Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-08-18
ECLI:NL:RBAMS:2026:8271
Executie-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak. Artikel 12 OLW: tenuitvoerleggingsbeslissing hoeft niet te worden getoetst. Triggerende veroordeling moet wel worden getoetst: afzien van toepassing van de weigeringsgrond. Artikel 6a OLW: IND-advies, certificaat en vonnis ontvangen. Overlevering geweigerd met strafovername. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-089535-26 Datum uitspraak: 18 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 27 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juli 2025 door the Ostrolęka Regional Court, Second Criminal Division , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] (Polen), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 12 mei 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak van 26 mei 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6a, negende lid, OLW is voldaan. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een advies bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op te vragen. Daarnaast heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht om alvast bij de daartoe bevoegde autoriteit in Polen een certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 4 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 26 mei 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3) en de strafbaarheid van het feit (onder 5). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 26 mei 2026. Deze overwegingen dienen ook als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft met de aanvullende informatie van 17 juli 2026 een kopie in de Poolse taal van een beslissing tot tenuitvoerlegging van de straf van de Sąd Rejonowy w Wyszkowie II Wydial Karny van 28 januari 2021, met kenmerk II Ko 792/20, toegezonden. Naar aanleiding van het toezenden van deze tenuitvoerleggingsbeslissing heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 24 juli 2026 de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: “ (…) 1. Was the penalty of 6 months imprisonment, imposed in the judgement of the District Court in Wyszkow of 12 April 2019, ref: II K 76/19, conditionally suspended? If yes, 2. What was the reason for revoking this suspension? 3. If the reason for revoking the suspension was that [de opgeëiste persoon] has committed a new criminal offence, could you please fill out and return section D, with a date and reference of the judgement, for the judgement regarding that new criminal offence? And also answer the following questions: a. Did [de opgeëiste persoon] provide the Polish authorities with her address during the (pre-trial) proceedings in the criminal case that led to the this judgement? If yes: b. Was the summons for the Court hearing been sent to the address that [de opgeëiste persoon] provided? c. Did [de opgeëiste persoon] , during the (pre-trial) proceedings, receive instructions about: i. the duty to inform the Polish authorities about address changes, and ii. the consequences of not complying with this obligation (including that, in case of [de opgeëiste persoon] absence at trial, the proceedings could take place in absentia)? ” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in reactie op deze vragen op 3 augustus 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ (…) 1. The prison sentence was conditionally suspended for a probation period of two years. 2. The reason for ordering the enforcement of the sentence by the order of 28 January 2021 was a gross breach of the legal order through: the commission, during the probation period, of a further offence under Article 62(1) of the Act of 29 July 2005 on Preventing Drug Addiction, for which she was sentenced to a fine (possession of drugs), failure to pay the fine in this case, and failure to provide the court with evidence that she had fulfilled her obligation to make good the damage caused. 3. The commission of a new offence whilst on probation was established by the judgment of the District Court in Wyszków dated 26 June 2020 in case no. II K 202/20 – an offence under Article 62(1) of the Act of 29 July 2005 on Preventing Drug Addiction, punishable by a fine of 500 daily rates at 10 zloty each. a. Yes, she has provided her registered address, her home address and her address for service (all the same). b. The summons to the court hearing was sent to the address provided but was not collected, despite having been duly notified. I would like to point out that the sentence was handed down following a request by the prosecutor to impose a penalty agreed with the defendant. c. Yes, she was given the relevant instructions, which she acknowledged by signing. (…). ” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de tenuitvoerleggingsbeslissing van de Sąd Rejonowy w Wyszkowie II Wydial Karny van 28 januari 2021, met kenmerk II Ko 792/20. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf is bevolen omdat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor het plegen van een nieuw strafbaar feit bij vonnis van the District Court in Wyszków van 26 juni 2020, met kenmerk II K 202/20. Dat vonnis moet daarom ook worden getoetst aan artikel 12 OLW. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen, een adres heeft doorgegeven, de oproep voor de zitting naar dat adres is gestuurd en zij is gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan de verplichting iedere adreswijziging door te geven. Oordeel van de rechtbank De vrijheidsstraf is bij vonnis van the District Court in Wyszków van 12 april 2019, met kenmerk II K 76/19 (waarover de rechtbank al heeft geoordeeld onder punt 4 van de tussenuitspraak van 26 mei 2026) aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van de Sąd Rejonowy w Wyszkowie II Wydial Karny van 28 januari 2021, met kenmerk II Ko 792/20, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Een beslissing tot tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf is in beginsel geen beslissing die moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. Als de vrijheidsstraf deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling is geen sprake van een wijziging van de aard of maat van de oorspronkelijk opgelegde straf. Als de vrijheidsstraf géén deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling (en dus een nieuwe vrijheidsstraf is) moet worden beoordeeld of de rechter beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de aard en de maat van de vrijheidsstraf heeft gehad. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 3 augustus 2026 blijkt dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van 28 januari 2021 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. De opgelegde vrijheidsstraf van zes maanden waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen maakte onderdeel uit van de oorspronkelijke veroordeling. De rechtbank hoeft die beslissing dus niet te toetsen aan artikel 12 OLW. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 3 augustus 2026 blijkt dat de veroordeling van the District Court in Wyszków van 26 juni 2020, met kenmerk II K 202/20, heeft geleid tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf. Deze ‘triggerende’ veroordeling moet de rechtbank dus toetsen aan artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 3 augustus 2026 blijkt niet dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis van the District Court in Wyszków van 26 juni 2020 heeft geleid. De rechtbank stelt vast dat het vonnis – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 3 augustus 2026, in samenhang gelezen met de vraagstelling van het IRC van 24 juli 2026, blijkt dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven en dat de oproep voor de zitting aan het door haar opgegeven adres is gezonden, maar dat deze niet is opgehaald. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie gekregen, waaruit de verplichting tot het doorgeven van iedere adreswijziging bleek en waarbij is zij gewezen op de gevolgen van het niet-nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructie getekend. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie dat aan de opgeëiste persoon een straf is opgelegd die zij met de Poolse officier van justitie was overeengekomen. De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. 5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW In de tussenuitspraak van 26 mei 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgeëiste persoon heeft aangetoond dat zij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven en dat daarmee aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Deze overwegingen kunnen hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Standpunt van de raadsvrouw en de officier van justitie De raadsvrouw en de officier van justitie hebben de rechtbank verzocht de overlevering op grond van artikel 6a OLW te weigeren onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf, omdat inmiddels het vereiste IND-advies, het certificaat en een kopie van het vonnis zijn ontvangen. Oordeel van de rechtbank Tweede voorwaarde De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet haar recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 5 juni 2026 volgt dat het strafrechtelijke feit er niet toe leidt dat de opgeëiste persoon haar verblijfsrecht verliest. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven voor het overnemen van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd toe te sturen. Uit het certificaat blijkt dat de opgeëiste persoon op grond van Poolse wetgeving recht heeft op vervroegde of voorwaardelijke invrijheidsstelling nadat hij de helft van de opgelegde vrijheidsstraf heeft uitgezeten. De rechtbank stelt, in navolging van wat is overwogen onder punt 6.3.2. van de tussenuitspraak van 26 mei 2026, vast dat de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW. 8 Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Ostrolęka Regional Court, Second Criminal Division (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van 26 mei 2026 bedoelde vrijheidsstraf, te weten een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, in Nederland. HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] . BEVEELT de gevangenhouding van [de opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Rb. Amsterdam 26 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5116. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ), punt 53. HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 ( Abbottly ). Zie HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ). HvJ EU 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 ( C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) ).