Verder stelt verhuurder dat eventuele problemen ook zonder plan van aanpak opgelost kunnen worden en dat het lastig te bepalen is wat een plan van aanpak precies zou moeten inhouden, mede gelet op de voorwaarden die huurders aan de herstelwerkzaamheden wensen te stellen. Verhuurder concludeert dan ook tot afwijzing van de reconventionele vorderingen. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling In conventie 4.1. Verhuurder vordert in dit kort geding onder andere ontruiming van de woning. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een – diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding. 4.2. De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of in een bodemprocedure de vorderingen tot ontbinding en ontruiming van de woning een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door de ontruimingsvordering in dit kort geding toe te wijzen. Het navolgende is daarmee niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. 4.3. Met betrekking tot de (niet-betwiste) spoedeisendheid van de vorderingen in conventie merkt de kantonrechter op dat deze naar hun aard spoedeisend zijn. 4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat huurders nog een bedrag ter hoogte van drie maandelijkse huurtermijnen – in totaal € 8.816,34 – hebben openstaan. Een dergelijke huurachterstand rechtvaardigt in beginsel in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of en in welke mate de door huurders gestelde gebreken rechtvaardigen dat de betaling van voornoemd bedrag aan huur is opgeschort. Ook is tussen partijen in geschil of en in hoeverre de gestelde gebreken zich momenteel nog voordoen. De gestelde gebreken 4.5. Zoals vermeld in overweging 4.1 van dit vonnis is in een kort geding geen plaats voor een uitgebreid onderzoek naar bestreden feiten. Over de door huurders gestelde gebreken, die grotendeels door verhuurder zijn bestreden, merkt de kantonrechter het volgende op. 4.6. Uit de stellingen van partijen tijdens de mondelinge behandeling acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat zich momenteel nog een gebrek voordoet in de doucheruimte, waarin water – door de aangebrachte verf heen – de wanden in kan trekken. Verhuurder erkent dat de wanden een keer opnieuw zijn geverfd, maar dat dit niet het gewenste resultaat heeft gehad. Daarop heeft verhuurder contact opgenomen met de verfleverancier om naar de doucheruimte te komen kijken. Huurders weigeren de verfleverancier echter toegang tot de woning zonder dat een concreet plan van aanpak met betrekking tot de herstelwerkzaamheden wordt voorgesteld. 4.7. Een van de andere gestelde gebreken ziet op de aanwezigheid van muizen in de woning. Dat zich momenteel nog een muizenprobleem voordoet waartegen verhuurder iets zou moeten ondernemen is niet voldoende aannemelijk geworden. Op grond van de bijlage van het Besluit kleine herstellingen (sub r), dat ook aan de huurovereenkomst tussen partijen is gehecht, in samenhang met de artikelen 7:217 en 7:240 van het Burgerlijk Wetboek (BW), komt het bestrijden van ongedierte voor rekening van de huurder. Dit is mogelijk anders als de aanwezigheid van ongedierte het gevolg is van de bouwkundige situatie van de woonruimte of aan de bestrijding noemenswaardige kosten verbonden zijn. 4.8. Dat een van de uitzonderingen zich hier voordoet is voorshands niet aannemelijk gemaakt. Verhuurder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij de ruimte rond een afvoer in het keukenblok met purschuim heeft laten dichten, zodat muizen niet meer via dit punt de woning in kunnen komen. Dat huurders daarna nog steeds last hadden van muizen in de woning stelt verhuurder niet te hebben geweten tot aan de mondelinge behandeling. Voor zover er sprake zou zijn geweest van een bouwkundige oorzaak van het muizenprobleem, heeft verhuurder voldoende gemotiveerd aangegeven dat zij dit heeft hersteld. Met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van muizen nadien hebben huurders onvoldoende gemotiveerd gesteld dat dit een bouwkundige oorzaak heeft of vanwege andere redenen voor rekening van de verhuurder zou moeten komen. Dit betekent dat het bestrijden van eventuele muizen na het dichten van het gat met purschuim, in beginsel een verantwoordelijkheid is van huurders. Het vermeende muizenprobleem kan dan ook niet ten grondslag worden gelegd aan een eventueel opschortingsrecht van huurders. 4.9. Dat de overige door huurders gestelde gebreken zich (momenteel) voordoen, en zo ja, in welke mate, is door de kantonrechter in dit kort geding niet vast te stellen. Huurders hebben deze gebreken weliswaar gesteld, maar deze stellingen zijn niet voldoende onderbouwd. Bovendien heeft verhuurder tijdens de mondelinge behandeling betwist dat zich nog andere gebreken dan het probleem in de doucheruimte voordoen, althans gesteld daar niet eerder over te zijn geïnformeerd. 4.10. Gelet op bovenstaande kan de kantonrechter in dit kort geding slechts constateren dat zich momenteel nog een gebrek voordoet in de doucheruimte, zoals in overweging 4.6 van dit vonnis toegelicht. De gestelde gebreken rechtvaardigen de opschorting niet 4.11. Vervolgens dient de kantonrechter te beoordelen of het gebrek met betrekking tot de doucheruimte de opgeschorte betaling van de huurtermijnen rechtvaardigt. De kantonrechter oordeelt dat dat niet het geval is, en overweegt daartoe het volgende. 4.12. Voordat wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep op opschorting, merkt de kantonrechter op dat artikel 14.2 AHV (zie overweging 2.4 van dit vonnis) het opschortingsrecht beperkt. Voor zover verhuurder met haar stellingen dat huurders geen opschortingsrecht toekomt, een beroep doet op artikel 14.2 AHV, volgt de kantonrechter haar daarin niet. De kantonrechter stelt vast dat huurders consumenten zijn (natuurlijke personen die niet hebben gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf) en dient de bedingen in de AHV daarom ambtshalve te toetsen. De kantonrechter oordeelt dat aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat artikel 14.2 AHV oneerlijk is. Artikel 14.2 AHV beperkt immers de opschortingsbevoegdheid van huurder tot situaties waarin de opschortingsbevoegdheid (semi-)dwingendrechtelijk uit de wet voortvloeit. Dit terwijl op grond van artikel 6:236 sub c BW ieder beding dat de opschortingsbevoegdheid beperkt – dus ook in situaties waarin de opschortingsbevoegdheid niet (semi-)dwingend-rechtelijk uit de wet voortvloeit – oneerlijk is. Een oneerlijk beding heeft geen werking tegenover de consument. 4.13. Nu de opschortingsbevoegdheid van huurders niet is uitgesloten of beperkt, dient de kantonrechter het beroep van huurders op opschorting inhoudelijk te beoordelen. 4.14. Huurders leggen de gestelde gebreken ten grondslag aan hun beroep op opschorting van de betaling van de huurtermijnen. Voor een geslaagd beroep op opschorting vanwege een tekortkoming is vereist dat de tekortkoming de opschorting rechtvaardigt (artikel 6:262 lid 2 BW). Dit betekent in dit geval dat de aannemelijk geworden gebreken de opschorting van de betaling van drie maandelijkse huurtermijnen moeten rechtvaardigen. De kantonrechter oordeelt dat daarvan geen sprake is. Zoals in overweging 4.10 van dit vonnis is overwogen is in dit kort geding slechts aannemelijk geworden dat zich een gebrek voordoet met betrekking tot de doucheruimte. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit gebrek in ieder geval niet de opschorting van drie maandelijkse huurtermijnen rechtvaardigen. 4.15. Of en in hoeverre een opschorting van huurtermijnen tot een lager bedrag wel gerechtvaardigd zou zijn is in dit kort geding evenmin vast te stellen. Daarbij speelt een rol dat tussen partijen al een huurprijskorting is overeengekomen met betrekking tot een waterprobleem in de doucheruimte. Mede gelet op die eerdere huurprijskorting hebben huurders onvoldoende (gemotiveerd) gesteld in hoeverre het gebrek in de doucheruimte hun woongenot heeft beperkt. Daarnaast heeft verhuurder gesteld dat zij heeft aangeboden dit gebrek door een deskundige (de leverancier van de verf) te laten onderzoeken. Huurders hebben dit niet betwist, maar hebben aangegeven dat zij een concreet plan van aanpak wensen voordat zij iemand tot de woning willen toelaten. De kantonrechter acht het voorstel van verhuurder om de verfleverancier het probleem in de doucheruimte te laten onderzoeken redelijk. De noodzaak van een meeromvattend plan van aanpak in dit verband hebben huurders onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. De (blote) stellingen dat zich eerder gebreken in de woning hebben voorgedaan die enkele maanden na herstel terugkeerden en dat door verhuurder gestuurde personen ondeskundig zouden zijn – wat door verhuurder gemotiveerd is betwist – zijn daartoe onvoldoende. Nu huurders de verfleverancier de toegang tot de woning weigeren (althans daaraan slechts meewerken onder voorwaarden waarvan de noodzaak niet aannemelijk is geworden) werken zij het herstel van het gebrek tegen, waardoor het ook de vraag is in hoeverre zij dit gebrek aan verhuurder kunnen tegenwerpen ter onderbouwing van een beroep op opschorting. Vordering tot betaling huurachterstand toewijsbaar 4.16. Gelet op bovenstaande komt huurders geen beroep op opschorting van de betaling van de huurtermijnen toe. Dit betekent dat verhuurder recht heeft op betaling van de huurachterstand van € 8.816,34. De vordering van verhuurder tot betaling van de huurachterstand zal daarom worden toegewezen. Verlening terme de grâce 4.17. De omvang van de huurachterstand rechtvaardigt in beginsel ook de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in een bodemprocedure en – vooruitlopend daarop – de ontruiming in dit kort geding. 4.18. Nu huurders in de veronderstelling waren gerechtigd te zijn tot opschorting van de huur en zij hebben gesteld de huur apart te hebben gezet en de huurachterstand zo nodig op korte termijn te kunnen betalen ziet de kantonrechter echter aanleiding een terme de grâce van een maand te verlenen. Dit betekent dat als huurders de gehele huurachterstand alsnog binnen een maand aan verhuurder voldoen, zij de woning niet hoeven te ontruimen. Betalen zij de huurachterstand niet binnen een maand, dan dient de woning wel te worden ontruimd. 4.19. De kantonrechter ziet in dit verband aanleiding om op te merken dat hoewel niet uit het dossier blijkt dat verhuurder huurders heeft aangemeld bij de gemeente in het kader van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening, dit niet in de weg staat aan de voorwaardelijke toewijzing van de gevorderde ontruiming. Gelet op de stellingen van huurders, waarbij zij stellen de huur zonder meer te kunnen betalen maar zich beroepen op opschorting, acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat een vroegsignalering in dit geval toegevoegde waarde zou hebben gehad. Reconventionele vorderingen worden afgewezen 4.20. De reconventionele vordering tot het opstellen van een plan van aanpak met een tijdslijn van uitvoering met vakkundige werklieden wordt afgewezen. De kantonrechter ziet niet in wat het concrete belang is van huurders bij een plan van aanpak, nu verhuurder gemotiveerd heeft gesteld dat zij direct actie onderneemt bij melding van een klacht en ook de voorkeur aan deze werkwijze geeft boven een plan van aanpak. Voorts heeft verhuurder gemotiveerd aangevoerd dat zij voor herstelwerkzaamheden voldoende deskundige werklieden inschakelt. Werklieden met ruime ervaring en die zij al jarenlang zonder klachten van bewoners gebruikt bij het beheer van een portefeuille van 300 appartementen. Huurders hebben dat onvoldoende gemotiveerd betwist (zie ook overweging 4.15 van dit vonnis). 4.21. De reconventionele vordering tot betaling van een compensatievergoeding van 40% van de huursom gedurende de gehele huurperiode is evenmin toewijsbaar. Mede gelet op wat is overwogen met betrekking tot de gestelde gebreken in de overwegingen 4.5 tot en met 4.15 van dit vonnis, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld in hoeverre het woongenot is beperkt. Daarvoor is een diepgaander onderzoek naar de feiten vereist, waarvoor in kort geding geen plaats is. Voor een voorschot op een compensatievergoeding is dan ook geen grond. Buitengerechtelijke incassokosten 4.22. Verhuurder vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De AHV bevatten een incassokostenbeding in artikel 15.5 dat als volgt luidt: “ Alle redelijke buitengerechtelijke kosten die verhuurder moet maken, omdat huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen, zijn voor rekening van de huurder. Voor de berekening van de buitengerechtelijke kosten is van toepassing de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten, waarin deze kosten zijn gemaximeerd. ” Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat huurders consumenten zijn, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Dat verhuurder haar vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten in haar dagvaarding op de wet baseert maakt dat niet anders. Artikel 15.5 AHV verwijst voor de berekening van de buitengerechtelijke kosten naar de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten. Deze wet heeft tot het huidige artikel 6:96 BW geleid, waarin naar het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt verwezen. Het beding wijkt daarmee dus niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van incassokosten in de weg. 4.23. Wel moet worden beoordeeld of aan het beding (en daarmee ten minste aan de eisen van de wet), is voldaan. Dat is niet het geval. Verhuurder heeft geen aanmaning aan huurders verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In geen van de overgelegde aanmaningen is namelijk een betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door huurders. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning die op 24 maart 2026 door de raadsman van verhuurder aan huurders is verstuurd worden huurders gesommeerd om “ within fourteen (14) days of this email ” de huurachterstand te betalen. Die termijn vangt niet aan op de dag na ontvangst van de e-mail. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen. Proceskosten 4.24. Huurders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van verhuurder worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 127,35 - griffierecht € 559,00 - salaris gemachtigde € 577,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.407,35 4.25. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.26. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij. 5 De beslissing De kantonrechter: in conventie veroordeelt huurders hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om binnen één maand na heden aan verhuurder te betalen € 8.816,34 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2026 (de dag van de dagvaarding) tot de dag van volledige betaling; en voorts voor het geval huurders niet aan deze veroordeling voldoen en/of de huurders binnen één maand na heden niet alle tot op dat moment vervallen huurtermijnen hebben voldaan: veroordeelt huurders om het gehuurde te ontruimen en ontruimd te houden, met alle daarin aanwezige personen en zaken, en het gehuurde leeg en bezemschoon, onder afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking van verhuurder te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt huurders hoofdelijk om aan verhuurder te betalen € 2.925,00 per maand, althans een pro rata gedeelte daarvan, tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt; veroordeelt voorts in beide gevallen huurders hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van verhuurder, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.407,35, te voldoen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als huurders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, veroordeelt voorts in beide gevallen huurders hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie wijst de vorderingen af, veroordeelt huurders hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van verhuurder, begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier. 70336