Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-08-20
ECLI:NL:RBAMS:2026:8366
Executie-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak waarbij er vragen zijn gesteld in artikel 12 OLW ten aanzien van vonnis I en III. Geen situatie als bedoeld in sub a t/m d van artikel 12 OLW. De rechtbank ziet op basis van de verstrekte aanvullende informatie reden om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Overlevering toestaan RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-087391-25 Datum uitspraak: 20 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 28 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 februari 2025 door the Regional Court in Kielce , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 15 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 juli 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De tussenuitspraak van 29 juli 2026 Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen in het kader van de toetsing aan artikel 12 OLW ten aanzien van vonnis I en III aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. De zitting van 13 augustus 2026 De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 13 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman mr. mr. S.L.J. Swart, advocaat in Amsterdam die waarneemt voor mr. R.P.G. van der Weide, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 29 juli 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de (dubbele) strafbaarheid van de feiten en Artikel 11 OLW in het kader van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Wat de rechtbank daarover heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 29 juli 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. In de tussenuitspraak van 29 juli 2026 heeft de rechtbank ten aanzien van vonnis I: het vonnis van the Local Court in Starachowice van 4 maart 2024, met kenmerk II K 5/24 en vonnis III: het vonnis van the Local Court in Starachowice van 28 februari 2024 met kenmerk II K 106/24 de volgende vragen geformuleerd: 1. Begrijpt de rechtbank uit de informatie in onderdeel D) van het EAB correct dat de opgeëiste persoon - in tegenstelling tot wat gebleken is ten aanzien van vonnis II - in vonnis I en vonnis III daadwerkelijk in persoon is gedagvaard, oftewel dat vaststaat dat zij ten aanzien van beide vonnissen de dagvaarding persoonlijk in ontvangst heeft genomen? 2. Indien de opgeëiste persoon niet daadwerkelijk in persoon is gedagvaard, maar voor de Poolse wetgeving rechtsgeldig is opgeroepen voor de rechtszitting, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden voor zowel vonnis I als voor vonnis III: a. Heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop zij gedurende het proces bereikbaar moest zijn voor de Poolse autoriteiten? b. Zo ja, is haar meegedeeld dat zij iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten moest doorgeven en is zij gewezen op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting? c. Heeft de opgeëiste persoon op enig moment adreswijzigingen doorgegeven? d. Is de oproeping voor het proces ook daadwerkelijk aan het door de opgeëiste persoon in deze procedure opgegeven adres gezonden? e. Zijn er andere omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon wist van de strafrechtelijke procedure? Het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 29 juli 2026 de door de rechtbank geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 3 augustus 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ additional information related to a judgement I covered by Section D, that is the court case ref. II K 5/24: 1. [opgeëiste persoon] did not take receipt of the summons to the hearing. The postal service left pick-up notices for the addressee on two separate dates, allowing her to collect court correspondence from a post office. Pursuant to Article 133 § 2 of the Code of Criminal Procedure, the Court at the hearing deemed the summons effectively served upon the addressee on 08/02/2024. 2. During the course of pre-trial proceedings, at the time of her last interview on 18/12/2023, the convicted person [opgeëiste persoon] indicated her registered address, residential address and mailing address as [adres Polen]. 3. Yes. The summons to the hearing was sent to the address supplied by the convicted person. 4. Yes. At the stage of pre-trial proceedings, the-convicted person [opgeëiste persoon] received a guidance note: a. about obligations incumbent on her, including the obligation to inform the authorities about any change of her address (Article 139 of the Code of Criminal Procedure), and b. about consequences of a failure to comply with that obligation, during the interview, and she personally acknowledged it with her signature. As a result, the court case proceeded without the convicted person's appearance, yet the proceedings were not proceedings in default of appearance. 5. Yes, during the course of pre-trial proceedings, the convicted person reported the address change. Eventually, she filed with the Court a handwritten and signed statement of 20/09/2023, in which she indicated her residential address and mailing address as [adres Polen]. 6. Yes. The summons to the hearing was sent to the address finally supplied by the convicted person. 7. a. During the course of pre-trial proceedings on 18 September 2023, court-appointed experts conducted a forensic psychiatric examination of the convicted person, based on which they issued a forensic psychiatric evaluation on 25 September 2023. In the final conclusions of the evaluation, the experts stated that the convicted person [opgeëiste persoon] was able to participate in legal proceedings and appear before the court, and that her mental state allows her to engage in her defense in an independent and reasonable manner. b. Furthermore, during the course of pre-trial proceedings, [opgeëiste persoon] personally filed a handwritten statement about the address change. c. During the interview during the course of pre-trial proceedings, the convicted person stated that she had understood the charges and pleaded guilty to the criminal act alleged against her. She stated that she regretted that such a situation had taken place. additional information related to a judgement III covered by Section D, that is the court case ref. IIK 106/24: 1. [opgeëiste persoon] did not take receipt of the summons to the hearing. The postal service left pick-up notices for the addressee on two separate dates, allowing her to collect court correspondence from a post office. Pursuant to Article 133 § 2 of the Code of Criminal Procedure, the Court at the hearing deemed the summons effectively served upon the addressee on 20/02/2024. 2. During the course of pre-trial proceedings, at the time of her interview, the convicted person [opgeëiste persoon] indicated her registered address, residential address and mailing address as [adres Polen]. 3. Yes. The summons to the hearing was sent to the address supplied by the convicted person. 4. Yes. At the stage of pre-trial proceedings, the convicted person [opgeëiste persoon] received a guidance nota: a. about obligations incumbent on her, including the obligation to inform the authorities about any change of her address (Article 139 of the Code of Criminal Procedure), and b. about consequences of a failure to comply with that obligation, during the interview, and she personally acknowledged it with her signature. As a result, the court case proceeded without the convicted person's appearance, yet the proceedings were not proceedings in default of appearance. 5. No, during the course of pre-trial proceedings, the convicted person did not report the address change. 6. Yes. The summons to the hearing was sent to the address supplied by the convicted person. 7. During the interview during the course of pre-trial proceedings, the convicted person stated that she had understood the charge and pleaded guilty to the criminal act alleged against her. She stated that she regretted that such a situation had taken place.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW voor de vonnissen I en III moet worden geweigerd. De oproepen voor de zittingen die geleid hebben tot de vonnissen I en III zijn niet aan de opgeëiste persoon in persoon betekend. Zij wist niet van de zittingen en heeft haar verdedigingsrechten niet kunnen uitoefenen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon heeft in beide procedures een adres opgegeven. De oproepen voor de zittingen die geleid hebben tot vonnis I en III zijn naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie gehad, waarvoor zij heeft getekend. Al met al is er voldoende reden om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van vonnis I: het vonnis van the Local Court in Starachowice van 4 maart 2024, met kenmerk II K 5/24 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt. Uit de aanvullende informatie blijkt immers dat – anders dan in het EAB is vermeld – geen sprake is geweest van een dagvaarding in persoon. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende het voorbereidend onderzoek onder meer op 18 december 2023 is gehoord. Tijdens dit laatste verhoor heeft de opgeëiste persoon een adres opgegeven, te weten [adres Polen]. Dit adres had zij ook al eerder, op 20 september 2023, in een handgeschreven en ondertekende verklaring als haar gewijzigde adres opgegeven. De oproepen voor de zitting die heeft geleid tot het vonnis zijn aan het door de opgeëiste persoon laatst opgegeven adres gezonden, maar niet door haar opgehaald. Ook blijkt dat zij in het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft ontvangen en daarvoor heeft getekend, maar (afgezien van de wijziging in haar adres op 20 september 2023) geen wijzigingen meer heeft doorgegeven. Bovendien blijkt uit de aanvullende informatie dat zij in september 2023 in het kader van de strafzaak door een forensisch psychiater is onderzocht en dat zij tijdens een verhoor heeft verklaard dat ze de beschuldiging begreep, schuld bekende aan het feit en spijt had van wat er gebeurd was. Zij was dus op de hoogte van de verdenking en moest er rekening mee houden dat een strafrechtelijke procedure zou volgen. De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Ten aanzien van vonnis III: het vonnis van the Local Court in Starachowice van 28 februari met kenmerk II K 106/24 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt. Uit de aanvullende informatie blijkt immers dat – anders dan in het EAB is vermeld – geen sprake is geweest van een dagvaarding in persoon. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende het voorbereidend onderzoek is gehoord en toen een adres heeft opgegeven, te weten [adres Polen]. Zij heeft gedurende het voorbereidend onderzoek ook een adresinstructie gekregen, waaruit de verplichting tot het doorgeven van een adreswijziging bleek. Daarbij is zij gewezen op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructie getekend. Ze heeft geen adreswijziging doorgegeven. De oproepen voor de zitting die heeft geleid tot het vonnis zijn aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden, maar niet door haar opgehaald. Bovendien blijkt uit de aanvullende informatie dat zij tijdens een verhoor heeft verklaard dat ze, ook in dit geval, de beschuldiging begreep, schuld bekende aan het feit en spijt had van wat er gebeurd was. Zij was dus op de hoogte van de verdenking en moest er rekening mee houden dat een strafrechtelijke procedure zou volgen. De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47, 267, 285, 300, 304, 311 en 350 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.