Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-08-07
ECLI:NL:RBAMS:2026:8231
Opschorten zorgregeling. Wijzigen kinderalimentatie. Onderzoek Raad voor de Kinderbescherming in de bodem beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/788514 FA RK 26-4237 Beschikking van 7 augustus 2026 betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv in de zaak van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. A.F. Kevenaar te Almere, tegen [de man] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. B.N. Voogd te Amsterdam. Op grond van het bepaalde in artikel 810 Rv is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de Raad. 1 De procedure 1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1-11, ingekomen op 26 mei 2026; wijziging c.q. aanvulling van de verzoeken van de vrouw met bijlagen 12-16, ingekomen op 13 juli 2026; bijlagen 17-18 van de vrouw, ingekomen op 21 juli 2026; het verweerschrift van de man met bijlagen 1-2, ingekomen op 23 juli 2026; bijlagen 19-20 van de vrouw, ingekomen op 23 juli 2026. 1.2. Bij voormeld verzoekschrift van de vrouw is ook de bodemprocedure aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/13/788513 FA RK 26-4236. 1.3. De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 juli 2026. Verschenen zijn de vrouw met haar advocaat, de advocaat van de man en namens de Raad mevrouw [naam] . 2 De feiten 2.1. Partijen zijn gehuwd op 16 maart 2010. Hun huwelijk is op 7 augustus 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zeeland- West -Brabant van 24 juli 2013 in de registers van de burgerlijke stand. 2.2. Uit het huwelijk is geboren: - [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] . 2.3. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit. 2.4. [de minderjarige] staat (inmiddels weer) in de basisregistratie personen bij de vrouw ingeschreven. Partijen hebben een co-ouderschapsregeling voor [de minderjarige] . 3 De verzoeken en het verweer 3.1. De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de bodemprocedure ex artikel 223 Rv: - artikel 2 van het echtscheidingsconvenant te wijzigen en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te wijzigen naar een bedrag van € 567,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van 26 mei 2026, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum; - de co-ouderschapsregeling overeengekomen op 1 maart 2013 op te schorten tot het moment dat de rechtbank in het kader van de bodemprocedure een beschikking heeft afgegeven. 3.2. De man voert verweer en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair om de verzoeken van de vrouw af te wijzen en subsidiair: - voor zover de rechtbank aanleiding ziet een tijdelijke kinderalimentatie vast te stellen, deze te bepalen aan de hand van de daadwerkelijke inkomensgegevens van partijen en niet eerder dan met ingang van de datum van de beschikking; - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen regeling vast te stellen. 4 Ontvankelijkheid 4.1. Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). 4.2. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de verzoeken van de vrouw aan het vereiste genoemd in het tweede lid van artikel 223 Rv is voldaan, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoeken. 5 De co-ouderschapsregeling Het standpunt van de vrouw 5.1. Eind maart 2026 is de man ernstig verward geraakt en gedwongen opgenomen geweest in de Medisch Psychiatrische Unit van het OLVG [locatie] . De man heeft de vrouw toen verzocht of zij voorlopig de volledige zorg voor [de minderjarige] op zich kon nemen. Als gevolg daarvan verblijft [de minderjarige] sinds 23 maart 2026 volledig bij de vrouw. Veilig Thuis heeft geconstateerd dat het op dit moment niet veilig genoeg is voor [de minderjarige] om bij de man te verblijven. De huisarts van de man heeft aangegeven dat hij vreest dat het nu niet haalbaar is dat [de minderjarige] contact heeft met de man, vanwege zijn instabiele situatie. Ook heeft de huisarts van de man aangegeven dat hij geen contact krijgt met de man, dat de man meermaals is opgenomen door de crisisdienst en dat de behandelend arts van de man ook de ernst van de situatie inziet. [de minderjarige] heeft aangegeven geen contact te willen met zijn vader, zolang de man drugs gebruikt. Dat het op dit moment instabiel en onveilig is voor [de minderjarige] om contact te hebben met de man, blijkt ook uit de correspondentie tussen hen waaruit blijkt dat de man drugs gebruikt en de ernst daarvan niet inziet. Vanuit de man lijkt er geen enkele intentie te zijn om te stoppen met drugs en hij communiceert dat openlijk met [de minderjarige] . Verder hebben zich de afgelopen periode meerdere zorgwekkende ontwikkelingen voorgedaan. Zo komt de man ongevraagd langs bij de woning van de vrouw en [de minderjarige] , wordt de man regelmatig opgenomen op de spoedeisende psychiatrie, wordt de vrouw geregeld door de politie gebeld dat de man in ernstig verwarde toestand is aangetroffen en is de man een keer door de politie in zeer verwarde toestand van een balkon gehaald. De man is daarnaast onbereikbaar voor Veilig Thuis. Het is wenselijk en in het belang van [de minderjarige] dat de juridische status in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie, ook omdat bij de vrouw de vrees bestaat dat de man nakoming van de co-ouderschapsregeling zal vragen. Het standpunt van de man 5.2. In verband met een acuut medische situatie, te weten een delier en een opname in het OLVG, verblijft [de minderjarige] , op verzoek van de man, sinds 23 maart 2026 volledig bij de vrouw. De man heeft daarna opnieuw een delier gehad. De man zit nu ziek thuis en is niet in staat om te werken. Zo erg als de vrouw doet voorkomen is het echter niet. De delieren zijn niet ontstaan als gevolg van drugsgebruik, maar waarschijnlijk door een ontsteking. Het drugsgebruik valt mee, want de man gebruikt alleen een microhoeveelheid ketamine in verband met zijn adhd. [de minderjarige] is 16 jaar en op deze leeftijd bepaalt een minderjarige in de praktijk in overwegende mate zelf of, wanneer en hoe hij contact heeft met een ouder. Een rechterlijke beslissing die het contact tussen de man en [de minderjarige] formeel schorst, kan in de praktijk niet tegen de wil van [de minderjarige] worden afgedwongen en voegt daarom feitelijk niets toe aan de reeds bestaande situatie. De feitelijke situatie is bovendien al vier maanden ongewijzigd: [de minderjarige] verblijft sindsdien bij de vrouw en de man accepteert de wens van [de minderjarige] dat hij er nu voor kiest om niet bij hem te zijn. Een formele schorsing van de co-ouderschapsregeling verandert niets aan deze praktijk, maar creëert wel een formeel, procedureel precedent vooruitlopend op de bodemprocedure en een eventueel onderzoek door de Raad. Een schorsing is dan ook disproportioneel. De vrouw heeft bovendien niet concreet gesteld wat het spoedeisend belang is van een voorlopige voorziening. Het advies van de Raad 5.3. De Raad maakt zich zorgen, en anders dan de man vindt de Raad de situatie enorm zorgelijk. Ook het WhatsApp-bericht van de man aan [de minderjarige] waarin hij aangeeft drugs te gebruiken, vindt de Raad heel zorgelijk. Wat de Raad betreft kan het verzoek van de vrouw om de co-ouderschapsregeling op te schorten, worden toegewezen. Dat zorgt voor helderheid en duidelijk. Het biedt bovendien een juridische basis om de kinderalimentatie aan te passen. Het is ook belangrijk dat er stelling wordt genomen richting de man, want op deze manier is hij geen beschikbare ouder. De Raad hoopt wel dat er op enig moment weer contact zal zijn tussen [de minderjarige] en de man. De Raad adviseert daarom een raadsonderzoek te gelasten, zodat onderzocht kan worden welke zorgregeling tussen [de minderjarige] en de man in de toekomst in het belang van [de minderjarige] is. Het is belangrijk dat [de minderjarige] gesproken wordt en tijdens dit onderzoek kan de Raad ook helpen met hulpverlening voor [de minderjarige] , zoals bijvoorbeeld een KOPP- of KOV-groep, zodat [de minderjarige] meer inzicht kan krijgen in de problematiek van zijn vader en wat dat betekent voor hem. [de minderjarige] kan, als hij daar behoefte aan heeft, in de tussentijd zelf contact opnemen met Villa Pinedo. Verder is Veilig Thuis helder in zijn conclusies en duidelijk ten aanzien van de veiligheidsafspraken. Stabiele veiligheid betekent dat er minimaal een jaar verstrijkt en dat er zich tijdens de laatste zes maanden geen nieuwe onveiligheid voordoet. De Raad vindt dat de man stappen moet zetten en op zijn minst zijn probleem moet erkennen. Juridisch kader 5.4. Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen in verband met de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing waarvan zij vindt dat die in het belang is van het kind. Op grond van artikel 1:253a lid 4 juncto artikel 1:377e lid 1 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling wijzigen op grond dat de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van een eerdere beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. 5.5. Daarbij moet de rechtbank onderzoeken – in deze (spoed)procedure – of bij de toewijzing van het verzoek een voldoende (spoedeisend) belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin. De beoordeling van de rechtbank 5.6. Tussen partijen staat vast dat [de minderjarige] sinds 23 maart 2026 volledig bij de vrouw verblijft. Daarmee is sprake van een wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in de hiervoor genoemde artikelen 1:253a lid 4 juncto 1:377e lid 1 BW. De rechtbank zal daarom beoordelen of aanleiding bestaat om de bestaande co-ouderschapsregeling voorlopig aan te passen. 5.7. Alle belangen afwegende, zal de rechtbank overgaan tot het opschorten van de co-ouderschapsregeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 5.8. Alhoewel partijen van mening verschillen over de problematiek van de man en de oorzaak daarvan, blijkt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat het momenteel niet goed gaat met de man. De man is in de afgelopen periode meerdere malen in een ontregelde toestand geraakt en opgenomen geweest. Daarnaast bestaan er zorgen over het middelengebruik door de man. De rechtbank acht in het bijzonder zorgelijk dat de man tegenover [de minderjarige] openheid heeft gegeven over zijn drugsgebruik, terwijl [de minderjarige] hierdoor wordt belast. 5.9. De hiervoor beschreven problematiek van de man heeft geleid tot zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] . De vrouw heeft deze zorgen naar voren gebracht. Deze zorgen sluiten aan bij de zorgen die door Veilig Thuis en de Raad zijn geuit. De Raad heeft daarnaast naar voren gebracht dat de situatie van de man zodanig zorgelijk is dat hij op dit moment onvoldoende beschikbaar is als ouder. Ook [de minderjarige] zelf heeft kenbaar gemaakt dat hij niet bij de man wil verblijven. 5.10. De rechtbank begrijpt de zorg van de vrouw dat de man, zolang de bestaande co-ouderschapsregeling formeel in stand blijft, op enig moment nakoming daarvan kan verlangen. Het enkele gegeven dat [de minderjarige] feitelijk al geruime tijd bij de vrouw verblijft, neemt deze onzekerheid niet weg. Juist het creëren van duidelijkheid voor de vrouw en [de minderjarige] , zoals de Raad heeft geadviseerd, maakt dat een tijdelijke aanpassing van de zorgregeling aangewezen is. 5.11. De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt dat een opschorting van de co-ouderschapsregeling geen toegevoegde waarde heeft, omdat [de minderjarige] vanwege zijn leeftijd in overwegende mate zelf bepaalt waar hij verblijft. Hoewel de rechtbank onderkent dat de mening van een minderjarige van zestien in de praktijk een belangrijke rol speelt, dient de juridische situatie aan te sluiten bij de feitelijke situatie en de bestaande zorgen rondom de opvoedingssituatie van [de minderjarige] bij de man. 5.12. Dat de oorzaak van de problematiek van de man volgens hem niet gelegen is in drugsgebruik, maakt dit niet anders. De rechtbank is niet gehouden vast te stellen wat de precieze oorzaak van de ontregeling van de man is geweest. Van belang is dat er serieuze zorgen zijn over de veiligheid van [de minderjarige] bij de man en dat de beschikbaarheid en voorspelbaarheid van de man als opvoeder op dit moment onvoldoende gewaarborgd zijn. 5.13. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en de co-ouderschapsregeling voorlopig opschorten. Deze beslissing brengt niet met zich dat de man geen rol meer kan spelen in het leven van [de minderjarige] . Het is van belang dat wordt onderzocht onder welke voorwaarden het contact tussen [de minderjarige] en de man in de toekomst weer kan worden hervat. Conform het advies van de Raad zal de rechtbank ten behoeve van de bodemprocedure de Raad verzoeken een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag welke zorgregeling in het belang van [de minderjarige] is. Tijdens dit onderzoek kan de Raad, in overleg met [de minderjarige] , de opties voor passende hulpverlening voor hem verkennen. 6 De kinderalimentatie Het standpunt van de vrouw 6.1. De vrouw draagt sinds 23 maart 2026 volledig de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Zij heeft een aantal keren aan de man verzocht een bijdrage te leveren, maar dat weigert de man. Zij betwist dan ook dat de man gelden naar haar heeft overgemaakt. De man heeft overboekingen gedaan naar de jongerenrekening van [de minderjarige] , maar daar kunnen [de minderjarige] noch de vrouw bij. Als gevolg hiervan zit de vrouw in financiële nood. Het standpunt van de man 6.2. Partijen hebben in artikel 2.2 van het echtscheidingsconvenant een kostenregeling afgesproken voor de situatie dat [de minderjarige] niet bij de ander verblijft. Deze regeling is rechtsgeldig, door partijen zelf overeengekomen en nog altijd van kracht. Sinds 23 maart 2026 heeft de man een bedrag van meer dan € 1.780,- aan de vrouw bijgedragen. Nu de co-ouderschapsregeling niet gewijzigd behoort te worden, ontbreekt een grondslag om de kinderalimentatie aan te passen. De stelling van de vrouw dat sprake is van financiële nood wordt bovendien niet onderbouwd. Juridisch kader 6.3. Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze overeenkomst daarna door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. 6.4. Ook ten aanzien van dit verzoek dient de rechtbank in het kader van deze provisionele voorziening te beoordelen of sprake is van een voldoende (spoedeisend) belang. Daarvan is sprake als van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen, mede in het licht van de te verwachten duur van de bodemprocedure en van de proceskansen daarin. De beoordeling van de rechtbank 6.5. Zoals eerder al is overwogen, staat tussen partijen vast dat [de minderjarige] sinds 23 maart 2026 volledig bij de vrouw verblijft. Daardoor kan sprake zijn van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. De rechtbank zal daarom beoordelen of aanleiding bestaat om de in artikel 2.2 van het echtscheidingsconvenant opgenomen kostenregeling voorlopig te wijzigen. 6.6. Alle belangen afwegende, is de rechtbank van oordeel dat daartoe aanleiding bestaat. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man met ingang van 26 mei 2026 een bijdrage van € 567,- per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 6.7. Doordat [de minderjarige] volledig bij de vrouw verblijft, draagt de vrouw sinds 23 maart 2026 feitelijk de volledige kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De regeling die partijen in het echtscheidingsconvenant hebben getroffen, ging uit van een situatie waarin sprake was van een co-ouderschapsregeling. Deze situatie doet zich nu voorlopig niet meer voor. 6.8. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de man tot op heden geen financiële bijdrage aan de vrouw heeft geleverd in de kosten die zij nu extra maakt voor [de minderjarige] , ondanks dat de vrouw hem hierom meerdere malen heeft verzocht. De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt dat de door hem genoemde overboekingen naar de jongerenrekening van [de minderjarige] kunnen worden aangemerkt als een bijdrage aan de vrouw in de kosten van [de minderjarige] . Deze gelden staan niet ter beschikking van de vrouw en voorzien daarmee niet in de kosten die zij feitelijk draagt. 6.9. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd en met stukken onderbouwd dat zij hierdoor financieel in de problemen is geraakt en die problemen voortduren zonder bijdrage van de man. Zij heeft toegelicht dat zij zich genoodzaakt heeft gezien een lening bij de gemeente af te sluiten. Daarnaast heeft zij geld geleend van een vriend en heeft zij van dezelfde vriend een financiële gift ontvangen om haar financiële situatie het hoofd te bieden. De rechtbank acht hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat de huidige situatie niet langer kan voortduren. Alimentatieberekeningen 6.10. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s. De ingangsdatum 6.11. Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. 6.12. De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De rechtbank hanteert als ingangsdatum 26 mei 2026, de datum van indiening van het verzoekschrift, omdat de man vanaf dat moment rekening kon houden met vaststelling van een bedrag aan kinderalimentatie. De behoefte van [de minderjarige] 6.13. Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De vrouw heeft terecht gesteld dat de behoefte van [de minderjarige] niet eerder is vastgesteld. De rechtbank stelt de behoefte van [de minderjarige] nu daarom vast op een bedrag van € 525,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend. 6.14. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2012 omdat dit het laatste volledige jaar was waarin zij samenwoonden. 6.15. Zoals door de vrouw gesteld en door de man niet betwist, gaat de rechtbank voor het inkomen van de ouders uit van het door de vrouw overgelegde stuk van de Belastingdienst, te weten het stuk ‘Definitieve berekening Toeslagen’. Daaruit blijkt aan de zijde van de man een inkomen van € 34.427,- in 2012. Het netto besteedbaar inkomen van de man in 2012, rekening houdend met de toenmalige Zvw-bijdrage van 7,1%, bedroeg dan € 22.863,-. 6.16. Uit het hiervoor genoemde stuk van de Belastingdienst blijkt aan de zijde van de vrouw een inkomen van € 25.722,- in 2012. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2012, rekening houdend met de toenmalige Zvw-bijdrage van 7,1%, bedroeg dan € 18.428,-. 6.17. Uit het hiervoor vermelde volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders in 2012 € 41.291,- bedroeg. Dat komt neer op € 3.441,- per maand. 6.18. Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [de minderjarige] werd uitgegeven en wat dus zijn behoefte is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat de ouders bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.441,- per maand gemiddeld € 525,- per maand uitgaven voor [de minderjarige] in 2012. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 765,- per maand. De draagkracht van de ouders 6.19. Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien. 6.20. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind. 6.21. Daarvoor maakt de rechtbank bij een netto besteedbaar inkomen dat hoger is dan € 2.200,- per maand in 2026 gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.375,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht in 2026 ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.375)]. De draagkracht van de man 6.22. De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 948,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen. 6.23. Partijen zijn het erover eens dat gerekend dient te worden met het actuele inkomen van de man dat te vinden is op zijn salarisstroken april en mei 2026. De rechtbank houdt aan de zijde van de man daarom rekening met: salaris ad € 4.945,50 bruto per maand; 8% vakantietoeslag over voornoemd salaris; vergoeding ziektekostenverzekering ad € 36,23 bruto per maand; aanvullende ziektekostenverzekering ad € 18,98 bruto per maand; eindejaarsuitkering ad € 411,96 bruto per maand; premie AOP ad € 11,39 bruto per maand; pensioen/NP ad € 372,70 bruto per maand. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.885,- per maand. 6.24. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule/draagkrachttabel geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van € 948,- per maand. De draagkracht van de vrouw 6.25. De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 232,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen. 6.26. De vrouw heeft onbetwist aangevoerd dat zij een WW-uitkering ontvangt van € 2.504,52 bruto per maand. Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank daarom uit van de uitkeringsspecificaties maart, april en mei 2026 van de vrouw. Daaruit blijkt dat de vrouw een uitkering heeft van € 2.504,52 bruto per maand. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantiegeld en kindgebonden budget. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2.425,- per maand. 6.27.